< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Procesrecht. Artikelen 6:5, 6:6 en 8:54 Awb. Beroepschrift zonder gronden. Beroep kennelijk niet-ontvankelijk?

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 21/00449

Datum 24 september 2021

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 december 2020, nrs. BRE 19/2097 tot en met BRE 19/2099, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 14 augustus 2019 betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2012 tot en met 2014 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door L.A.M. Schalk, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Het bij de Rechtbank ingediende beroepschrift bevat niet de gronden van het beroep. In het beroepschrift werd de Rechtbank verzocht het beroep gezamenlijk te behandelen met eerder aanhangig gemaakte beroepen van de besloten vennootschap waarvan belanghebbende aandeelhouder is (hierna: de BV).

2.1.2

Met dagtekening 14 mei 2019 heeft de griffier van de Rechtbank de gemachtigde twee brieven toegezonden die betrekking hebben op het beroep van belanghebbende. Dat betreft een brief waarin de ontvangst van het hiervoor vermelde beroepschrift wordt bevestigd, en een brief (hierna: de verzuimbrief) waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld binnen vier weken na die datum onder meer de gronden van het beroep in te dienen. De griffier van de Rechtbank heeft met dagtekening 14 mei 2019 aan de gemachtigde vergelijkbare brieven toegezonden die betrekking hebben op door de partner van belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroepen. Voorts heeft de griffier van de Rechtbank met dagtekening 14 mei 2019 brieven toegezonden aan de gemachtigde waarin wordt meegedeeld dat het voor 26 juli 2019 geplande onderzoek ter zitting van de door de BV bij de Rechtbank ingestelde beroepen zal worden uitgesteld in verband met de samenhang met de zaken van belanghebbende en haar partner.

2.1.3

De gronden van het beroep zijn niet ingediend binnen vier weken na 14 mei 2019. De griffier van de Rechtbank heeft bij per aangetekende post verzonden brief van 18 juni 2019 (hierna: de herinneringsbrief) de gemachtigde het volgende meegedeeld:

“Op 14 mei 2019 heb ik u een brief gestuurd. U hebt hierop niet gereageerd.

Ik verzoek u binnen twee weken na de datum van verzending van deze brief uw schriftelijke reactie aan mij toe te sturen. Maakt u van deze gelegenheid geen gebruik dan kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.”

2.1.4

De gronden van het beroep zijn ook binnen de in de herinneringsbrief genoemde termijn niet ingediend. De Rechtbank heeft daarop met toepassing van artikel 8:54 Awb het beroep nietontvan kelijk verklaard op de grond dat het beroepschrift in strijd met artikel 6:5 Awb niet de gronden van het beroep bevat en belanghebbende dit verzuim niet heeft hersteld binnen de daartoe gestelde termijn.

2.1.5

Het tegen die uitspraak gedane verzet is door de Rechtbank ongegrond verklaard. Deze beslissing berust onder meer op het oordeel dat belanghebbende de gronden van het beroep niet heeft ingediend, hoewel belanghebbende daartoe bij de verzuimbrief en daarna nogmaals bij de herinneringsbrief in de gelegenheid is gesteld.

2.2.1

De klachten herhalen onder meer het ook in verzet aangevoerde betoog dat het de gemachtigde niet duidelijk was dat de herinneringsbrief refereerde aan de verzuimbrief en dat hem met de herinneringsbrief een laatste gelegenheid werd geboden de gronden van het beroep in te dienen.

2.2.2

Op grond van artikel 6:6 Awb kan het beroep niet-ontvan kelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan een of meer van de vereisten van artikel 6:5 Awb, mits de indiener van het beroepschrift gelegenheid heeft gehad het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen. De gelegenheid tot herstel moet op een zodanige wijze worden geboden, dat voor de indiener van het beroepschrift in redelijkheid geen twijfel kan bestaan welk verzuim moet worden hersteld en binnen welke termijn.

2.2.3

Uit de bewoordingen van de herinneringsbrief blijkt niet op welke brief van 14 mei 2019 het verzoek in de herinneringsbrief betrekking heeft. De bewoordingen van de herinneringsbrief (“uw schriftelijke reactie”) maken ook niet duidelijk dat gelegenheid tot herstel van verzuimen wordt geboden, en dat de verwijzing naar een brief van 14 mei 2019 daarom betrekking moet hebben op de verzuimbrief. Uit de bestreden uitspraak op verzet blijkt niet dat de Rechtbank heeft onderzocht of het niettemin redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat de herinneringsbrief verwees naar de verzuimbrief , en dat met de herinneringsbrief dus alsnog gelegenheid werd geboden de gronden van het beroep in te dienen. Het hiervoor in 2.1.5 weergegeven oordeel van de Rechtbank berust daarom, gelet op hetgeen hiervoor in 2.2.2 is overwogen, ofwel op een onjuiste rechtsopvatting ofwel op een gebrekkige motivering. De hiervoor in 2.2.1 vermelde klacht slaagt daarom.

2.3

Op grond van hetgeen hiervoor in 2.2.3 is overwogen, kan de uitspraak op het verzet niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 21/00545 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Over de kosten van het verzet bij de Rechtbank dient de verwijzingsrechtbank te beslissen.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verwijst het geding naar de Rechtbank Den Haag ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet met inachtneming van dit arrest,

- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 134 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 2.992, derhalve € 1.496, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature