< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Beklag, beslag op banktegoeden van klaagsters (rechtspersoon en stichting) ex art. 13a WOTS n.a.v. rechtshulpverzoek van Libische autoriteiten. Toetsing geheimhouding rechtshulpverzoek aan art. 23.5 en 23.6 Sv. Oordeel Rb dat inhoud van rechtshulpverzoek niet aan klaagsters bekend wordt gemaakt, toereikend gemotiveerd? Maatstaf om geen toepassing te geven aan art. 23.5 Sv is of onderzoek “ernstig wordt geschaad”. Uit overwegingen Rb blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft aangelegd. Terechte klacht die niet tot cassatie behoeft te leiden. Namens klaagsters, die niet onkundig zijn gebleven van omstandigheid dat rechtshulpverzoek is gedaan en die tezamen met hun raadsman aanwezig waren bij behandeling van door hen gedaan beklag door Rb in raadkamer, zijn verschillende klachten naar voren gebracht. Rb heeft overwogen dat zij bij beoordeling daarvan “uitsluitend stukken heeft betrokken waarvan vertrouwelijkheid niet was gevraagd door Libische autoriteiten”. Daarin ligt besloten dat Rb bij beoordeling niet inhoud van rechtshulpverzoek heeft betrokken. Vervolgens heeft zij alle klachten besproken en gemotiveerd vastgesteld dat is voldaan aan voorwaarden die in art. 13a WOTS aan beslagneming zijn gesteld. Gelet hierop hebben klaagsters onvoldoende belang bij vernietiging beschikking en terugwijzing van zaak naar Rb. Volgt verwerping.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02302 Br en 19/02303 Br

Datum 14 april 2020

BESCHIKKING

op de beroepen in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2018, nummers RK 18/2252 en RK 18/2253, op klaagschriften als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door

[klaagster 2],

gevestigd te [plaats]

en

[klaagster 1],

gevestigd te [plaats]

hierna: de klaagsters.

1 Procesverloop in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de klaagsters. Namens deze heeft J.M. Sitsen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur in beide zaken - gelijkluidende - cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De advocaat-generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van de beide door de klaagsters ingestelde cassatieberoepen.

De raadsvrouw van de klaagsters heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

2.1

De cassatiemiddelen klagen in het bijzonder over de motivering van het oordeel van de rechtbank dat de inhoud van het rechtshulpverzoek van de Libische autoriteiten niet aan de klaagsters bekend wordt gemaakt. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2.1

Het gaat in deze zaak om een verzoek om rechtshulp van de justitiële autoriteiten van Libië, naar aanleiding waarvan op grond van artikel 13a Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) beslag is gelegd op banktegoeden van de klaagsters. De rechtbank heeft bij beschikking van 3 oktober 2018 de klaagschriften als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ongegrond verklaard.

2.2.2

De beschikking van de rechtbank houdt onder meer het volgende in.

“Namens klaagsters is verzocht alle stukken in het klaagschriftendossier ter kennisname aan klaagsters te doen toekomen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.

In deze zaak is beslag gelegd in het kader van een rechtshulpverzoek van de autoriteiten van Libië op grond van artikel 13a van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS), in samenhang met het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie tot stand gekomen in New York, 31 oktober 2003 (Trb. 2004, 11 en Trb. 2005, 244; hierna: het Verdrag), waarbij Nederland en Libië partij zijn. (...)

In deze zaak hebben de Libische autoriteiten om vertrouwelijkheid van met name de inhoud van het rechtshulpverzoek verzocht, welk verzoek is gegrond op artikel 46, twintigste lid, van het Verdrag. Op grond van dat artikel kan een verzoekende staat van de aangezochte staat verlangen dat zij de inhoud van het verzoek geheimhoudt, “behalve voor zover bekendmaking nodig is voor de uitvoering van het verzoek.” Naar het oordeel van de rechtbank doet deze uitzondering zich in deze zaak niet voor. De inhoud van het rechtshulpverzoek zal derhalve niet aan klaagsters bekend worden gemaakt.

Dat laat onverlet dat de rechtbank bij de beoordeling van het hiernavolgende uitsluitend de stukken heeft betrokken waarvan de vertrouwelijkheid niet was gevraagd door de Libische autoriteiten.

(...)

Standpunt klaagsters en standpunt officieren van justitie

De klaagschriften strekken tot opheffing van het beslag van 18, respectievelijk 19 juli 2018 op de bankrekeningen bij de Rabobank en ABN Amro. Aangevoerd zijn de volgende argumenten:

A. Het beslag is in flagrante strijd met artikel 5.1.5, derde lid Sv in samenhang met artikel 6 jo 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In Libië woedt een burgeroorlog; onduidelijk is welke partij de leiding heeft en in dat land is geen toegang tot de rechter mogelijk . Zonder remedie in Nederland zal het beslag leiden tot een faillissement van [klaagster 2] en de onmogelijkheid om verdediging te voeren, wat in strijd is met de onschuldpresumptie.

B. Op grond van artikel 13a, eerste lid, van de WOTS kunnen op verzoek van een vreemde staat voorwerpen in beslag worden genomen ten aanzien waarvan in de vreemde staat een tot verbeurdverklaring strekkende sanctie kan worden opgelegd. Uit het dossier kan niet worden vastgesteld dat om het beslag is verzocht met het oog op een mogelijke verbeurdverklaring van hetgeen in beslag is genomen.

C. Op grond van artikel 13a, tweede lid, van de WOTS kan alleen dan beslag ten behoeve van de vreemde staat worden gelegd “indien blijkens de door de vreemde staat bij zijn verzoek verstrekte inlichtingen, door de bevoegde autoriteiten van die staat een bevel tot inbeslagneming is gegeven of zou zijn gegeven indien de desbetreffende voorwerpen zich binnen zijn grondgebied zouden bevinden, en inbeslagneming naar Nederlands recht is toegestaan.” Echter, uit het dossier blijkt op geen enkele wijze dat er een bevel tot beslagneming is gegeven door de autoriteiten van Libië, noch dat een dergelijk bevel zou zijn gegeven als de voorwerpen zich in Libië bevonden.

D. Op grond van artikel 13a, vierde lid, van de WOTS kan alleen dan beslag ten behoeve van een vreemde staat worden gelegd “indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat te dier aanzien vanwege de verzoekende vreemde staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden gedaan.” Dit blijkt niet uit de stukken.

E. Op grond van artikel 13e van de WOTS kan een rechtshulpverzoek worden geweigerd indien het verzoek onverenigbaar is met een ter zake eerder in Nederland gewezen rechterlijke beslissing. Nu in het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2017 is geoordeeld dat klaagster [klaagster 2] recht heeft op een managementvergoeding is het rechtshulpverzoek van Libië strijdig met een ter zake eerder in Nederland gewezen rechterlijke beslissing en had het verzoek moeten worden geweigerd.

F. Het beslag is in strijd met enkele procedurele voorschriften van het Wetboek van Strafvordering:

- uit het dossier blijkt dat het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv en deze vorm van beslag ten behoeve van waarheidsvinding verhoudt zich niet met artikel 13 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad.

- uit het dossier blijkt dat klaagster [klaagster 2] ook in Nederland wordt vervolgd en dat is volgens artikel 552l Sv (oud) een grond om het rechtshulpverzoek van Libië te weigeren. Ten onrechte is niet getoetst aan dit artikel en is niet overlegd met de Libische autoriteiten.

De officier van justitie mr. Schmitz heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe is – kort gezegd – gesteld dat de gestelde verweren niet in de weg staan aan de rechtmatigheid van het beslag.

Beoordeling klachten

Gelet op het bepaalde in artikel 13a van de WOTS dient de rechter, indien - zoals hier - op de voet van het in artikel 13d, tweede lid, van de WOTS van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 552a Sv beklag is gedaan tegen (het voortduren van) de inbeslagneming, te toetsen of is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 13a van de WOTS aan inbeslagneming zijn gesteld.

Deze wettelijke regeling komt erop neer dat de rechter - voor zover hier van belang - moet beoordelen a. of een verdrag in de inbeslagneming voorziet, en voorts b. of de inbeslaggenomen voorwerpen naar het recht van de verzoekende Staat kunnen worden verbeurd verklaard en c. of er gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen vanwege de verzoekende Staat ook een verzoek tot tenuitvoerlegging zal worden gedaan van een verbeurdverklaring en tevens d. of blijkens de door de verzoekende Staat bij zijn verzoek verstrekte inlichtingen, door de bevoegde autoriteiten van die Staat een bevel tot inbeslagneming is gegeven of zou zijn gegeven indien de desbetreffende voorwerpen zich binnen zijn grondgebied zouden bevinden, en ten slotte e. of inbeslagneming naar Nederlands recht is toegestaan. Daarbij moet inbeslagneming naar Nederlands recht geacht worden te zijn toegestaan, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit naar aanleiding waarvan de inbeslagneming door de verzoekende Staat wordt verzocht, in Nederland zou zijn begaan.

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv in combinatie met artikel 13a van de WOTS een summier karakter draagt. Dat betekent dat de rechter niet in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak treedt.

Overwegingen

Ten aanzien van de klachten heeft de rechtbank als volgt overwogen.

(A) Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft beoordeeld dat het rechtshulpverzoek afkomstig is van de Libische autoriteiten. Deze toets is aan de minister. Het Verdrag voorziet in de beslagneming. Voorts stelt de rechtbank op grond van de aangeleverde informatie vast dat in Libië een strafzaak loopt waaruit het onderliggende rechtshulpverzoek voortvloeit. Daargelaten de vraag of bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het (strafrechtelijk) beslag in het kader van het beklag op grond van artikel 552a Sv wel sprake is van de vaststelling van burgerlijke rechten en plichten als bedoeld in artikel 6 EVRM , dient bij de toets of sprake is van ‘fair trial’ op grond van artikel 6 EVRM volgens de vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens te worden gekeken naar de procedure als geheel. Nu de procedure nog niet geheel is doorlopen, kan bij deze stand van het onderzoek (nog) niet worden getoetst aan artikel 6 EVRM . In de beklag procedure is de rechtmatigheid van het in Nederland gelegd strafrechtelijk beslag aan de orde. De proportionaliteit en subsidiariteit van dat beslag kunnen hierbij naar vaste jurisprudentie niet ter toets komen. Een gestelde dreigende flagrante schending van mensenrechten in de Libische strafzaak leidt evenmin tot het oordeel dat het beslag moet worden opgeheven.

(C) Uit de brief van de Libische autoriteiten van 15 augustus 2018 gericht aan officier van justitie mr. Dingley blijkt dat in de Libische strafzaak een bevel tot beslag is gegeven aan alle banken in Libië teneinde beslag te leggen op bankrekeningen van klaagsters en wordt de inhoud van de beslissing van 18 juli 2018 inhoudende inbeslagneming op de saldi van de bankrekeningen van [klaagster 2] bekrachtigd. Hieruit kan worden afgeleid dat er beslag wordt gelegd op de fondsen van klaagsters in Libië in het geval dat die zich daar bevinden.

(B+D) In de genoemde brief van de Libische autoriteiten van 15 augustus 2018 staat eveneens dat Libië de Nederlandse autoriteiten zal verzoeken tot tenuitvoerlegging van de in beslaggenomen voorwerpen nadat de Libische autoriteiten beschikken over een onherroepelijk vonnis in deze zaak, zodat het ( geld ) teruggeven wordt aan de Staatsschatkist. De rechtbank heeft deze brief zo begrepen dat de Libische autoriteiten de procedure ten aanzien van het beslag zullen voortzetten op het moment dat het Libische Openbaar Ministerie beschikt over een onherroepelijk Libisch strafrechtelijk vonnis, waarin de verbeurdverklaring is uitgesproken en/of een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie is opgelegd. Weliswaar wordt er in de brief niet gesproken over verbeurdverklaring maar de inhoud van de brief strekt daar wel toe, omdat anders ook geen tenuitvoerlegging kan worden gevraagd.

(E) Het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2017 is een vonnis in een civiele procedure van voorlopige aard, zodat geen sprake kan zijn van onverenigbaarheid van het verzoek met een ter zake eerder in Nederland gewezen rechterlijke beslissing. Ten overvloede zij opgemerkt dat in het civiele vonnis derdenbeslagen inderdaad zijn opgeheven, maar met uitzondering van het reeds gelegde strafrechtelijke beslag (overweging 5.1).

(F)

- De rechtbank stelt vast dat het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv. Beslag is op grond van het tweede lid van dit artikel mogelijk op voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring kan worden bevolen.

- Van een dubbele vervolging is anders dan klaagsters stellen geen sprake. Er is in Nederland een voorlopige dagvaarding uitgebracht, hetgeen niet is aan te merken als een vervolgingshandeling.

De rechtbank stelt vast dat in deze zaak is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 13a van de WOTS aan inbeslagneming zijn gesteld.

Gezien het voorgaande zullen de beklagen ongegrond worden verklaard.”

2.3

De navolgende wettelijke bepalingen zijn van belang:

- artikel 23, lid 2, 3, 5 en 6, Sv:

“2. Door de raadkamer worden het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers gehoord, althans hiertoe opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. Artikel 22, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. De verdachte en andere procesdeelnemers kunnen zich bij de behandeling door de raadkamer door een raadsman of advocaat doen bijstaan.

5. Het openbaar ministerie legt aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De verdachte en andere procesdeelnemers zijn, evenals hun raadsman of advocaat, bevoegd van de inhoud van deze stukken kennis te nemen.

6. Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.”

- artikel 13a WOTS :

“1. Voor zover een verdrag daarin voorziet kunnen op verzoek van een vreemde staat voorwerpen in beslag worden genomen:

a. ten aanzien waarvan naar het recht van de vreemde staat een tot verbeurdverklaring strekkende sanctie kan worden opgelegd,

b. tot bewaring van het recht tot verhaal voor een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende verplichting tot betaling van een geldbedrag welke naar het recht van de vreemde staat kan worden opgelegd, of

c. die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.

2. Inbeslagneming, als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, kan slechts plaatsvinden indien blijkens de door de vreemde staat bij zijn verzoek verstrekte inlichtingen, door de bevoegde autoriteiten van die staat een bevel tot inbeslagneming is gegeven of zou zijn gegeven indien de desbetreffende voorwerpen zich binnen zijn grondgebied zouden bevinden, en inbeslagneming naar Nederlands recht is toegestaan.

3. Voor de toepassing van het tweede lid is inbeslagneming naar Nederlands recht toegestaan, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit of de feiten naar aanleiding waarvan de inbeslagneming door de vreemde staat wordt verzocht in Nederland zou of zouden zijn begaan.

4. Inbeslagneming van voorwerpen, als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, kan voorts slechts plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat te dier aanzien vanwege de verzoekende vreemde staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden gedaan.”

2.4

De maatstaf om geen toepassing te geven aan artikel 23, vijfde lid, Sv is of het onderzoek “ernstig wordt geschaad”. Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft aangelegd. De cassatiemiddelen klagen daarover terecht.

2.5

Dit behoeft echter op grond van het volgende niet tot cassatie te leiden. Namens de klaagsters, die niet onkundig zijn gebleven van de omstandigheid dat een rechtshulpverzoek is gedaan en die tezamen met hun raadsman aanwezig waren bij de behandeling van het door hen gedane beklag door de rechtbank in raadkamer, zijn ter zitting verschillende klachten naar voren gebracht. De rechtbank heeft overwogen dat zij bij de beoordeling daarvan “uitsluitend de stukken heeft betrokken waarvan de vertrouwelijkheid niet was gevraagd door de Libische autoriteiten”. Daarin ligt besloten dat de rechtbank bij de beoordeling niet de inhoud van het rechtshulpverzoek heeft betrokken. Vervolgens heeft zij alle klachten besproken en gemotiveerd vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 13a WOTS aan beslagneming zijn gesteld. Gelet hierop hebben de klaagsters onvoldoende belang bij vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.

2.6

De Hoge Raad heeft ook de verder in de cassatiemiddelen aangevoerde klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt de beroepen.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature