E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2020:9
Hoge Raad, 18/04306

Inhoudsindicatie:

Opzettelijk handelen in strijd met art. 2.C Opiumwet. Verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen geldbedrag. Het Hof heeft geoordeeld dat er aanwijzingen zijn dat “het geld is verdiend met drugshandel, gelet op het feit dat verdachte een grote hoeveelheid harddrugs bij zich had en een getuige verklaart dat zij al vaker drugs heeft gekocht bij verdachte”. Het Hof heeft in het midden gelaten op welke in art. 33a.1 Sr genoemde grond of gronden het geldbedrag voor verbeurdverklaring vatbaar is. Mede gelet daarop heeft het Hof de beslissing tot verbeurdverklaring ontoereikend gemotiveerd. Opmerking verdient daarbij dat onder ‘het strafbare feit’, ‘het feit’ en ‘het misdrijf’ in art. 33a.1 Sr telkens het bewezenverklaarde feit moet worden verstaan, zodat in een geval als i.c. voor verbeurdverklaring is vereist dat één van de in art. 33a.1 Sr genoemde gronden zich voordoet t.a.v. het bewezenverklaarde aanwezig hebben van verdovende middelen. Volgt partiële vernietiging (uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring) en terugwijzing. CAG: anders.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie