E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2021:1498
Hoge Raad, 19/05075

Inhoudsindicatie:

Profijtontneming, w.v.v. uit Opiumwetdelicten. Soortgelijke feiten. Vervolg op HR:2008:BC9411. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1523 (onschuldpresumptie bij ontneming uit andere/soortgelijke feiten ex. art. 36e.2 Sr) en HR:2013:BV9087 en HR:2002:AD7805 (bewijsrechtelijke regels in ontnemingsprocedures). Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke f&o de rechter de voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat betrokkene (een) ander(e) strafba(a)r(e) feit(en) ex. art. 36e.2 Sr heeft begaan. En dat geldt ook voor art. 36e.2 (oud) Sr. V.zv. middel ertoe strekt dat hof in zijn uitspraak b.m. had moeten vermelden waarop het oordeel berust dat voldoende aanwijzingen bestaan dat door betrokkene soortgelijke feiten ex art. 36e.2 (oud) Sr zijn begaan, berust het op een eis die het recht niet kent. Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat o.g.v. het dossier (waarbij hof kennelijk oog heeft gehad op de in dat dossier weergegeven verklaringen van twee getuigen) buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat betrokkene in de periode van het najaar 1995 tot 1 maart 2000 meermalen betrokken is geweest bij handel in verdovende middelen. Gelet hierop en in het licht van wat hiervoor is overwogen, is oordeel van hof dat sprake is van voldoende aanwijzingen ex. art. 36e.2 (oud) Sr dat betrokkene voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode soortgelijke feiten heeft begaan, niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie