< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:
Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/05453

Datum 5 november 2021

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 oktober 2019, nrs. 19/00262 en 19/00263, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/8220 en BRE 17/8221) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, en de bij die aanslagen gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door R.H.J. Wildenburg, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het middel

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Belanghebbende is in augustus 2012 gewond geraakt bij een ongeval. Het bedrijf waarvan een werknemer het ongeval had veroorzaakt, was tegen de gevolgen van het ongeval verzekerd. De desbetreffende verzekeringsmaatschappij heeft de aansprakelijkheid erkend. Vooruitlopend op een definitieve schaderegeling heeft zij vanaf 2012 aan belanghebbende voorschotbetalingen op de uiteindelijk uit te keren schadeloosstelling verstrekt.

2.1.2

Vanwege onduidelijkheid over de totale schadeomvang heeft belanghebbende in september 2014 met de verzekeringsmaatschappij een regeling getroffen ter finale afwikkeling van de schadeclaim. Eveneens is belanghebbende met de verzekeringsmaatschappij een belastinggarantie overeengekomen. Deze heeft uitsluitend betrekking op de eventuele belastbaarheid van de schadevergoeding voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). Op grond van de belastinggarantie neemt de verzekeringsmaatschappij de (eventuele) over de schadevergoeding verschuldigde IB/PVV voor haar rekening. De garantie vermeldt met betrekking tot kosten van beroepsprocedures:

“dat alle kosten, die aan deze bezwaarschriften-, respectievelijk beroepsprocedures verbonden zijn, voor rekening komen van de verzekeraar”.

2.2.1

Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende, over de belastbaarheid van de in 2013 aan belanghebbende verstrekte voorschotbetalingen bedoeld in 2.1.1, gegrond verklaard en de beide aanslagen en de bijbehorende beschikkingen inzake belastingrente verminderd.

2.2.2

Het Hof heeft verder geoordeeld dat er desondanks geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht en de voor het hoger beroep gemaakte proceskosten geheel of gedeeltelijk vergoedt. Uit de door de verzekeringsmaatschappij gegeven belastinggarantie blijkt namelijk, aldus het Hof, dat kosten van deze (hoger)beroepsprocedure voor rekening van de verzekeringsmaatschappij zullen komen. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat daaronder proceskosten zoals bedoeld in artikel 8:75 Awb alsmede het Besluit proceskosten bestuursrecht en betaalde griffierechten worden begrepen. Daarom heeft belanghebbende volgens het Hof geen kosten.

2.3.1

Onderdeel III van het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middelonderdeel betoogt dat het feit dat een derde zich tegenover een procespartij garant heeft gesteld voor het betalen van diens (proces)kosten, niet impliceert dat die procespartij in de relatie tot haar wederpartij de bewuste kosten niet heeft gemaakt.

2.3.2

Indien een derde beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend en daaraan kosten voor de belanghebbende zijn verbonden, staat aan toekenning van een vergoeding van die kosten op de voet van artikel 8:75 Awb niet in de weg dat de belanghebbende met een derde heeft afgesproken dat die deze kosten voor zijn rekening neemt. Artikel 8:75 Awb bevat namelijk geen eis wat betreft de persoon die deze kosten heeft moeten dragen. Hetzelfde heeft te gelden voor de vergoeding van het betaalde griffierecht op de voet van artikel 8:74 Awb . Het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre.

2.3.3

Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

2.4

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De stukken van het geding laten geen andere slotsom toe dan dat aan belanghebbende in het geding voor het Hof beroepsmatig rechtsbijstand is verleend. Aangezien de Inspecteur het tegendeel niet heeft gesteld, dient dan ervan te worden uitgegaan dat aan die rechtsbijstand voor belanghebbende kosten zijn verbonden, in die zin dat op hem een verplichting rust of zal komen te rusten om kosten ter zake van de verleende rechtsbijstand te voldoen.Verder blijkt uit de uitspraak van het Hof dat van belanghebbende griffierecht is geheven in de zaak met het hofkenmerk 19/00262. Gelet op dit een en ander zal de Inspecteur worden veroordeeld in de zojuist bedoelde kosten van rechtsbijstand en zal hem worden opgedragen het voor het hoger beroep betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de beslissingen met betrekking tot de proceskosten en het griffierecht,

- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128,

- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft betaald van € 128,

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.496 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.496 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2021.

ECLI:NL:GHSHE:2019:4007.

Zie HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, rechtsoverweging 3.3.3.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature