E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2020:288
Hoge Raad, 18/02250

Inhoudsindicatie:

Belediging van Nederlandse politica in Facebook-berichten, art. 266.1 Sr. Verweer strekkend tot bewijsuitsluiting i.v.m. gebreken in mededeling over rechtsbijstand aan niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan telefonisch verhoor door politie, art. 27c.2, 27c.5, 28.1 en 28a Sv. 1. Mededeling van recht op rechtsbijstand, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand doen van dat recht en aan verzuim te verbinden rechtsgevolg. 2. Verwerping bewijsverweer inzake recht op rechtsbijstand. 3. Verwerping verweer dat aan verdachte, nadat hij had gezegd “Nee, ik wil het alleen oplossen”, niet is medegedeeld dat hij op elk moment kan terugkomen van zijn beslissing om afstand te doen.

Ad 1. O.g.v. art. 27c.2 Sv dient niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling te worden gedaan van in art. 28.1 Sv gewaarborgd recht om zich te doen bijstaan door raadsman. Indien dat voorschrift niet is nageleefd levert dat in beginsel vormverzuim op a.b.i. art. 359a Sv. Met het oog op verzekering van recht van verdachte op eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM geldt dat zo’n vormverzuim, na daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot uitsluiting van bewijs van ter gelegenheid van verhoor afgelegde verklaring, tenzij verdachte door achterwege blijven van desbetreffende mededeling niet in zijn verdediging is geschaad (vgl. ECLI:NL:HR:2018:368). Wet vereist niet dat deze mededeling direct voorafgaand of bij begin van eerste verhoor plaatsvindt. Mededeling kan ook tevoren geschieden, b.v. door toezending of uitreiking van informatieblad. O.g.v. art. 27c.5 Sv dient van mededeling van betreffende rechten melding te worden gemaakt in p-v. Verdachte kan afstand doen van recht op rechtsbijstand. In die mogelijkheid is voorzien in art. 9.1 Richtlijn en (sinds 1-3-2017) in art. 28a.1 Sv. Van rechtsgeldige afstand van rechtsbijstand is sprake indien die afstand vrijwillig en ondubbelzinnig wordt gedaan. In art. 28a.2 Sv neergelegde verplichtingen beogen verdachte nader te informeren over zijn rechtspositie indien hij afstand doet van recht op rechtsbijstand. Indien verweer wordt gevoerd dat deze verplichtingen niet zijn nageleefd, moet rechter, indien hij vaststelt dat zo’n verzuim heeft plaatsgevonden, beoordelen of daaraan enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met in art. 359a.2 Sv genoemde factoren. Rechtsgevolg zal in zo’n geval immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.

Ad 2. Hof heeft bewijsverweer verworpen en daartoe eerst vastgesteld dat verdachte d.m.v. ontbiedingsbrief over zijn recht op rechtsbijstand was geïnformeerd. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat verdachte daarom bij gelegenheid van zijn eerste verhoor niet (opnieuw) op dit recht hoefde te worden gewezen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

Ad 3. ’s Hofs oordeel dat aan verzuim dat verdachte niet is medegedeeld dat hij kan terugkomen op zijn beslissing om afstand te doen, niet rechtsgevolg van bewijsuitsluiting hoeft te worden verbonden omdat door verdediging in het licht van art. 359a.2 Sv genoemde factoren ontoereikend is onderbouwd wat ernst van dat verzuim en daardoor veroorzaakt nadeel is, getuigt - gelet op wat hiervoor is vooropgesteld - niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Volgt verwerping. CAG: anders.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie