< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Warmtewet. Mocht de verhuurder in de periode 2014-2019, bij de berekening van door de huurder te betalen kosten voor levering van warmte door middel van blokverwarming, toepassing geven aan correctiefactoren, zoals voor afgifte van warmte door leidingen?

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/05577

Datum 12 maart 2021

ARREST

In de zaak van

STICHTING ELAN WONEN,gevestigd te Haarlem,

EISERES tot cassatie,

hierna: Elan,

advocaat: J.H.M. van Swaaij,

tegen

[verweerder],wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [verweerder],

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

het vonnis in de zaak 5927867 CV EXPL 17-3941 van de kantonrechter te Haarlem van 20 december 2017;

het arrest in de zaak 200.236.031/01 van het gerechtshof Amsterdam van 10 september 2019.

Elan heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van Elan heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerder] huurt van Elan een woning.

(ii) De woning van [verweerder] maakt deel uit van een complex van woningen, waarbij de warmtevoorziening centraal is geregeld door middel van blokverwarming. Op diverse radiatoren in de woning van [verweerder] zijn elektronische warmtemeters aangebracht, die op afstand kunnen worden uitgelezen.

(iii) Over de periode van 1 juni 2014 tot en met 31 mei 2015 ontving [verweerder] van Elan een afrekening ter zake van aan hem geleverde warmte. Daarbij is een post “kosten leidingafgifte” in rekening gebracht ten belope van € 179,10. Over de periode van 1 juni 2015 tot en met 31 mei 2016 ontving [verweerder] van Elan een afrekening ter zake van aan hem geleverde warmte, waarbij een post “kosten leidingafgifte” in rekening is gebracht ten belope van € 149,47.

2.2

[verweerder] vordert, samengevat en voor zover in cassatie van belang, een verklaring voor recht dat Elan voor de levering van warmte aan [verweerder] niet meer in rekening mag brengen dan de maximumprijzen die zijn vastgesteld door de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM), dat wil zeggen een vastrecht en een variabel vastgestelde gebruikerseenheid die uitsluitend wordt berekend door het daadwerkelijke gebruik van [verweerder] te vermenigvuldigen met de vastgestelde variabele maximumprijs. Ook vordert [verweerder] terugbetaling van de hiervoor in 2.1 onder (iii) bedoelde bedragen van € 179,10 en € 149,47.

Aan deze vorderingen heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat voor de levering van warmte aan verbruikers niet meer in rekening mag worden gebracht dan de maximumprijzen die jaarlijks door de ACM zijn vastgesteld (art. 2 lid 3 in verbinding met art. 5 Warmtewet). Deze prijzen zijn opgebouwd uit vaste kosten en variabele kosten die zijn gekoppeld aan het verbruik. Het is volgens [verweerder] in strijd met de Warmtewet die gold in de periode 2014-2019, om toepassing te geven aan correctiefactoren die beogen de warmteafgifte via leidingen in het complex van woningen in de afrekeningen te verdisconteren. Om deze redenen was Elan niet gerechtigd om in de jaarafrekeningen over 2014-2015 en 2015-2016 een post “kosten leidingafgifte” op te nemen.

2.3

De kantonrechter heeft de vorderingen van [verweerder] toegewezen.

2.4

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

“3.6 (…) dat niet in geding is dat de door Elan aan [verweerder] in rekening gebrachte post ‘kosten leidingafgifte’ dient te worden aangemerkt als correctiefactor in de zin van de Warmtewet. Sinds de inwerkingtreding van de Warmtewet op 1 januari 2014, geldt als uitgangspunt dat het gebruik van correctiefactoren niet is toegestaan. Dat het gebruik van correctiefactoren niet is toegestaan volgt onder meer uit het feit dat in de Warmtewet is opgenomen dat er bij een kostenverdeelsystematiek van een zo nauwkeurig mogelijke benadering van het werkelijke aandeel van het verbruik van een verbruiker wordt uitgegaan. Ware dit anders, dan was de wijziging van de Warmtewet ook niet nodig. Elan merkte zelf op (…): “Hoewel de warmtewet bij aanvang (1 januari 2014) het toepassen van correctiefactoren niet toestond, heeft de minister al snel geconstateerd dat dit een ernstig knelpunt vormde”. Van een wetswijziging nadien met terugwerkende kracht is echter geen sprake. Het hof is dan ook van oordeel dat, hoewel in de Warmtewet zoals geldend in de in geding zijnde periode weliswaar geen expliciet verbod op het toepassen van correctiefactoren is opgenomen, uit de systematiek en het (wel) bepaalde in de Warmtewet (onder andere Memorie van Toelichting [bij de Wijziging van de Warmtewet; HR], 34 723, nr. 3: “Artikel 8a voorzag echter niet in de mogelijkheid om correctiefactoren toe te passen”) volgt dat het gebruik van correctiefactoren in de in geding zijnde periode niet is toegestaan. (…)”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sinds de inwerkingtreding van de Warmtewet op 1 januari 2014 als uitgangspunt geldt dat het gebruik van correctiefactoren niet is toegestaan. Volgens de klacht volgt uit art. 8a lid 3 Warmtewet, dat bepaalt dat de kostenverdeelsystematiek uitgaat van een binnen de technische en financiële mogelijkheden zo nauwkeurig mogelijke benadering van het werkelijke aandeel van het verbruik van de individuele verbruiker, dat de toepassing van correctiefactoren juist wél is toegestaan. Het werkelijke aandeel van een verbruiker in het totale verbruik wordt immers niet alleen bepaald door de warmte die via de radiatoren wordt afgenomen, maar ook door de warmte die wordt afgenomen via de altijd warme transportleidingen die overal door (de woningen in) het woningcomplex lopen. Daarnaast heeft het hof miskend dat de wetgever heeft beoogd om met art. 8a Warmtewet aansluiting te zoeken bij de EED-richtlijn, en dat deze richtlijn het gebruik van correctiefactoren niet uitsluit, aldus het onderdeel.

3.2.1

De Warmtewet is op 1 januari 2014 gedeeltelijk in werking getreden. Nadien is de Warmtewet in verschillende opzichten gewijzigd, in het bijzonder door de Wet van 4 juli 2018, die deels op 1 juli 2019 en deels op 1 januari 2020 in werking is getreden. Dit geding ziet op de Warmtewet zoals zij heeft gegolden in de periode van 1 januari 2014 tot 1 juli 2019 (hierna: Warmtewet 2014). De Warmtewet die geldt met ingang van 1 juli 2019, wordt hierna aangeduid als de Warmtewet 2018.

3.2.2

Art. 2 lid 3 Warmtewet 2014 bepaalt dat de leverancier ten aanzien van de levering van warmte ten hoogste drie componenten in rekening brengt: (a) de maximumprijs (bedoeld in art. 5 lid 1 Warmtewet 2014), (b) de redelijke kosten voor het ter beschikking stellen van de warmtewisselaar (bedoeld in art. 8 lid 1 Warmtewet 2014), en (c) het tarief voor de meting van het warmteverbruik (bedoeld in art. 8 lid 5 Warmtewet 2014). Art. 2 lid 4 Warmtewet 2014 bepaalt dat een leverancier zich onthoudt van iedere vorm van ongerechtvaardigd onderscheid jegens zijn verbruikers.

3.2.3

De aan een individuele verbruiker in rekening te brengen kosten voor de levering van warmte kunnen volgens de Warmtewet 2014 worden bepaald met behulp van een individuele warmtemeter (art. 8 lid 2 Warmtewet 2014), individuele warmtekostenverdelers (art. 8a lid 1 Warmtewet 2014), of een voor alle verbruikers inzichtelijke kostenverdeelsystematiek (art. 8a lid 2 Warmtewet 2014). Een kostenverdeelsystematiek gaat uit van een binnen de technische en financiële mogelijkheden zo nauwkeurig mogelijke benadering van het werkelijke aandeel van het verbruik van de individuele verbruiker (art. 8a lid 3 Warmtewet 2014), waarbij het hiervoor in 3.2.2 genoemde art. 2 lid 4 Warmtewet 2014 in acht moet worden genomen.

Geen van de bepalingen van de Warmtewet 2014 bevat een uitdrukkelijk verbod om bij de bepaling van de aan een individuele verbruiker in rekening te brengen kosten voor de levering van warmte als bedoeld in de art. 8 en 8a Warmtewet 2014, te corrigeren voor bijvoorbeeld de ligging van de woning in een complex van woningen of voor de warmteafgifte die plaatsvindt via transportleidingen.

3.2.4

Met de invoering van art. 8a Warmtewet 2014 is beoogd aan te sluiten bij de hiervoor in 3.1 bedoelde EED-richtlijn. Art. 9 lid 3 EED-richtlijn bepaalt onder meer dat in het geval van appartementengebouwen die zijn aangesloten op stadsverwarming of -koeling of waar een eigen gemeenschappelijk verwarmings- of koelingssysteem voor dergelijke gebouwen gangbaar is, de lidstaten, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, transparante regels kunnen invoeren voor de verdeling van de kosten van het thermische of warmwaterverbruik. De EED-richtlijn sluit het gebruik van correctiefactoren niet uit, zoals ook is opgemerkt in de wetsgeschiedenis van de Warmtewet 2018.

3.3.1

Kort na de inwerkingtreding van de Warmtewet 2014 heeft de minister van Economische Zaken, in reactie op de bevinding van marktpartijen en de ACM dat het gebruik van correctiefactoren onder het regime van de Warmtewet 2014 niet meer mogelijk is, bij brief van 7 juli 2014 (hierna: de kamerbrief), het volgende opgemerkt:

(i) Het blijft gewenst correctiefactoren toe te staan voor de ligging van de woning en transportleidingen, gelet op het feit dat in sommige oudere appartementencomplexen weinig of geen isolatie is aangebracht. Als deze mogelijkheid niet wordt geboden, kunnen individuele verbruikers worden geconfronteerd met een significante stijging van de energierekening .

(ii) Het gebruik van correctiefactoren wordt door de EED-richtlijn niet uitgesloten.

(iii)Wet- en regelgeving zullen worden aangepast met het oog op het toestaan van correctiefactoren voor de ligging van de woning en transportleidingen.

3.3.2

Naar aanleiding van de hiervoor in 3.3.1 bedoelde kamerbrief heeft Aedes, de branchevereniging van woningcorporaties in Nederland, in de door haar opgestelde Handleiding Warmtewet voor woningcorporaties van september 2014 overwogen dat een woningcorporatie de vóór 1 januari 2014 bestaande correctiefactoren vooralsnog kan toepassen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.15.2).

3.3.3

Bij brieven van 1 oktober 2014 en 1 juli 2015 heeft de minister van Economische Zaken de ACM verzocht om rekening te houden met de voorgenomen wetswijzigingen en nadere interpretatie zoals opgenomen in de hiervoor in 3.3.1 genoemde kamerbrief, en om situaties waarin correctiefactoren worden toegepast, te gedogen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.15.1 en 2.16).

3.4

De Warmtewet 2018 bepaalt in art. 8a lid 5, kort gezegd, dat bij een vóór 1 juli 2019 gebouwde onroerende zaak die bestaat uit meerdere woon- of bedrijfsruimten, de leverancier het gemeten individueel warmtegebruik van de verbruiker kan corrigeren aan de hand van correctiefactoren die door de leverancier zijn vastgesteld met inachtname van de daarvoor gangbare technische normen voor de ligging van woonruimten en leidingverliezen voor transportleidingen. In de wetsgeschiedenis van de Warmtewet 2018 is opgemerkt dat art. 8a Warmtewet 2014 niet voorzag in de mogelijkheid om correctiefactoren toe te passen en dat die mogelijkheid alsnog in de wet wordt opgenomen.

3.5

De Hoge Raad ziet aanleiding om de Warmtewet 2014 aldus uit te leggen dat het gebruik van correctiefactoren daarin niet is uitgesloten.

Deze uitleg van de Warmtewet 2014 is niet onverenigbaar met enige bepaling van de Warmtewet 2014 dan wel de EED-richtlijn, of met hetgeen in de wetsgeschiedenis van de Warmtewet 2014 en de Warmtewet 2018 is opgemerkt (zie hiervoor in 3.2.1-3.2.4). Deze uitleg strookt bovendien met het standpunt dat de betrokken minister en Aedes vanaf een tijdstip kort na de inwerkingtreding van de Warmtewet 2014 steeds hebben ingenomen, te weten dat het gebruik van correctiefactoren onder het regime van de Warmtewet 2014 zou moeten worden toegestaan (zie hiervoor in 3.3.1-3.3.3), welk standpunt heeft geleid tot de invoering van art. 8a lid 5 Warmtewet 2018 (zie hiervoor in 3.4).

Ook bevordert het gebruik van correctiefactoren een zo nauwkeurig mogelijke benadering van de werkelijke warmtelevering aan de individuele verbruiker, doordat rekening wordt gehouden met de warmte die door transportleidingen wordt afgegeven in de woning van de individuele verbruiker.

Bovendien kan een correctie voor de ligging van de woning en voor de aanwezigheid van transportleidingen bijdragen aan een rechtvaardiger verdeling van de totale kosten van warmtelevering onder alle bewoners van een complex van woningen dat met blokverwarming werkt.

Tot slot strookt de toepassing van dergelijke correctiefactoren met het hiervoor in 3.2.2 genoemde voorschrift van art. 2 lid 4 Warmtewet 2014 dat de leverancier van warmte zich onthoudt van iedere vorm van ongerechtvaardigd onderscheid jegens zijn verbruikers.

3.6

Het oordeel van het hof dat sinds de inwerkingtreding van de Warmtewet op 1 januari 2014 als uitgangspunt geldt dat het gebruik van correctiefactoren niet is toegestaan, getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht slaagt.

3.7

De klachten van de onderdelen 1.3, 1.4 en 4 behoeven geen behandeling.

3.8

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 september 2019;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Elan begroot op € 974,01 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 12 maart 2021.

Gerechtshof Amsterdam 10 september 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3348.

Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG, PbEU 2012, L 315/1. Richtlijn 2012/27/EU is gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie, PbEU 2018, L 328/210.

Wet van 17 juni 2013, Stb. 2013, 325, houdende regels omtrent de levering van warmte aan verbruikers (Warmtewet), en Wet van 17 juni 2013, Stb. 2013, 326, tot wijziging van de Warmtewet in verband met enkele aanpassingen.

Zie Besluit van 10 september 2013, Stb. 2013, 358.

Wet van 4 juli 2018, Stb. 2018, 311, tot wijziging van de Warmtewet (wijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet).

Zie Besluit van 26 maart 2019, Stb. 2019, 134.

Zie Kamerstukken II 2012/13, 32839, nr. 21, p. 2.

Zie Kamerstukken II 2016/17, 34723, nr. 3, p. 27.

Zie Kamerstukken II 2013/14, 32839, nr. 27, p. 8 en 11.

Zie Kamerstukken II 2014/15, 30196 en 32839, nr. 348, Bijlage 543357.

Zie Kamerstukken II 2016/17, 34723, nr. 3, p. 27-28.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature