< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Medeplegen invoer cocaïne in partij olijfolie (art. 2.A Opiumwet). Bewijsklachten medeplegen. Is sprake van medeplegen, nu verdachte niet de uitvoeringshandelingen heeft verricht die hij volgens tevoren gemaakt plan zou plegen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2014:3474, HR:2015:718 en HR:2016:1316 m.b.t. afbakening tussen medeplichtigheid en medeplegen. Opvatting dat enkele omstandigheid dat verdachte niet uitvoeringshandelingen heeft verricht die hij volgens tevoren gemaakt plan zou plegen, met zich zou brengen dat geen sprake meer kan zijn van voor medeplegen vereiste bijdrage van voldoende gewicht aan delict, vindt geen steun in het recht vindt. Hof heeft o.b.v. b.m. en in bewijsoverweging opgesomde vaststellingen geoordeeld dat verdachte bij uitvoering van verschillende handelingen die als doel invoer van cocaïne hadden, bewust en nauw heeft samengewerkt met mededaders. Volgens hof was immers sprake van handelen overeenkomstig tevoren gemaakt gezamenlijk plan, met voor elk van mededaders duidelijke rolverdeling. Daarbij was onderlinge afstemming tussen verdachte en mededaders, i.h.b. ook in de aan het verzenden voorafgaande fase, cruciaal. Verdachte heeft dus uiteindelijk een voor totstandkoming van strafbaar feit cruciale rol vervuld. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat verdachte op moment dat cocaïne daadwerkelijk in Nederland werd ingevoerd de hem toebedachte rol, te weten niet deugdelijk controleren en niet onderscheppen van pakket cocaïne, niet heeft uitgevoerd omdat cocaïne abusievelijk is vrijgegeven, doet daaraan niet af.

Volgt verwerping. Samenhang met 19/04976, 19/04934, 19/05030 en 19/05072.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05093

Datum 19 oktober 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 oktober 2019, nummer 23-002895-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van den Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het onder 2 bewezenverklaarde medeplegen.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 19 oktober 2015 in Nederland en te Chili, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet , ongeveer 8 kilogram coca ïne,

immers heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (een) betaling(en) gevraagd van één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) die zonder het risico van controle en onderschepping door de Douane in een DHL zending cocaïne binnen het grondgebied van Nederland willen brengen

enheeft één van zijn mededaders aan een ander gevraagd of deze als ontvanger en geadresseerde van een te verzenden DHL zending met cocaïne wil optreden

en heeft één van zijn mededader(s) het adres [a-straat 1] te [plaats] aan één of meer van zijn mededader(s) opgegeven als afleveradres voor één zending

en hebben hij en zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] overeenkomstig een tevoren gemaakte afspraak geregeld dat zij zelf op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtenaren hadden

en

heeft/hebben één of meer van zijn mededaders overeenkomstig een tevoren gemaakte afspraak dozen/pakketten met flessen met olijfolie en cocaïne op 15 oktober 2015 bij DHL in Chili aangeboden ter verzending naar voornoemd adres [a-straat 1] te [plaats],

enheeft één van zijn mededaders aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd

en

hebben hij, verdachte, en zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] overeenkomstig een tevoren gemaakte afspraak op 1 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, in het geval voornoemde zending door de Douane/Belastingdienst was geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemde zending niet te onderwerpen aan een (deugdelijke) douanecontrole en niet in beslag te nemen

en

heeft hij, verdachte, op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost tussen de door de Douane voor een douanecontrole geselecteerde dozen/pakketten uitgekeken naar dozen/pakketten verzonden vanuit Chili

en

heeft [betrokkene 1] op het adres [a-straat 1] te [plaats] gewacht op de aflevering van voornoemde door DHL op dit adres af te leveren zending bevattende dozen/pakketten met flessen met olijfolie en cocaïne

enheeft/hebben hij, verdachte, en één of meer van zijn mededaders(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over één of meer van de hierboven omschreven handeling(en).”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de bewijsmiddelen zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 9.

2.2.3

Het hof heeft verder onder meer het volgende overwogen:

“Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kunnen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde meer in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld.

Op 19 en 20 oktober 2015 zijn respectievelijk veertien en twee dozen met telkens zes flessen olijfolie afkomstig uit Chili met airwaybill nummer 2095608546 bij DHL te Schiphol aangekomen en vervolgens in beslag genomen. Alle dozen waren op dezelfde wijze geadresseerd aan:

[betrokkene 1] [betrokkene 2] [a-straat 1] [plaats] [telefoonnummer] Netherlands, The.De zending dozen zou aanvankelijk per luchtvracht via Madrid (Spanje) en Leipzig (Duitsland) worden vervoerd naar het sorteercentrum van DHL te Schiphol. Echter, vanwege logistieke werkzaamheden in dat sorteercentrum zijn de zestien dozen (in vier leveringen) per vrachtwagen vanuit Brussel (België) naar Schiphol vervoerd.

Abusievelijk is deze zending door de Douaneautoriteiten vrijgegeven (custom cleared) ondanks het douaneprofiel “verplicht controleren”, waardoor de zending bij aankomst in Nederland rechtstreeks gesorteerd zou worden voor aflevering en niet voor douanecontrole in het sorteercentrum van DHL te Schiphol apart gezet zou worden.

Op basis van de onderzoeksbevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is door de Brigade Recherche Forensische Opsporing van de Koninklijke Marechaussee een berekening gemaakt, waaruit volgt dat uitgaande van gemiddelden er in totaal ongeveer 8 kilogram cocaïne in de 96 flessen aanwezig was.

Ten aanzien van de gedragingen van de verdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [verdachte], [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] kan het volgende worden vastgesteld.

- [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] hebben betalingen gevraagd van de ontvangers en/of verzenders van de flessen met olijfolie en cocaïne, die zonder het risico van controle en onderschepping door de Nederlandse Douane in een DHL zending cocaïne binnen het grondgebied van Nederland wilden brengen. Bij een succesvolle invoer van 8 kilogram cocaïne becijferden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hun verdiensten op ongeveer € 70.000,-;

- [betrokkene 1] is door [medeverdachte 2] gevraagd als ontvanger/afleveradres op te treden;

- [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] heeft/hebben het afleveradres aan de verzenders gegeven;

- [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben volgens de afspraak die [verdachte] met [medeverdachte 2] had gemaakt, geregeld dat zij als douaniers dienst hadden op 19 oktober 2015;

- de leveranciers/verzenders hebben de olijfolie met cocaïne (volgens afspraak) op 15 oktober 2015 in Chili ter verzending aan het opgegeven afleveradres aangeboden;

- [medeverdachte 2] heeft de track-and-trace informatie aan de hand van het bij de zending behorende airwaybill nummer geraadpleegd;

- [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben volgens afspraak op 19 oktober 2015 als douaniers gereed gestaan om de zending niet deugdelijk te controleren en te onderscheppen;

- [verdachte] heeft, zoals door hem als getuige ter terechtzitting van het hof is verklaard, op 19 oktober 2015 uitgekeken naar dozen/pakketten uit Chili;

- [betrokkene 1] heeft op het opgegeven afleveradres gewacht op de aflevering van de zending olijfolie en cocaïne;

- [medeverdachte 2] heeft aan de hand van de track-and-trace informatie met [verdachte] op 19 oktober 2015 overlegd toen de aflevering van de zending niet verliep zoals beoogd en [medeverdachte 2] heeft [betrokkene 1] opdracht gegeven op het afleveradres langer te blijven wachten op de aflevering;

- [medeverdachte 2] en [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] en [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben besprekingen gevoerd, informatie uitgewisseld en ingewonnen met betrekking tot hun bovengenoemde gedragingen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte bij de uitvoering van de verschillende handelingen strekkende tot de invoer van cocaïne uit Chili bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders. Bij die samenwerking was sprake van handelen overeenkomstig een tevoren gemaakt gezamenlijk plan, met een voor elk van de mededaders duidelijke rolverdeling, terwijl daarbij de onderlinge afstemming tussen de verdachte en zijn mededaders, in het bijzonder ook in de aan het verzenden voorafgaande fase, cruciaal was. Tegen deze achtergrond staat de omstandigheid dat verdachte niet zelf elke in de bewezenverklaring genoemde handeling heeft verricht er niet aan in de weg hem ook in zoverre als medepleger aan te merken. Het werken overeenkomstig het tussen de verdachte en zijn mededaders afgesproken plan, vereiste een nauwe en bewuste samenwerking en veel afstemming tussen alle betrokkenen (de verzendende partij in Chili, de omgekochte douaniers [verdachte] en [medeverdachte 1], de betrokkene op het afleveradres [betrokkene 1] en de uiteindelijk ontvangende partij). Bij de uitvoering van dit feit heeft de verdachte met zijn mededaders een voor de totstandkoming van het strafbare feit cruciale rol vervuld. De verdachte ontving een aanzienlijk aandeel voor een geslaagde zending. Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte door met zijn mededaders aldus te handelen zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair tenlastegelegde medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 8 kilogram cocaïne.”

2.3

In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, heeft de Hoge Raad enige algemene beschouwingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

2.4.1

Voor zover het cassatiemiddel berust op de opvatting dat de enkele omstandigheid dat de verdachte niet de uitvoeringshandelingen heeft verricht die hij volgens het tevoren gemaakte plan zou plegen, met zich zou brengen dat geen sprake meer kan zijn van de voor de kwalificatie medeplegen vereiste bijdrage van voldoende gewicht aan een delict, faalt het omdat die opvatting geen steun in het recht vindt.

2.4.2

Ook voor zover het cassatiemiddel klaagt over de bewijsvoering van het medeplegen, kan het niet tot cassatie leiden. Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen en de in de bewijsoverweging opgesomde vaststellingen geoordeeld dat de verdachte bij de uitvoering van de verschillende handelingen die als doel de invoer van cocaïne hadden, bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders. Er was volgens het hof immers sprake van handelen overeenkomstig een tevoren gemaakt gezamenlijk plan, met een voor elk van de mededaders duidelijke rolverdeling. Daarbij was de onderlinge afstemming tussen de verdachte en zijn mededaders, in het bijzonder ook in de aan het verzenden voorafgaande fase, cruciaal. De verdachte heeft dus uiteindelijk een voor de totstandkoming van het strafbare feit cruciale rol vervuld. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte op het moment dat de cocaïne daadwerkelijk in Nederland werd ingevoerd de hem toebedachte rol, te weten het niet deugdelijk controleren en niet onderscheppen van het pakket met cocaïne, niet heeft uitgevoerd omdat de cocaïne abusievelijk is vrijgegeven, doet daaraan niet af.

2.5

Het cassatiemiddel faalt daarom.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature