E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2020:769
Hoge Raad, 19/01696

Inhoudsindicatie:

Diefstal van schoenen uit winkel, art. 310 Sr. Aanhoudingsverzoek niet gemachtigde raadsman ttz. i.v.m. aanwezigheidsrecht verdachte (zonder enige onderbouwing), door hof afgewezen omdat verzoek niet is onderbouwd. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:1737, inhoudende dat aanhoudingsverzoek kan worden gedaan door verdachte, gemachtigde raadsman of niet gemachtigde raadsman (met het oog op effectuering aanwezigheidsrecht verdachte of t.b.v. alsnog verkrijgen machtiging), dat rechter verzoek reeds - zonder dat wordt overgegaan tot afweging tussen alle bij aanhouding van onderzoek ttz. betrokken belangen - kan afwijzen op de grond dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, dat rechter (als geval dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is zich niet voordoet) belangenafweging dient te maken tussen aanwezigheidsrecht verdachte en belang bij doeltreffende en spoedige berechting en dat rechter i.g.v. afwijzing van verzoek in motivering van zijn beslissing blijk dient te geven van deze belangenafweging. Indien door verdachte of zijn raadsman verzoek tot aanhouding van onderzoek ttz. wordt gedaan, dient daarbij concreet omstandigheid te worden aangevoerd die aan dat verzoek ten grondslag ligt. Aanvoeren van die omstandigheid is vereist om rechter in staat te stellen te beoordelen of - in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld - grond bestaat voor aanhouding van onderzoek ttz.. Indien zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag rechter verzoek om die reden afwijzen. Hof heeft verzoek tot aanhouding van behandeling van zaak afgewezen en daartoe overwogen dat raadsman van verdachte dit verzoek niet heeft onderbouwd. Daarin ligt als ’s hofs oordeel besloten dat door raadsman niet concreet omstandigheid is aangevoerd die ten grondslag ligt aan verzoek tot aanhouding van behandeling van zaak, zodat verzoek moet worden afgewezen. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat raadsman uitsluitend heeft gesteld dat verzoek “in verband met aanwezigheidsrecht” wordt gedaan en dat hij, daarnaar gevraagd, heeft aangegeven verzoek niet nader te kunnen onderbouwen. Volgt verwerping.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie