E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2020:563
Hoge Raad, 19/03614

Inhoudsindicatie:

Cassatie in het belang van de wet. Aanspraak op proceskostenvergoeding in Wet Mulder zaken. Hof heroverweegt zijn vaste jurisprudentie door aansluiting te zoeken bij regeling van art. 591a Sv i.p.v. bij jurisprudentie van bestuursrechters t.a.v. art. 8:75 Awb. Is ‘s hofs beslissing om voortaan uitsluitend proceskostenvergoeding toe te kennen indien inleidende beschikking a.b.i. art. 13a Wahv wordt vernietigd, juist? T.a.v. proceskostenvergoeding ex art. 13a Wahv komen alleen die kosten voor vergoeding in aanmerking die andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat dit het geval is als betrokkene geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Bij het bepalen van het antwoord op de vraag wanneer daarvan sprake is, komt hof een grote mate van beoordelingsvrijheid toe, mede gelet op het eigenstandige karakter van Wahv. Hof heeft als criterium geformuleerd - waarbij het aansluiting heeft gezocht bij de regeling van de vergoeding van kosten ex art. 591 Sv - dat de vraag of betrokkene in het gelijk is gesteld alleen bevestigend is te beantwoorden als inleidende beschikking is vernietigd. Deze maatstaf is in zijn algemeenheid niet juist, omdat daaronder ook situaties kunnen worden gebracht waarin betrokkene materieel wel geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld en de kosten dus in zoverre als regel redelijkerwijs voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen, ook zonder dat inleidende beschikking is vernietigd. In dit verband zij opgemerkt dat voor proceskostenvergoeding ook aanleiding kan bestaan indien bijvoorbeeld het sanctiebedrag lager of op nihil wordt vastgesteld of indien inleidende beschikking wordt gewijzigd wat betreft de omschrijving van de gedraging en de feitcode. Voor gevallen waarin weliswaar de beslissing van Ktr of OvJ wegens het niet of onvoldoende nageleefd zijn van procedurele voorschriften wordt vernietigd, doch onderliggende (boete)beschikking niet, en betrokkene te dien aanzien inhoudelijk in het geheel niet in het gelijk is gesteld, kan - bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van voldoende rechtens te respecteren belang van betrokkene - aanleiding bestaan vergoeding redelijkerwijs achterwege te laten, zoals hof heeft gedaan. Denkbaar is ook dat hof in de aard en ernst van de verzuimen of gebreken die tot vernietiging van beslissing van Ktr of OvJ nopen aanleiding vindt om voor door betrokkene daadwerkelijk gemaakte proceskosten redelijkerwijs enig bedrag t.z.v. (deel van) die kosten toe te kennen. Daarbij zij aangetekend dat hof in deze situaties uit een oogpunt van eenvoud en voorspelbaarheid zou kunnen bepalen voor gelijksoortige gevallen waarin betrokkene daadwerkelijk proceskosten heeft gemaakt (voortaan) bepaald (of op bepaalde wijze te berekenen) bedrag aan vergoeding van die kosten toe te kennen. Hof heeft onjuiste maatstaf gehanteerd. Volgt vernietiging in het belang van de wet.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie