< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Procesrecht. Caribische zaak. Verdeling nalatenschap. Reformatio in peius door gedeeltelijke bevestiging vonnis gerecht?

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/02002

Datum 26 november 2021

ARREST

In de zaak van

De gezamenlijke erfgenamen van [erflaatster 1] ,

1. [verzoekster 1] ,

2. [verzoeker 2] ,

3. [verzoekster 3] ,

4. [verzoekster 4] ,

5. [verzoeker 5] (hierna [verzoeker 5] ),

6. [verzoekster 6] ,

7. [verzoekster 7] ,

8. [verzoekster 8] ,

allen wonende in [woonplaats] ,

VERZOEKERS tot cassatie,

hierna gezamenlijk: [verzoekers] ,

advocaat: C. Reijntjes-Wendenburg,

tegen

1. De gezamenlijke erfgenamen van [erflaatster 2] (hierna: [erflaatster 2] ),

a. [erfgename 1] ,b. [erfgename 2] ,

c. [erfgename 3] ,

d. [erfgename 4] ,

e. [erfgename 5] ,

f. [erfgename 6] ,

2. [verweerster 2] ,

3. [verweerster 3] ,

4. [verweerder 4] ,

5. [verweerster 5] ,

6. [verweerder 6] , erfgenaam van [erflaatster 3] ,

7. [verweerder 7] ,

8. [verweerder 8] ,

9. [verweerder 9] ,

10. [verweerster 10] ,

allen wonende in [woonplaats] ,

VERWEERDERS in cassatie,

hierna gezamenlijk: [verweerders] ,

advocaat: J. van Weerden.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaak EJ 584/2008 van het gerecht in eerste aanleg in Curaçao van 15 april 2010 en de vonnissen in de zaak 23552 van het gerecht in eerste aanleg in Curaçao van 15 november 2010, 5 september 2011, 28 april 2014, 21 september 2015 en 12 oktober 2015;

b. de vonnissen in de zaak AR 23552 - H 61/16 CUR200800006 - CUR2015H00006 van het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 23 november 2015, 16 augustus 2016, 4 april 2017, 3 juli 2018,

16 april 2019 en 7 april 2020.

[verzoekers] hebben tegen het vonnis van het hof van 7 april 2020 beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerders] hebben verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afdoening als in de conclusie onder 3.8 vermeld.

De advocaat van [verweerders] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn erfgenamen van [erflaatster 4] , overleden in 1989, en [de grootvader] , overleden in 1990 (hierna: de erflaters).

(ii) Tot de nalatenschap behoort een perceel grond in Sint Maarten (hierna: het perceel).

(iii) [verzoeker 5] is een kleinzoon van erflaters. Hij woont sinds 1985 op het perceel. Hij exploiteert daarop een bar-restaurant en verbouwt er groente.

2.2

[erflaatster 2] heeft in deze procedure, samengevat en voor zover van belang, scheiding en deling gevorderd van het perceel en toebehoren, met toebedeling van het perceel aan haar, waarbij aan [verzoekers] een vergoeding ter grootte van hun erfdeel toekomt, de ontruiming van het perceel door [verzoeker 5] en een verklaring voor recht dat [verzoeker 5] een gebruiksvergoeding verschuldigd is aan de nalatenschap voor het gebruik van het perceel in de afgelopen 25 jaar.

[verzoekers] vorderen in reconventie primair en subsidiair een verklaring voor recht dat [verzoeker 5] de rechtmatige eigenaar is van het perceel op grond van schenking, althans verjaring, en als rechtmatige eigenaar kan worden ingeschreven in het Kadaster, en meer subsidiair dat [erflaatster 2] wordt veroordeeld om een vergoeding te betalen aan [verzoeker 5] als compensatie voor het onderhouden en vermeerderen van de waarde van het perceel voor de duur van 25 jaar.

2.3

Het gerecht heeft bij eindvonnis, voor zover van belang, de verdeling van de nalatenschap van erflaters bevolen en de verkoop van het perceel gelast met verdeling van de opbrengst tussen de erfgenamen conform de verklaring van erfrecht. Het gerecht heeft bepaald dat de verkoop niet ten uitvoer wordt gelegd indien [verzoeker 5] aan de overige erfgenamen binnen drie maanden na betekening van het vonnis hun aandeel in de getaxeerde waarde voldoet ter verkrijging van het eigendomsrecht op het perceel.

2.4

[verzoekers] hebben hoger beroep ingesteld. Het hof heeft het vonnis van het gerecht bevestigd met uitzondering van de hiervoor in 2.3 bedoelde bepaling. Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

“2.6. Het bestreden vonnis (…) zal met uitzondering van de mogelijkheid van uitkoop voor [verzoeker 5] worden bevestigd.

2.7.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat deze uitkomst niet in strijd komt met de regel dat een appellant, wanneer geen incidenteel appel is ingesteld, niet minder mag worden van zijn hoger beroep (verbod van ‘reformatio in peius’). [verzoekers] hebben met hun appel immers in zoverre succes gehad dat [verzoeker 5] veel langer dan de in het bestreden vonnis voorziene drie maanden de gelegenheid is geboden om de andere deelgenoten uit te kopen, en dat ook tegen een waarde die aanzienlijk lager was dan de getaxeerde waarde waarvan het GEA uitging. [verzoeker 5] heeft die mogelijkheid niet benut en hij is (…) daartoe ook niet in staat gebleken. Het is dan van iedere zin ontbloot om de door het GEA aan zijn beslissing verbonden voorwaarde, die de facto al lang is uitgewerkt, door bevestiging te handhaven, wat alleen maar tot onwenselijke verdere vertraging kan leiden. Aldus bezien worden [verzoekers] van de beperkte bevestiging van het bestreden vonnis niet minder en staat de enkele omstandigheid dat [verweerders] niet (tijdig) incidenteel hebben geappelleerd daaraan niet in de weg.”

2.5

[erflaatster 2] is in 2020 overleden. Haar erfgenamen zetten de procedure voort.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Het middel klaagt onder andere dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 2.7 te oordelen dat het verbod van reformatio in peius niet is geschonden.

3.2

Deze klacht slaagt. De door het gerecht in het dictum opgenomen bepaling strekt in het voordeel van [verzoekers] Daartegen hebben [verzoekers] in hoger beroep dan ook geen grieven gericht. [verweerders] hebben geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Door te beslissen dat tot verkoop van het perceel moet worden overgegaan zonder dat [verzoeker 5] de mogelijkheid heeft om het perceel te verwerven, heeft het hof [verzoekers] in een slechtere positie gebracht dan waarin zij voor het hoger beroep verkeerden (reformatio in peius), hetgeen het hof niet vrijstond. Het hof heeft aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

3.3

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het vonnis van het gerecht te bevestigen, met verlenging van de daarin opgenomen termijn tot drie maanden na de betekening van dit arrest.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 7 april 2020;

- bevestigt het vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 21 september 2015, zoals aangevuld bij vonnis van 12 oktober 2015, met dien verstande dat de verkoop van het perceel niet ten uitvoer wordt gelegd indien [verzoeker 5] aan de overige erfgenamen binnen drie maanden na betekening van dit arrest hun aandeel in de getaxeerde waarde voldoet ter verkrijging van het eigendomsrecht op het perceel grond en toebehoren gelegen aan de Bushroad #7 in Sint Maarten;

- veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoekers] begroot op € 412,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerders] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, M.J. Kroeze en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 26 november 2021.

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 7 april 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:61.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature