E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2021:1506
Hoge Raad, 20/04448

Inhoudsindicatie:

Betekeningsperikelen. Aanwezigheidsrecht. Verdachte was zvwovpthl t.t.v. het (laten) instellen van h.b. en gaf daar een adres op. Later schrijft verdachte zich weer in. De in art. 36e.2 aanhef sub b Sv voorgeschreven verzending van een afschrift van de dagv. maakt geen deel uit van de betekening (vgl. over artikel 58 8 (oud) HR:2009:BG6154). Dat levert geen nietigheid van de dagv. in h.b. op. Nu verdachte het adres waar hij als ingezetene is ingeschreven na opgaaf van het adres bij de volmacht instellen h.b. heeft gewijzigd, kon verzending o.g.v. art. 36g.3 aanhef sub c Sv achterwege blijven. Dat geldt ook voor de in art. 36e.2 sub b Sv voorgeschreven verzending van het afschrift van de gerechtelijke mededeling aan het opgegeven adres waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Het achterwege blijven van die verzending is niet een omstandigheid die het hof verplichtte ervan blijk te geven te hebben onderzocht of er reden was het ottz. te schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij dat onderzoek tegenwoordig te zijn. Volgt verwerping.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie