< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Cassatie in belang der wet. Omzetting taakstraf in hechtenis als tul taakstraf is mislukt, art. 22g (oud) Sr. 1. Aanvang bezwaartermijn als kennisgeving dat vervangende hechtenis wordt toegepast niet in persoon is betekend. Begint bezwaartermijn te lopen vanaf moment van betekening van kennisgeving dan wel vanaf moment dat veroordeelde op de hoogte is geraakt van die kennisgeving? 2. Heeft veroordeelde “tijdig” bezwaarschrift ingediend tegen kennisgeving?

Ad 1. Ex art. 22g.3 (oud) Sr (thans: art. 6:6:23.1 Sv) vangt bezwaartermijn aan na rechtsgeldige betekening van kennisgeving dat vervangende hechtenis wordt toegepast. Uit art. 22g (oud) Sr noch uit enig ander wettelijk voorschrift vloeit voort dat van andere ingangsdatum van bezwaartermijn moet worden uitgegaan indien betekening niet ertoe leidt dat kennisgeving veroordeelde bereikt of inhoud daarvan niet te zijner kennis is gekomen. Ook overigens bestaat onvoldoende grond voor opvatting dat van bepaalde over ingangsdatum van bezwaartermijn in art. 22g.3 (oud) Sr moet worden afgeweken in het geval dat veroordeelde niet binnen die termijn op de hoogte is geraakt van kennisgeving. Dit brengt mee dat ook in gevallen waarin kennisgeving dat vervangende hechtenis wordt toegepast niet in persoon is betekend, bezwaartermijn begint te lopen vanaf moment van betekening van kennisgeving. Antwoord op vraag op welk moment veroordeelde daadwerkelijk van die kennisgeving op de hoogte is geraakt, is daarbij niet relevant. HR merkt op dat wet voorziet in verschillende voorschriften die beogen veroordeelde zoveel mogelijk ervan op de hoogte te brengen dat hij tot taakstraf is veroordeeld of dat hij bij tul daarvan in verzuim is. Overschrijding van termijn voor indienen van bezwaarschrift door veroordeelde betekent in de regel dat deze niet in dat bezwaarschrift kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, veroordeelde niet toe te rekenen, omstandigheden welke overschrijding van termijn verontschuldigbaar doen zijn (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AN8587). Enkele omstandigheid dat kennisgeving niet in persoon is betekend en dat veroordeelde pas na verstrijken van die bezwaartermijn op de hoogte is geraakt van kennisgeving, is niet bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld.

Ad 2. Rb heeft oordeel dat veroordeelde ontvankelijk is in zijn bezwaarschrift kennelijk gebaseerd op opvatting dat termijn voor indienen van bezwaarschrift niet direct na rechtsgeldige betekening van kennisgeving aanving maar pas nadat veroordeelde van toepassing van vervangende hechtenis op de hoogte is geraakt. Die opvatting is, gelet op wat hiervoor is overwogen, onjuist.

Volgt vernietiging in het belang van de wet.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/03959 CW

Datum 9 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van de rechtbank MiddenNederland van 6 februari 2018, nummer 16-043021-12, in de zaak

van

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de veroordeelde.

1 De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak de veroordeelde ontvankelijk geacht in het bezwaarschrift en voorts beslist dat het bezwaarschrift ongegrond is.

2 Het cassatieberoep

De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

3 Waar het in deze zaak om gaat

Deze zaak gaat over de procedure na een niet (naar behoren) verrichte taakstraf. Als de tenuitvoerlegging van een taakstraf is mislukt wordt de veroordeelde door het openbaar ministerie door middel van een schriftelijke kennisgeving ervan in kennis gesteld dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. De veroordeelde kan binnen veertien dagen na de betekening van die kennisgeving daartegen een bezwaarschrift indienen (deze termijn wordt hierna ook aangeduid als: bezwaartermijn). De advocaat-generaal heeft cassatieberoep in het belang van de wet ingesteld, omdat in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de aanvang van de bezwaartermijn in gevallen waarin de kennisgeving tenuitvoerlegging niet in persoon is betekend. Meer specifiek gaat het om de vraag of, ook in geval van zo’n betekening, de bezwaartermijn vanaf het moment van de betekening van de kennisgeving begint te lopen, dan wel - zoals de rechtbank kennelijk heeft geoordeeld - vanaf het moment dat de veroordeelde op de hoogte is geraakt van die kennisgeving.

4 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft - voor zover in cassatie van belang - het volgende overwogen.

“De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift niet binnen de termijn van veertien dagen na de betekening van bovengenoemde kennisgeving is ingediend, maar anderhalve maand daarna.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de veroordeelde daarom in zijn bezwaarschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat de kennisgeving aan de griffie is betekend en de termijn van veertien dagen pas aanvangt op het moment dat de veroordeelde met de kennisgeving bekend is geworden. Nu dat pas het geval was toen de veroordeelde op 25 november 2017 door de politie werd aangehouden in verband met de bevolen vervangende hechtenis, is het bezwaarschrift tijdig ingediend en is de veroordeelde dus ontvankelijk in zijn bezwaarschrift.

De rechtbank overweegt dat voornoemde kennisgeving aan de griffie van de rechtbank is betekend omdat destijds van de veroordeelde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Zodoende wist de veroordeelde niet eerder dan op het moment van zijn aanhouding op 25 november 2017 van deze kennisgeving en kon hij ook niet binnen veertien dagen na betekening een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 22g van het Wetboek van Strafrecht indienen. Daags nadat de veroordeelde bekend was geworden met de omzetting van de taakstraf in een vervangende hechtenis, is door zijn raadsman een bezwaarschrift ingediend. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaarschrift onder deze omstandigheden tijdig is ingediend en dat de veroordeelde daarom ontvankelijk is in zijn bezwaar.”

5 Wettelijk kader

Wettelijke bepalingen zoals deze golden ten tijde van de uitspraak van de rechtbank 5.1

De volgende wettelijke bepalingen, zoals deze golden ten tijde van de uitspraak van de rechtbank, zijn van belang:

- artikel 22g (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):

“1. Indien de tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangt met de taakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit of het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde de opgelegde taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht, wordt vervangende hechtenis toegepast, tenzij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die zich na het opleggen van de taakstraf hebben voorgedaan, zou leiden tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard. Het openbaar ministerie geeft hiervan kennis aan de veroordeelde.

2. Het openbaar ministerie doet deze kennisgeving zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde betekenen. De kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie is verricht, alsmede het aantal dagen vervangende hechtenis.

3. Tegen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening daarvan een bezwaarschrift indienen bij de rechter die de straf oplegde. De rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie wijzigen. Indien de rechter het bezwaarschrift gegrond verklaart, geeft hij in zijn beslissing het aantal uren taakstraf aan dat nog moet worden verricht en binnen welke termijn de taakstraf moet worden voltooid.”

- artikel 504 lid 1 (oud) van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

“Voor zover niet anders is bepaald, worden alle dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere schriftelijke mededelingen aan de minderjarige verdachte tevens ter kennis gebracht van zijn ouders of voogd, alsmede van zijn raadsman.”

- artikel 585 leden 1 en 2 (oud) Sv:

“1. De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht voorzien, geschiedt door:

a. betekening;

(...)

2. Betekening geschiedt door uitreiking van een gerechtelijk schrijven op de bij de wet voorziene wijze.”

- artikel 588 leden 1 tot en met 3 (oud) Sv:

“1. De uitreiking geschiedt:

a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,

2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde, dan wel,

3°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend.

2. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan volstaan worden met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken.

3. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 2°,

a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;

b. niemand wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan de geadresseerde of aan een door deze gemachtigde op de plaats die vermeld wordt in een schriftelijk bericht dat op het in de mededeling vermelde adres wordt achtergelaten. Uitreiking aan een door de geadresseerde schriftelijk gemachtigde geldt als betekening in persoon;

c. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de mededeling teruggezonden aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt de mededeling vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. Het openbaar ministerie zendt alsdan een afschrift van de mededeling onverwijld toe aan dat adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van uitreiking, bedoeld in artikel 58 9. ”

Huidige wettelijke regeling

5.2

Als gevolg van de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82) met ingang van 1 januari 2020, zijn de onder 5.1 weergegeven bepalingen komen te vervallen. De relevante huidige wettelijke bepalingen, zoals deze gelden sinds de inwerkingtreding van de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 24 juni 2020, Stb. 2020, 225) op 25 juli 2020, luiden als volgt:

- artikel 36b leden 1 en 2 Sv:

“1. De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als voorzien in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht, geschiedt door:

a. betekening;

(...)

2. Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze. Indien betekening door elektronische overdracht niet of niet binnen een redelijke termijn mogelijk is, geschiedt betekening door uitreiking.”

- artikel 36e leden 1 tot en met 3 Sv:

“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:

a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,

2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.

2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,

a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;

b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.

3. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.”

- artikel 503 Sv :

“1. Voor zover niet anders is bepaald, worden alle dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere schriftelijke mededelingen aan de minderjarige verdachte of veroordeelde tevens ter kennis gebracht van zijn ouders of voogd, alsmede van zijn raadsman.

2. Alle dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere mededelingen aan ouders of voogd vinden enkel plaats indien deze een bekende verblijfplaats binnen Nederland hebben. Aan samenwonende ouders wordt slechts één stuk uitgereikt.”

- artikel 6:3: 3 leden 1 tot en met 3 Sv:

“1. Indien de tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangt met de taakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit of het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde de opgelegde taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht, wordt vervangende hechtenis toegepast, tenzij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die zich na het opleggen van de taakstraf hebben voorgedaan, zou leiden tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard.

2. Indien een gedeelte van de te verrichten taakstraf is voldaan, vermindert de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid. Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag vervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.

3. Het openbaar ministerie geeft kennis aan de veroordeelde dat vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze kennisgeving wordt zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde betekend. De kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie is verricht, alsmede het aantal dagen vervangende hechtenis.”

- artikel 6:6: 3 leden 1, 2 en 6 Sv:

“1. Het openbaar ministerie zendt de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het gerecht toe. De rechter bepaalt daarop onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij de summiere kennisneming van de stukken de rechter aanleiding geeft de vordering of het verzoek zonder behandeling niet-ontvankelijk te verklaren.

2. Het openbaar ministerie doet de veroordeelde en, indien daartoe aanleiding is, degene die met reclasseringstoezicht is belast, tot bijwoning van de zitting oproepen, onder betekening van de vordering of de conclusie aan de veroordeelde.

(...)

6. Indien de veroordeelde op het tijdstip dat de zaak dient, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, zijn de artikelen 495b tot en met 498 en 503, van overeenkomstige toepassing. ”

- artikel 6:6: 23 Sv:

“1. Tegen de kennisgevingen, gegeven krachtens de artikelen 6:3: 3, 6:3:9 en 6:3:10, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening daarvan een bezwaarschrift indienen bij de rechter.

2. De rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie wijzigen. Indien de rechter het bezwaarschrift gegrond verklaart, geeft hij in zijn beslissing het aantal uren taakstraf aan dat nog moet worden verricht en binnen welke termijn de taakstraf moet worden voltooid.”

6 Beoordeling van het cassatiemiddel

6.1

Het cassatiemiddel klaagt in de kern over het oordeel van de rechtbank dat de veroordeelde “tijdig” een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de kennisgeving dat vervangende hechtenis wordt toegepast.

6.2.1

Ingevolge artikel 22g lid 3 (oud) Sr (thans: artikel 6:6:23 lid 1 Sv) vangt de bezwaartermijn van veertien dagen aan na de rechtsgeldige betekening - dat wil zeggen de betekening overeenkomstig het bepaalde in artikel 58 8 (oud) Sv (thans: artikel 36e Sv) - van de kennisgeving dat vervangende hechtenis wordt toegepast. Uit artikel 22 g (oud) Sr, noch uit enig ander wettelijk voorschrift, vloeit voort dat van een andere ingangsdatum van de bezwaartermijn moet worden uitgegaan in het geval de betekening niet ertoe leidt dat de kennisgeving de veroordeelde bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis is gekomen.

6.2.2

Ook overigens bestaat onvoldoende grond voor de opvatting dat van het bepaalde over de ingangsdatum van de bezwaartermijn in artikel 22g lid 3 (oud) Sr moet worden afgeweken in het geval dat de veroordeelde, kort gezegd, niet binnen die termijn op de hoogte is geraakt van (de inhoud van) de kennisgeving.

6.2.3

Dit brengt mee dat ook in gevallen waarin de in artikel 22g leden 1 en 2 Sr bedoelde kennisgeving dat vervangende hechtenis wordt toegepast niet in persoon is betekend, de bezwaartermijn bedoeld in lid 3 van die bepaling begint te lopen vanaf het moment van de betekening van de kennisgeving. Het antwoord op de vraag op welk moment de veroordeelde daadwerkelijk van die kennisgeving op de hoogte is geraakt, is daarbij niet relevant.

6.2.4

In verband hiermee verdient opmerking dat de wet voorziet in verschillende voorschriften die beogen de veroordeelde zoveel mogelijk ervan op de hoogte te brengen dat hij tot een taakstraf is veroordeeld of dat hij bij de tenuitvoerlegging daarvan in verzuim is. In het bijzonder volgt uit artikel 366a lid 4 Sv dat aan de veroordeelde schriftelijk mededeling moet worden gedaan dat aan hem een taakstraf is opgelegd bij de einduitspraak in zijn strafzaak. Ook kan worden gewezen op de in de vordering van de advocaat-generaal onder 16 tot en met 18 genoemde voorschriften voor de reclassering in het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen die de strekking hebben dat de veroordeelde wordt betrokken bij de start van de uitvoering van de taakstraf en bij beslissingen met betrekking tot de eventuele voortijdige beëindiging daarvan.Verder geldt dat ingeval een taakstraf is mislukt er bij de betekening van de in artikel 22g leden 1 en 2 Sr bedoelde kennisgeving voorschriften in acht moeten worden genomen die beogen zoveel mogelijk te bewerkstelligen dat die kennisgeving de veroordeelde bereikt. Als uit de stukken - bijvoorbeeld de rapportage van de reclassering bedoeld in artikel 3:17 lid 3 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen - blijkt dat de veroordeelde die niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen aan de reclassering een feitelijke woon- of verblijfplaats heeft opgegeven, moet dit adres worden aangemerkt als het adres waar op grond van artikel 36e lid 1, sub b onder 2 °, Sv de kennisgeving dient te worden aangeboden. Ook dient een uit de stukken blijkend, door de veroordeelde aan de reclassering opgegeven (post)adres waarop hij bereikbaar is, te worden aangemerkt als het in artikel 36e lid 2, sub b, Sv bedoelde “adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden” waaraan in voorkomende gevallen een afschrift van de kennisgeving moet worden toegezonden.Met betrekking tot jeugdige veroordeelden geldt verder in het algemeen dat de aan de minderjarige betekende kennisgeving ook ter kennis moet worden gebracht aan diens ouders of voogd en aan de raadsman van de minderjarige (vgl. artikel 504 lid 1 (oud) Sv en het huidige artikel 503 lid 1 Sv). Ook met die regeling wordt (mede) beoogd dat de kennisgeving de veroordeelde zoveel mogelijk bereikt.

6.3

Overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift door de veroordeelde betekent in de regel dat deze niet in dat bezwaarschrift kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de veroordeelde niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn (vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587). De enkele omstandigheid dat de kennisgeving niet in persoon is betekend en dat de veroordeelde pas na het verstrijken van die bezwaartermijn op de hoogte is geraakt van de kennisgeving, is niet een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld.

6.4

Wat hiervoor is overwogen met betrekking tot artikel 22 g (oud) Sr geldt ook voor het huidige artikel 6:6: 23 Sv. Hetzelfde is het geval met het equivalent van de bezwaarschriftenprocedure in het jeugd- en jongvolwassenenstrafrecht als vervat in artikel 77p lid 3 (oud) Sr (thans: artikel 6:6: 23 Sv ).

Beoordeling van de uitspraak van de rechtbank

6.5.1

De rechtbank heeft haar oordeel dat de veroordeelde ontvankelijk is in zijn bezwaarschrift kennelijk gebaseerd op de opvatting dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift niet direct na de rechtsgeldige betekening van de kennisgeving aanving, maar pas nadat de veroordeelde van de toepassing van vervangende hechtenis op de hoogte is geraakt. Die opvatting is, gelet op wat hiervoor is overwogen, onjuist.

6.5.2

Het cassatiemiddel slaagt.

7 Beslissing

De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de uitspraak van de rechtbank.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 maart 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature