< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Omzetbelasting; procesrecht; art. 29, lid 1, letter a, Wet OB 1968 (tot 1 januari 2017); art. 8:69 Awb; verzoek om teruggaaf van omzetbelasting omdat vergoeding niet is en niet zal worden ontvangen; grenzen van het geschil.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/00976

Datum 10 januari 2020

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 januari 2019, nr. 17/00807, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/8440) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft zich bij verweerschrift gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

2 Beoordeling van het middel

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Belanghebbende verhuurde met berekening van omzetbelasting een aan haar toebehorende onroerende zaak (artikel 11, lid 1, letter b, onder 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 ; hierna: de Wet ). De huurder betaalde vanaf het tweede kwartaal van 2010 geen huur meer.

2.1.2

Op 26 april 2012 hebben belanghebbende en de huurder een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de afwikkeling van de op dat moment openstaande huurvordering. Op 10 september 2013 hebben belanghebbende en de huurder een vaststellingsovereenkomst gesloten tot beëindiging van de huurovereenkomst per 1 september 2013.

2.1.3

Belanghebbende is op 24 april 2014 failliet verklaard.

2.1.4

De curator in het faillissement van belanghebbende (hierna: de curator) heeft op 5 mei 2014 bij de Inspecteur een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting gedaan op grond van artikel 29, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet (tekst tot 1 januari 2017). Het betreft omzetbelasting die belanghebbende in verband met de verhuur van de onroerende zaak op aangifte had voldaan over de periode 1 januari 2010 tot en met 30 september 2013 (hierna: het teruggaafverzoek 2014). De Inspecteur heeft het teruggaafverzoek 2014 bij beschikking afgewezen.

2.1.5

De curator heeft op 14 december 2015 bij de Inspecteur opnieuw een verzoek ingediend om teruggaaf van omzetbelasting die belanghebbende in verband met de verhuur van de onroerende zaak op aangifte had voldaan (hierna: het teruggaafverzoek 2015). Het teruggaafverzoek 2015 ziet op omzetbelasting die belanghebbende had voldaan over de periode 1 april 2010 tot en met 30 september 2013. Ook dit verzoek heeft de Inspecteur bij beschikking afgewezen.

2.2.1

Bij het Hof was in geschil of belanghebbende op basis van het teruggaafverzoek 2015 volgens artikel 29, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting die zij heeft gefactureerd aan de huurder.

2.2.2

Naar het oordeel van het Hof volgt uit de uitspraak van 13 juli 2017 van eveneens het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de gerechtelijke procedure over het teruggaafverzoek 2014 (hierna: de uitspraak van 13 juli 2017) dat dat teruggaafverzoek te laat is ingediend en dat daarom het teruggaafverzoek 2015 zeker te laat is ingediend. De omstandigheid dat partijen uitdrukkelijk verklaren dat niet in geschil is dat het teruggaafverzoek 2015 tijdig is gedaan, noopt naar het oordeel van het Hof niet tot een ander oordeel. Volgens het Hof gaat de rechtsstrijd tussen partijen over de vraag of belanghebbende op grond van het teruggaafverzoek 2015 recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting omdat in het derde kwartaal van 2015 zou zijn komen vast te staan dat de vergoeding niet is en niet zal worden ontvangen. Het Hof is van oordeel dat het zich niet kan beperken tot beantwoording van de door partijen voorgestelde vragen, als uit de vaststaande feiten volgt dat deze (rechts)vragen voor de beslissing van het geschil niet relevant of doorslaggevend zijn.

2.3

Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het betoogt onder meer dat het Hof artikel 8:69 Awb heeft geschonden.

2.4

In deze procedure heeft zowel belanghebbende als de Inspecteur in beroep bij de Rechtbank en in hoger beroep bij het Hof uitdrukkelijk verklaard dat niet in geschil is dat het teruggaafverzoek 2015 tijdig is gedaan. De vraag of het teruggaafverzoek 2015 tijdig is ingediend, valt daarom buiten de grenzen van het geschil dat partijen bij het Hof verdeeld hield. Die vraag betreft niet een kwestie die de rechter ambtshalve moet beoordelen. Het middel slaagt in zoverre.

2.5

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Het middel voor het overige behoeft geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

2.6.1

In onderdeel 4.3 van de bestreden uitspraak heeft het Hof de vaststellingen weergegeven die in de uitspraak van 13 juli 2017 ten grondslag liggen aan het oordeel dat het teruggaafverzoek 2014 te laat is ingediend. Deze vaststellingen houden in dat a) in ieder geval ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in 2012 al vast stond dat het concern waarvan de huurder deel uitmaakte, materieel failliet was en de transformering van de huurvordering in een rekening-courantvordering een papieren exercitie was om jegens de buitenwereld de schijn op te houden dat het allemaal goed ging, b) in 2012 duidelijk was dat de reeds vervallen en ook de toekomstige huurtermijnen door de huurder niet betaald zouden worden, en c) reeds ruim voor 2014 is komen vast te staan dat de vorderingen van belanghebbende op de huurder (niet waren betaald en ook) niet betaald zouden worden.Het Hof heeft deze vaststellingen uit de uitspraak van 13 juli 2017 ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat het teruggaafverzoek 2015 zeker te laat is ingediend.

2.6.2

De hiervoor in 2.6.1 weergegeven – en in cassatie onbestreden – vaststellingen laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de vergoeding ter zake van de verhuur van de onroerende zaak over de periode 1 april 2010 tot en met 30 september 2013 niet is en niet zal worden ontvangen. Mede gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen, volgt hieruit dat dat de omzetbelasting waarop het teruggaafverzoek 2015 ziet, op grond van artikel 29, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet moet worden teruggegeven.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur,

- verleent aan belanghebbende een teruggaaf van € 202.959,

- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 519,

- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 501 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 334,

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 261 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2020.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 13 juli 2017, nr. 16/00007, ECLI:NL:GHSHE:2017:3228.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature