E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2021:1507
Hoge Raad, 19/05291

Inhoudsindicatie:

Identiteitsbewijs ex art. 231 Sr. Art. 1 Wet op de Identificatieplicht. Art. 2 Paspoortwet. Is de valse Iraakse identiteitskaart een identiteitsbewijs a.b.i. art. 231 Sr? Blijkens de MvT bij de wijziging van art. 231 Sr waarbij “Nederlandse identiteitskaart” is vervangen door “identiteitsbewijs” moet het gaan om erkende identiteitsbewijzen en vallen niet erkende identiteitsbewijzen onder de werkingssfeer van art 225 of 326 Sr. Het oordeel van het hof dat het identiteitsbewijs i.c. een identiteitsbewijs a.b.i. art. 231 Sr is, is niet begrijpelijk. Opmerking verdient dat het in HR:2020:451 ging om een (valse) identiteitskaart met de functie om de houder ervan het reizen en het verblijf in andere landen te vergemakkelijken en deze daarom als “reisdocument” gold. I.c. is niet gebleken dat het bewijs in kwestie die functie had. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie