E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2021:1564
Hoge Raad, 19/05093

Inhoudsindicatie:

Medeplegen invoer cocaïne in partij olijfolie (art. 2.A Opiumwet). Bewijsklachten medeplegen. Is sprake van medeplegen, nu verdachte niet de uitvoeringshandelingen heeft verricht die hij volgens tevoren gemaakt plan zou plegen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2014:3474, HR:2015:718 en HR:2016:1316 m.b.t. afbakening tussen medeplichtigheid en medeplegen. Opvatting dat enkele omstandigheid dat verdachte niet uitvoeringshandelingen heeft verricht die hij volgens tevoren gemaakt plan zou plegen, met zich zou brengen dat geen sprake meer kan zijn van voor medeplegen vereiste bijdrage van voldoende gewicht aan delict, vindt geen steun in het recht vindt. Hof heeft o.b.v. b.m. en in bewijsoverweging opgesomde vaststellingen geoordeeld dat verdachte bij uitvoering van verschillende handelingen die als doel invoer van cocaïne hadden, bewust en nauw heeft samengewerkt met mededaders. Volgens hof was immers sprake van handelen overeenkomstig tevoren gemaakt gezamenlijk plan, met voor elk van mededaders duidelijke rolverdeling. Daarbij was onderlinge afstemming tussen verdachte en mededaders, i.h.b. ook in de aan het verzenden voorafgaande fase, cruciaal. Verdachte heeft dus uiteindelijk een voor totstandkoming van strafbaar feit cruciale rol vervuld. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat verdachte op moment dat cocaïne daadwerkelijk in Nederland werd ingevoerd de hem toebedachte rol, te weten niet deugdelijk controleren en niet onderscheppen van pakket cocaïne, niet heeft uitgevoerd omdat cocaïne abusievelijk is vrijgegeven, doet daaraan niet af.

Volgt verwerping. Samenhang met 19/04976, 19/04934, 19/05030 en 19/05072.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie