< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Overdrachtsbelasting; art. 15, lid 1, onder g, WBR; vrijstelling verdeling tussen (ex)samenwoners; gezamenlijke verkrijging; verhouding juridische verkrijging t.o.v. economische verkrijging door samenwoners.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 20/02119

Datum 11 juni 2021

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 juni 2020, nr. 20/00119, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 18/3196) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door F.J. Fernhout, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Belanghebbende heeft vanaf ongeveer 1978 een affectieve relatie gehad met [B] (hierna: de partner). Op enig moment zijn zij gaan samenwonen. In 2004 hebben zij de onderlinge verhoudingen in een samenlevingsovereenkomst vastgelegd.

2.2

In 2012 heeft de partner het recht van erfpacht verkregen van een woning in [Z] (hierna: de woning). Nadat hun relatie was beëindigd hebben belanghebbende en de partner in 2017 een convenant afgesloten. Op grond van dit convenant is de woning toegedeeld aan belanghebbende. Ter uitvoering daarvan is de woning door de partner op 21 december 2017 aan belanghebbende geleverd tegen een koopprijs van € 205.000. Belanghebbende heeft in verband met die levering 2 procent van € 205.000 of € 4.100 aan overdrachtsbelasting op aangifte betaald.

3 Procedure voor het Hof

3.1

Voor het Hof was in geschil of belanghebbende overdrachtsbelasting verschuldigd is in verband met de levering van de woning. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat tussen haar en de partner een gemeenschap van goederen bestond waardoor belanghebbende van meet af aan voor 40 procent gerechtigd was tot het erfpachtrecht van de woning, en dat de toedeling van dat recht aan belanghebbende daarom is vrijgesteld op grond van artikel 15, lid 1, letter g, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR).

3.2

Het Hof heeft overwogen dat de wetgever met het begrip ‘gezamenlijke verkrijging’ in artikel 15, lid 1, letter g, WBR heeft willen aansluiten bij een eigendomsverkrijging op basis van het burgerlijk recht. Van een gezamenlijke verkrijging als daar bedoeld is alleen sprake als een onroerende zaak door de deelgenoten tezamen en tegelijkertijd van één of meer personen in onverdeelde eigendom wordt verkregen. De economische eigendomsverhouding is niet relevant voor de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke verkrijging, aldus het Hof dat daarbij heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 10 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9902. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de vrijstelling niet van toepassing is omdat uitsluitend de partner de woning krachtens koop heeft verkregen en dus geen sprake is van een gezamenlijke verkrijging waardoor een gemeenschap in civielrechtelijke zin is ontstaan.

4 Beoordeling van het middel

4.1

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof met het betoog dat tussen belanghebbende en de partner een gemeenschap van goederen bestond waardoor hetgeen uit het vermogen werd aangeschaft gezamenlijk werd verkregen, althans dat de woorden ‘gezamenlijke verkrijging’ in artikel 15, lid 1, letter g, WBR zo moeten worden uitgelegd dat zij mede van toepassing zijn op het geval van belanghebbende.

4.2.1

Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.

4.2.2

Blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 15, lid 1, letter g, WBR is deze bepaling ingevoerd om te voorkomen dat samenwoners die gezamenlijk en voor gelijke delen - later gewijzigd in een verhouding van ten minste 40 procent en ten hoogste 60 procent - een onroerend goed hebben verkregen, bij latere verdeling daarvan slechter af zijn dan in gemeenschap van goederen gehuwden, die immers bij echtscheiding een beroep kunnen doen op artikel 3, onderdeel b, WBR.

4.2.3

Het arrest van de Hoge Raad van 10 september 1980, waar het Hof voor de uitleg van het begrip ‘gezamenlijke verkrijging’ in artikel 15, lid 1, letter g, WBR naar heeft verwezen, is gewezen op basis van de tot 1995 geldende tekst van de WBR. De Hoge Raad heeft in dat arrest onder meer overwogen dat uit het stelsel van de wet, zoals die wet toen luidde, en uit de geschiedenis van haar totstandkoming blijkt dat de wetgever bij het bezigen van de term ‘verkrijging’ de eigendomsverkrijging overeenkomstig het burgerlijk recht op het oog heeft gehad. Vanaf 1 januari 1995 wordt onder verkrijging echter mede begrepen de verkrijging van de economische eigendom (artikel 2, lid 2, WBR). In de parlementaire geschiedenis van die wetswijziging is opgemerkt dat de bestaande vrijstellingen en faciliteiten bij de juridische verkrijging ook gelden bij de economische verkrijging. Daarom moet er van worden uitgegaan dat sindsdien onder ‘gezamenlijke verkrijging’ als is bedoeld in artikel 15, lid 1, letter g, WBR ook moet worden verstaan de gezamenlijke verkrijging van de economische eigendom.

4.3.1

Voor zover het Hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de overweging dat de economische eigendomsverhouding niet relevant is voor de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke verkrijging, berust het dus op een onjuiste rechtsopvatting.

4.3.2

Indien juist is de in het middel vervatte stelling dat tussen belanghebbende en de partner was overeengekomen dat belanghebbende bij de levering van de woning aan de partner in 2012 voor 40 procent tot die woning economisch gerechtigd is geworden, is niet uit te sluiten dat belanghebbende en de partner de economische eigendom van die woning toen gezamenlijk hebben verkregen in de verhouding 60 procent voor de partner en 40 procent voor belanghebbende. Aan de hiervoor in 4.2.2 weergegeven bedoeling van de wetgever wordt dan recht gedaan door artikel 15, lid 1, letter g, WBR zo uit te leggen dat de omstandigheid dat de woning juridisch eigendom was van alleen de partner niet aan toepassing van die vrijstelling in de weg kan staan. De situatie van belanghebbende en de partner is dan immers vergelijkbaar met die van in gemeenschap van goederen gehuwden met een woning die juridisch op naam van een van de partners staat, en waarbij de toedeling aan de andere partner niet tot heffing van overdrachtsbelasting leidt.

4.3.3

Of belanghebbende bij de levering van de woning aan de partner in 2012 voor 40 procent tot die woning economisch gerechtigd is geworden, heeft het Hof echter niet vastgesteld.

4.4.1

Uit hetgeen in 4.3.1 tot en met 4.3.3 is overwogen volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4.4.2

Indien na verwijzing zou komen vast te staan dat belanghebbende niet bij de levering van de woning aan de partner voor 40 procent economisch gerechtigd is geworden tot de woning maar op een later tijdstip, moet het verwijzingshof onderzoeken of dat, gezien het bepaalde in artikel 9, lid 4, WBR , aanleiding is voor een vermindering van de overdrachtsbelasting die verschuldigd is bij de levering van die woning op 21 december 2017.

5 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding moet worden toegekend.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof,

- verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 131, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.068 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, M.A. Fierstra, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2021.

Kamerstukken II, 1994–1995, 24 172, nr. 5, blz. 19.

Kamerstukken II, 1994–1995, 24 172, nr. 3, blz. 26.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature