E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2021:376
Hoge Raad, 18/04206

Inhoudsindicatie:

Profijtontneming w.v.v. uit gewoontewitwassen en deelnemen aan criminele organisatie. Matigingsbevoegdheid ex art. 36e.5 Sr. Is hof voldoende gemotiveerd afgeweken van uos strekkende tot matiging betalingsverplichting aan 57-jarige betrokkene zonder werk? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:860 m.b.t. bevoegdheid van rechter om o.g.v. art. 36e.5 Sr betalingsverplichting te matigen. Art.36e.5 Sr brengt tot uitdrukking dat rechter betalingsverplichting ‘kan’ matigen. Uitgangspunt is dat het aan rechter die over feiten oordeelt, is voorbehouden om te beslissen of hieraan toepassing wordt gegeven. Deze keuze hoeft niet te worden gemotiveerd. Draagkracht van betrokkene komt in beginsel aan de orde in executiefase. Reden daarvoor is dat rechter in ontnemingsprocedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe draagkracht van betrokkene zich in executiefase zal ontwikkelen, en dat mogelijkheid om aan opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich beter laat beoordelen in executiefase. Betrokkene kan tijdens executiefase aan in art. 6:6:26 Sv bedoelde rechter het verzoek doen het vastgestelde bedrag van de betalingsverplichting te verminderen of kwijt te schelden, waarbij dat verzoek in relatie tot de draagkracht mede mag worden gebaseerd op f&o die ontnemingsrechter al bekend waren (vgl. ECLI:NL:HR:2017:970). Van belang daarbij is dat regeling van art. 6:6:25 Sv ertoe strekt dat in executiefase geen gijzeling zal worden toegepast als betrokkene aannemelijk maakt dat hij niet in staat is aan betalingsverplichting te voldoen. In ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben (vgl. ECLI:NL:HR:2007:AZ7747). Het gaat dan om het geval waarin rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat betrokkene op het moment van ontnemingsprocedure geen draagkracht heeft en dat het zeer waarschijnlijk is dat daarin in de toekomst geen verandering zal komen. Tenslotte herhaalt HR relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BG4944 m.b.t. motiveringsplicht van ontnemingsrechter t.a.v. uos dat ziet op draagkracht van betrokkene. Hof heeft gelet op vorenstaande beslissing om niet te matigen toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 18/03370, 18/03470, 18/03481 en 19/05723. CAG: anders.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie