< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Overgang fosfaatrechten (art. 25-31 Meststoffenwet). Is geldige titel voor overdracht in de zin van art. 3:84 lid 1 BW vereist?

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 22/00232

Datum 30 september 2022

PREJUDICIËLE BESLISSING

In de zaak van

[verzoeker],wonende te [woonplaats],

EISER in eerste aanleg,

hierna: [verzoeker],

niet verschenen in de prejudiciële procedure,

tegen

1. BERG FOURAGE B.V.,gevestigd te Nunspeet,

GEDAAGDE in eerste aanleg,

hierna: Berg Fourage,

niet verschenen in de prejudiciële procedure,

2. Fredrikus KOLKMAN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [gefailleerde 1], [gefailleerde 2] en [de stille maatschap], de gefailleerden worden hierna gezamenlijk aangeduid met: [gefailleerden],kantoorhoudende te Almelo,

GEDAAGDE in eerste aanleg,

hierna: de curator,

advocaat in de prejudiciële procedure: T.T. van Zanten.

1. De prejudiciële procedure

Bij tussenvonnis in de zaak C/05/380733 / HZ ZA 20-455 van 12 januari 2022 heeft de rechtbank Gelderland op de voet van art. 392 RV prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.

De curator heeft schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot beantwoording van de vragen in de zin genoemd in de conclusie onder 4.3, 4.5 en 4.6.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Deze zaak gaat over fosfaatrechten in de zin van de Meststoffenwet (hierna ook: Mw). De rechtbank vraagt in deze prejudiciële procedure onder meer of de vereisten van art. 3:84 BW voor een geldige overdracht, ook gelden voor de overgang van fosfaatrechten en of bij die overgang betekenis toekomt aan de registratie bedoeld in art. 27 Mw.

2.2

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.

(i) [verzoeker] en [gefailleerden] houden zich beiden bedrijfsmatig bezig met het opfokken en houden van melkvee. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) heeft fosfaatrechten aan hen toegekend.

(ii) [verzoeker] en [gefailleerden] hebben een huurkoopovereenkomst melkvee-fosfaatrechten met kooprecht gesloten. Op basis van deze overeenkomst verhuurt [verzoeker] fosfaatrechten aan [gefailleerden]. In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“Verhuur

(…)

a. Verhuurder verhuurt aan huurder en huurder huurt van verhuurder totaal 500 kg fosfaat, netto na overdrachtsafroming te registeren bij huurder.

b. De overdracht bij RVO wordt gemeld als overdracht van fosfaatrechten van verkoper naar koper. Bij overdracht wordt door de overheid 10% afgeroomd. De huurder krijgt 90% van de fosfaatrechten geregistreerd, (bruto 555,55 kg netto 500 kg)

(…)

Huurprijs

a. Huurder betaalt een huurprijs van € 35,- (excl. BTW) per fosfaatrecht / jaar. De totale prijs bedraagt derhalve € 17.500,- excl. BTW / jaar (…) € 21.175,- incl. BTW

(…)

BEDINGEN

LEVERING

Artikel 1

Levering van het verhuurde vindt plaats door registratie van het verhuurde op naam van de huurder in de daartoe door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) gehouden registers middels een (digitaal) overdracht formulier.

Het (…) bedoelde formulier wordt door partijen direct na betaling van de 1e termijn van het 1e jaar (2019) ingevoerd en digitaal ondertekend en verstuurd aan de Rijksdienst voor Onderneming Nederland (RVO).

(…)

GARANTIEVERKLARINGEN VAN DE VERHUURDER

Artikel 6

Verhuurder is bevoegd tot verkoop en levering van het verhuurde aan het einde van de afgesproken huurperiode.

(…)

KOOPRECHT FOSFAATRECHTEN

Artikel 1 2

a. Huurder heeft na afloop van de huurperiode het recht om de netto geregistreerde fosfaatrechten te kopen tegen € 40,- excl. Btw. per kg. netto te benutten rechten in dat kalenderjaar. Uiterlijk 30 dagen na afloop van de huurperiode zal huurder aan verhuurder schriftelijk, dan wel per email aan verhuurder aangeven of huurder gebruik maakt van dit recht tot koop.

(…)

NADERE AFWIJKENDE AFSPRAKEN

Artikel 1 3

a. Partijen verklaren hierbij hun volledige medewerking te verlenen bij alle formaliteiten en alle handelingen te verrichten welke noodzakelijk mochten blijken te zijn om het verhuurde over te zetten op naam van huurder dan wel een nader te noemen rechtsopvolger, zonder dat hij hiervoor vergoeding zal vragen. Indien geen overdracht binnen de wettelijke mogelijkheden om deze fosfaatrechten aan huurder over te dragen bestaat, kan verhuurder nimmer worden aangesproken ter zake het niet of niet volledig kunnen overdragen en leveren van deze rechten en vrijwaart huurder verhuurder ter zake van iedere afspraak, hoe ook genaamd.

(…)

d. De huur van de rechten in deze overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van 5 jaar. De periode van 01-01-2019 t/m 31-12-2023.

e. Indien er na de huurperiode geen sprake is van koop zal huurder de gehuurde rechten overschrijven naar een door verhuurder aangegeven partij. (…)”

(iii) Eind maart 2019 zijn 500 kg fosfaatrechten op naam van [gefailleerden] geregistreerd bij de RVO. In de ontvangstbevestiging van het verzoek tot registratie van de RVO is de vraag of sprake is van lease ontkennend beantwoord.

(iv) Begin 2020 is [gefailleerden] in financiële moeilijkheden geraakt waardoor hij niet meer aan zijn verplichtingen jegens [verzoeker] kon voldoen.

(v) [verzoeker] heeft vervolgens, met instemming van [gefailleerden], op 29 mei 2020 als verhuurder een huurkoopovereenkomst met [de huurder] (hierna: [de huurder]) gesloten voor (netto) 400 kg fosfaatrechten gedurende de periode van 1 januari 2020 tot 31 december 2023.

(vi) Op 2 juni 2020 hebben [gefailleerden] en [de huurder] bij de RVO melding gemaakt van de overdracht van 500 kg fosfaatrechten en verzocht om overschrijving op naam van [de huurder]. De vraag of sprake is van lease is in de melding ontkennend beantwoord.

(vii) De RVO heeft in de ontvangstbevestiging van 10 juni 2020 meegedeeld dat de melding in behandeling wordt genomen nadat de leges zijn betaald.

(viii) Bij exploot van 11 juni 2020 heeft Berg Fourage, een schuldeiseres van [gefailleerden], ten laste van [gefailleerden] conservatoir derdenbeslag laten leggen op de bij de RVO op naam van [gefailleerden] geregistreerde fosfaatrechten. De RVO heeft het beslag op 16 juli 2020 geregistreerd.

(ix) Bij vonnis van 12 augustus 2020 van de rechtbank Overijssel is [gefailleerden] bij verstek hoofdelijk veroordeeld om aan Berg Fourage een bedrag van € 57.368,21 te betalen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Berg Fourage heeft het vonnis op 24 augustus 2020 aan [gefailleerden] laten betekenen. Op 15 september 2020 heeft de RVO namens Berg Fourage het executoriaal beslag op de fosfaatrechten ten laste van [gefailleerden] geregistreerd.

(x) Bij exploot van 4 november 2020 hebben [verzoeker] en [de huurder] ten laste van [gefailleerden] conservatoir beslag tot levering laten leggen op de bij RVO op naam van [gefailleerden] geregistreerde 500 kg fosfaatrechten.

(xi) Bij vonnis in kort geding van 3 december 2020 is de vordering in conventie van [verzoeker] en [de huurder] tot opheffing van het door Berg Fourage gelegde beslag, evenals de vordering in reconventie van Berg Fourage tot opheffing van het door [verzoeker] gelegde beslag, afgewezen.

(xii) Bij vonnis van 20 januari 2021 is [gefailleerden] failliet verklaard, met benoeming van de curator als zodanig.

2.3

In deze procedure vordert [verzoeker] onder meer een verklaring voor recht dat de fosfaatrechten die op naam van [gefailleerden] staan geregistreerd bij de RVO, tot het vermogen van [verzoeker] behoren. [verzoeker] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de registratie van de fosfaatrechten op naam van [gefailleerden] niet ertoe heeft geleid dat de fosfaatrechten van het vermogen van [verzoeker] naar het vermogen van [gefailleerden] zijn overgegaan. In dit verband heeft [verzoeker] aangevoerd dat de registratie bij de RVO enkel een publiekrechtelijke registratie is waaruit blijkt welk bedrijf hoeveel rechten in het desbetreffende kalenderjaar mag benutten, en dat de vraag wie rechthebbende is op de fosfaatrechten volgt uit het privaatrechtelijke stelsel van art. 3:84 lid 1 BW. [verzoeker] stelt dat in dit geval een geldige titel voor overdracht ontbreekt, omdat hij met [gefailleerden] een huurovereenkomst heeft gesloten waarbij partijen slechts de optie zijn overeengekomen om na afloop van de huurperiode de fosfaatrechten te kopen.

2.4

De curator vordert in deze procedure in reconventie een verklaring voor recht dat de fosfaatrechten die bij de RVO op naam van [gefailleerden] geregistreerd staan, tot diens vermogen behoren en daarmee in de faillissementsboedel vallen. De curator legt daaraan ten grondslag dat voor de overgang van fosfaatrechten alleen registratie bij de RVO is vereist. In dit verband heeft de curator aangevoerd dat art. 25 Mw in verbinding met de art. 27 en 28 Mw voorzien in een eenduidige en vastomlijnde publiekrechtelijke wijze van overgang van fosfaatrechten, en dat de privaatrechtelijke vereisten uit art. 3:84 lid 1 BW in dit verband niet van toepassing zijn.

2.5

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het noodzakelijk is de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen. Zij heeft in haar eerste tussenvonnis een aantal voorgenomen vragen geformuleerd en partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. In haar tweede tussenvonnis heeft de rechtbank op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

1. Gelden de vereisten voor een geldige overdracht, zoals bepaald in art. 3:84 BW, voor de overgang van fosfaatrechten van het vermogen van de rechthebbende op de fosfaatrechten naar het vermogen van een ander?

2. Komt bij de overgang van fosfaatrechten van het vermogen van de rechthebbende op de fosfaatrechten naar het vermogen van een ander betekenis toe aan de registratie in de zin van art. 27 Mw? En zo ja, welke betekenis komt aan de registratie toe?

3. Kan een fosfaatrecht onder voorbehoud worden overgedragen nu de Meststoffenwet dat niet uitsluit? Zo ja, is het bepaalde in afdeling 1 van titel 2b van Boek 7 BW (Goederenkrediet) van overeenkomstige toepassing op een fosfaatrecht?

4. Als het antwoord op de vragen a, b en c bevestigend is, dan is van belang voor de duiding van de overeenkomst van [verzoeker] en alle andere huurkoopovereenkomsten met betrekking tot agrarische productierechten of de Hoge Raad meent dat dit in overeenstemming is met de aard van het recht.

3 Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.1

De eerste en tweede prejudiciële vraag stellen aan de orde of voor de vraag in wiens vermogen de fosfaatrechten vallen, de vereisten van art. 3:84 lid 1 BW bepalend zijn, in het bijzonder het bestaan van een geldige titel voor overdracht, en welke betekenis in dat kader toekomt aan de registratie van de kennisgeving van overgang die is voorgeschreven in art. 27 Mw.

3.2

Art. 3:84 lid 1 BW bepaalt dat voor overdracht van een goed is vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken. Voor overdracht is eveneens vereist dat het goed overdraagbaar is. Uit art. 3:83 lid 1 BW volgt dat eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten overdraagbaar zijn, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet. Alle andere rechten zijn volgens art. 3:83 lid 3 BW slechts overdraagbaar wanneer de wet dit bepaalt.

3.3

Fosfaatrechten zijn geregeld in de Meststoffenwet. Uit art. 1 lid 1, onder za en onder aa, Mw volgt dat een fosfaatrecht een publiekrechtelijk recht (een productierecht) is om jaarlijks een bepaalde hoeveelheid dierlijke meststoffen te produceren. Titel 4 van de Meststoffenwet, waarin de art. 25-31 Mw zijn opgenomen, regelt de overgang van dergelijke productierechten. Uit art. 25 Mw blijkt dat een productierecht, onder welke titel dan ook, kan overgaan naar een ander bedrijf, overeenkomstig het bepaalde in titel 4 van de Meststoffenwet (art. 25-31 Mw) en art. 32 Mw.

De belanghebbende naar wiens bedrijf een productierecht moet overgaan en de belanghebbende van wiens bedrijf het productierecht afkomstig is, dienen op grond van art. 27 lid 1 Mw kennis te geven van de overgang aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Art. 27 lid 2 Mw bepaalt dat de verkrijger met ingang van het tijdstip van registratie van deze kennisgeving aanspraak kan maken op het van de vervreemder afkomstige productierecht. De RVO is belast met de uitvoering van de registratie. Uit art. 28 lid 1 Mw volgt dat op het tijdstip van registratie de totale hoeveelheid fosfaatrechten van de vervreemder afneemt en de totale hoeveelheid fosfaatrechten van de verkrijger toeneemt met het aantal over te dragen kilogrammen fosfaat, als opgenomen in de kennisgeving.

3.4

De regeling voor overgang van productierechten in de Meststoffenwet gaat terug op die van de in 2006 ingetrokken Wet verplaatsing mestproductie. Deze verplaatsing was geregeld in art. 9 Wet verplaatsing mestproductie (oud), dat inhield dat eerst aanspraak op een mestproductierecht kon worden gemaakt vanaf het moment van de registratie van de kennisgeving door het Bureau Heffingen. Uit de wetsgeschiedenis bij deze bepaling blijkt dat van een rechtsgeldige ‘overdracht’ van een niet-gebonden mestproductierecht pas sprake was als de desbetreffende hoeveelheid door het Bureau Heffingen was geregistreerd. De wet was bewust niet bedoeld als een privaatrechtelijke regeling, maar beoogde alleen de publiekrechtelijke aanspraak op mestproductierechten te regelen.

Een met de Meststoffenwet vergelijkbaar systeem van overgang lag ook ten grondslag aan de in 2006 ingetrokken Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv (oud)). Art. 16 Whv (oud) bepaalde in vrijwel gelijke bewoordingen als het huidige art. 25 Mw dat een varkensrecht, onder welke titel dan ook, geheel of gedeeltelijk kan overgaan naar een ander bedrijf. Art. 18 Whv (oud) bevatte een regeling die overeenkomt met die van de huidige art. 27 en 28 Mw. In de wetsgeschiedenis is over dit systeem van overgang het volgende opgemerkt: de overgang kan plaatsvinden onder welke titel dan ook; aan een overgang wordt evenwel uitsluitend rechtsgevolg verbonden, te weten wijziging van de omvang van het varkensrecht van de betrokken bedrijven, na registratie van de door de betrokken partijen gedane kennisgeving van de overgang. Dat op een varkensrecht geen pandrecht kon worden gevestigd, is in de wetsgeschiedenis als volgt toegelicht: een dergelijk recht verhoudt zich slecht met de wijze waarop het varkensrecht overgaat, waarbij de civielrechtelijke titel niet van belang is maar uitsluitend de registratie door het Bureau Heffingen.

3.5

De Wet verplaatsing mestproductie en de Wet herstructurering varkenshouderij zijn met ingang van 1 januari 2006 vervallen op grond van de Wet vereenvoudiging productierechten. De varkens- en pluimveerechten werden voortaan geregeld in de Meststoffenwet. De regeling voor de overgang van deze rechten is inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van de regeling voor overgang in de hiervoor in 3.4 genoemde, vervallen regelingen. Zij is thans opgenomen in art. 25-31 Mw. Met ingang van 1 januari 2018 zijn, naar analogie van de varkens- en pluimveerechten, de fosfaatrechten ingevoerd voor de melkveehouderij. De regeling van de art. 25-31 Mw is ook daarop van toepassing. Ter toelichting is in de wetsgeschiedenis opgemerkt dat het kabinet het voor de verdere ontwikkeling van de Nederlandse zuivelsector van groot belang achtte dat bedrijfsontwikkeling kon blijven plaatsvinden en dat hieraan werd tegemoet gekomen door fosfaatrechten overdraagbaar te maken. Tevens blijkt daaruit dat voor de overgang van het fosfaatrecht naar een ander bedrijf registratie van de kennisgeving van overgang door de minister van (thans:) Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is vereist. Hiermee werd, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, aangesloten bij de bestaande systematiek voor de overgang van varkens- en pluimveerechten.

3.6

Uit hetgeen hiervoor in 3.3 tot en met 3.5 is overwogen, blijkt het volgende. Fosfaatrechten zijn overdraagbaar. Voor de overgang van fosfaatrechten naar een ander bedrijf is uitsluitend de registratie vereist van de kennisgeving van die overgang overeenkomstig de bepalingen uit de Meststoffenwet. De regeling in de Meststoffenwet moet in zoverre als een speciale regeling voor de overdracht van fosfaatrechten (en de andere in die wet genoemde productierechten) worden beschouwd, die afwijkt van de algemene regeling van art. 3:84 BW. Een geldige titel voor overdracht in de zin van art. 3:84 lid 1 BW is derhalve niet vereist.

Degene op wiens naam de fosfaatrechten staan geregistreerd, is derhalve rechthebbende op de fosfaatrechten, en als zodanig bevoegd die rechten te benutten en over die rechten te beschikken. In het geval van een faillissement van deze rechthebbende vallen de fosfaatrechten in de faillissementsboedel.

3.7

Opmerking verdient dat het ontbreken of wegvallen van de titel voor overdracht op het tijdstip van registratie van de kennisgeving, kan meebrengen dat de registratie onverplicht heeft plaatsgevonden. Op de partij op naam van wie de rechten zijn geregistreerd, kan in dat geval jegens de vervreemder de verbintenissenrechtelijke verplichting rusten tot ongedaanmaking van de overgang van de fosfaatrechten door mee te werken aan een wijziging van de registratie.

3.8

Op grond van het voorgaande, dienen de prejudiciële vragen als volgt te worden beantwoord.

Het antwoord op vraag 1 luidt dat de vereisten als bedoeld in art. 3:84 lid 1 BW, in het bijzonder het vereiste van een geldige titel voor overdracht, niet gelden voor de overgang van fosfaatrechten.

Het antwoord op vraag 2 is dat voor de overgang van fosfaatrechten uitsluitend de registratie van de kennisgeving op de voet van art. 27 Mw bepalend is.

De vragen 3 en 4 behoeven geen beantwoording.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- beantwoordt de vragen op de hiervoor in 3.8 weergegeven wijze;

- begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van de curator.

Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 30 september 2022.

Rechtbank Gelderland 10 november 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:5986.

Rechtbank Gelderland 12 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:68.

Kamerstukken II 1988/89, 21114, nr. 3, p. 13.

Kamerstukken II 1992/93, 21114, nr. 8, p. 18.

Kamerstukken II 1997/98, 25746, nr. 3, p. 23.

Kamerstukken II 1997/98, 25746, nr. 3, p. 27.

Wet van 15 september 2005 tot wijziging van de Meststoffenwet en intrekking van de Wet verplaatsing mestproductie en de Wet herstructurering varkenshouderij (vereenvoudiging productierechten), Stb. 2005, 480.

Wet van 29 mei 2017 tot wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van fosfaatrechten, Stb. 2017, 229.

Kamerstukken II 2015/16, 34532, nr. 3, p. 21.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature