< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Opzettelijke milieuverontreiniging door als eigenaar van afhaalrestaurant gehuurd aggregaat bij ingang van restaurant te plaatsen, waardoor koolmonoxide vrijkomt en zich verspreidt in restaurant en boven dat restaurant gelegen trappenhuis en woningen, art. 173a Sr. Heeft verdachte koolmonoxide in de “lucht” gebracht a.b.i. art. 173a Sr? Hof heeft vastgesteld dat verdachte noodaggregaat liet plaatsen bij ingang van zijn restaurant en zijn personeel opdracht gaf aggregaat aan te zetten. Nadat aggregaat in werking was gezet, kwamen grote hoeveelheden koolmonoxide vrij en werden in restaurant en in gangen, trappenhuizen en appartementen van appartementencomplex dat boven restaurant was gelegen, zeer hoge, resp. aanzienlijke concentraties koolmonoxide gemeten. Hof heeft in reactie op verweer overwogen dat geen aansluiting dient te worden gezocht bij de definitie van “lucht” in (sectorale) milieuwetten. Hierin ligt als ’s Hofs oordeel besloten dat onder “lucht” niet alleen “buitenlucht” maar ook “binnenlucht” dient te worden verstaan, aangezien term “lucht” in art. 173a Sr andere betekenis heeft dan term “lucht” in (sectorale) milieuwetgeving. Dat oordeel is onjuist, omdat mede gelet op wetsgeschiedenis van art. 173a Sr en in het licht van systeem van wet, onder term “lucht” in art. 173a Sr uitsluitend “buitenlucht” dient te worden verstaan. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02960

Datum 11 februari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 mei 2018, nummer 22/004109-14, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1

Het middel klaagt onder meer dat het Hof het verweer dat onder “lucht” in de zin van art. 173a Sr “buitenlucht” dient te worden verstaan, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

2.2.1

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 15 januari 2013 tot en met 17 januari 2013, in de gemeente 's-Gravenhage, opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten koolmonoxide, in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was, immers heeft hij in een (destijds gevestigd) restaurant gelegen op/aan de [a-straat 1] een aggregaat geplaatst of laten plaatsen en in werking gesteld of laten stellen, terwijl koolmonoxide uit dat aggregaat vrijkwam en vervolgens zich verspreidde in dat restaurant en naast of boven dat restaurant gelegen trappenhuis en woningen, waarbij personen in dat restaurant en/of dat trappenhuis en die woningen werden blootgesteld aan die vrijgekomen koolmonoxide.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 april 2018 verklaard -zakelijk weergegeven -:

Ik ben met mijn broer naar Bo-rent gegaan en ik heb daar een aggregaat gehuurd.

Het aggregaat werd geplaatst bij de ingang van het restaurant. Bij het restaurant zit een schuifdeur die niet automatisch werkt en die je dus zelf open moet schuiven. Op 17 januari 2013 heb ik mijn personeel de opdracht gegeven om het aggregaat aan te zetten. De deur is daarbij echter niet open gezet, terwijl het mijn fout was dat ik op dat moment niet aanwezig was om te zorgen dat dit zou gebeuren.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1512 2013012640-9. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 12 en 13):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 17 januari 2013 werd ik gestuurd naar de [a-straat 1] te 's-Gravenhage. Aldaar zit het restaurant [A]. De centrale meldkamer stuurde mij en mijn collega ter ondersteuning van de brandweer en de Dienst Stedelijke Ontwikkeling. Deze waren bezig met het betreden van woningen boven het restaurant na het waarnemen van zeer hoge C02 waarden [de Hoge Raad begrijpt: CO waarden]. In het centrale trappenhuis werd door de brandweer een C02 waarde [de Hoge Raad begrijpt: CO waarde] van 270 PPM gemeten. Ik hoorde van de aanwezige brandweercommandant, genaamd [betrokkene 1], dat je met deze waarden binnen 15 à 25 minuten sterft. Een Poolse bewoonster had hoofdpijn en was duizelig. In haar woning werd door de brandweer een CO2 waarde [de Hoge Raad begrijpt: CO waarde] van 26 PPM gemeten.

Aangezien de CO2 waarde [de Hoge Raad begrijpt: CO waarde] in het centrale trappenhuis het hoogst was, zijn we daar begonnen met een onderzoek om de bron van de C02 (de Hoge Raad begrijpt: CO) te traceren. Op de begane grond van dit centrale trappenhuis bevindt zich de ontvangsthal van het restaurant. Ik zag dat in deze ontvangsthal een noodaggregaat in werking was. De uitlaatgassen konden vrij het restaurant in en konden ook gemakkelijk het trappenhuis in, naar de woningen boven het restaurant.

Ik hoorde een medewerkster van het restaurant, [betrokkene 2] verklaren dat de noodaggregaat, werkend op brandstof, op dinsdag 15 januari 2013 is geplaatst in het restaurant. [betrokkene 2] verklaarde dat het erg naar uitlaatgassen stonk vanaf dat moment.

Ik sprak vervolgens met een andere medewerkster van het restaurant, genaamd [betrokkene 3]. Ik hoorde [betrokkene 3] verklaren dat [verdachte], de baas van het restaurant, de noodaggregaat geplaatst heeft om toch te kunnen werken. Ik hoorde [betrokkene 3] verklaren dat [verdachte] op de hoogte was dat de huisbaas dit niet wilde maar de noodaggregaat toch plaatste.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 maart 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1512 2013012640-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 36):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 27 maart 2013 heb ik een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden.

Ik geef u toestemming om mij telefonisch te horen als getuige.

Ik ben werkzaam bij Bo-rent. Op 15 januari 2013 heb ik een noodaggregaat verhuurd aan [verdachte]. [verdachte] vertelde dat hij het noodaggregaat graag in een pand wilde plaatsen. Ik heb toen nadrukkelijk tegen hem gezegd dat hij het noodaggregaat niet binnen mocht plaatsen omdat er anders giftige stoffen vrij zouden komen. [verdachte] vertelde dat hij voor ventilatie zou zorgen door een deur open te zetten. Ik heb nog een gebruikershandleiding meegegeven waar nadrukkelijk in staat dat het apparaat niet binnen geplaatst mag worden zonder ventilatie.

4. Een inspectierapport van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling nr. 201301141 d.d. 25 januari 2013 met bijlagen, opgemaakt door [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6], senior inspecteur handhaving respectievelijk Adjunct teammanager. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 41 t/m 47):

Op 17 januari 2013 ben ik, rapporteur [betrokkene 6], samen met de mensen van de brandweer en de collega's van milieu afdeling naar binnen gegaan bij de horecagelegenheid gelegen aan de [a-straat 1] te Den Haag.

Wij, rapporteurs, zagen bij het kijken door de ruit van de toegangsdeur van [b-straat 1] een aggregaat. Ik zag dat de toegangsdeur van de [b-straat 1] gesloten was. Het is algemeen bekend dat het extreem gevaarlijk is om een werkend benzineaggregaat inpandig te hebben zeker als het staat opgesteld in een ongeventileerde ruimte, omdat hierdoor grote hoeveelheden koolmonoxide vrij kunnen komen.

Ik, rapporteur [betrokkene 6] heb, gezamenlijk met de brandweer, in de ruimte waar het aggregaat stond opgesteld een koolstofmonoxide (CO) gasmeting uitgevoerd. Ik zag dat het meetapparaat binnen 1 minuut een alarmerend hoge waarde van 191 PPM CO aangaf. Dat is een zeer hoge concentratie koolmonoxide, die noodzaak geeft om spoedeisend op te treden om de bron die deze situatie veroorzaakt uit te zetten.

Deze zeer hoog gemeten waarden koolstofmonoxide en de wetenschap dat de vorige dag, woensdag 16 januari 2013, het aggregaat waarschijnlijk lange tijd heeft staan draaien, gaf vervolgens aanleiding om in het trappenhuis en de daarmee in verbinding staande gangen naar de appartementen op de bovenste verdiepingen van het complex, metingen te verrichten. Ondanks diverse bouwkundige scheidingen werd in de gangen en trappenhuizen van het appartementencomplex eveneens een aanzienlijke concentratie koolmonoxide gemeten. Hierdoor was er sprake van een noodsituatie.

Uit de metingen in de appartementen bleek dat er aanzienlijke concentraties koolmonoxide aanwezig waren variëren van enkele ppm's tot 64 ppm koolstofmonoxide, die echter geen acuut gevaar opleverden, maar wel gezondheidsklachten kunnen veroorzaken.”

2.2.3

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 april 2018 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“11. Dat cliënt na het afsluiten van zijn stroom onhandige actie heeft ondernomen door het aggregaat in het trapportaal te zetten, daar zijn we het met zijn allen denk ik wel over eens. Maar de vraag is of onder gegeven omstandigheden er überhaupt wel, los van alle eerdergenoemde punten, wel tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

12. Naar mening van de verdediging is dat niet het geval. In een soortgelijke zaak waarbij een verdachte ook artikelen 173a en b Sr ten laste was gelegd met betrekking tot het in de lucht brengen van asbest, heeft de rechtbank Limburg op 29 januari 2016 (ECLI:NL:RBLIM:2016:811) beslist dat de verdachte diende te worden vrijgesproken omdat onder lucht in artikel 173 a en b, buitenlucht dient te worden verstaan en dat niet kon worden bewezen dat door het brengen van asbest in de buitenlucht daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor anderen te duchten is geweest. Immers daarvoor zal vast moeten komen te staan dat dit gevaar zich naar objectieve maatstaven te duchten was op het moment van het brengen van de stof in het milieu en onder de omstandigheden waaronder dit werd gedaan. Nergens in het dossier is echter gebleken in welke concentratie en waar de asbestvezels in de buitenlucht zoal terecht zijn gekomen en of en welke concrete personen daaraan in welke mate blootgesteld zijn geweest.

13. Deze genoemde casus laat zich nagenoeg kopiëren op de zaak van cliënt, dan wel dat het niet gaat om asbest maar om koolmonoxide in de lucht. Het verwijt dat cliënt in onderhavige zaak wordt gemaakt ziet op de uitstoot van giftige gassen in de binnenlucht en niet op de buitenlucht waar de artikelen 173 a en b op zien. De metingen van DSO hebben ook enkel en alleen betrekking op binnenlucht van het pand (trapportaal, restaurant en woningen). Mede gelet hierop verzoek ik u cliënt vrij te spreken van beide varianten in de tenlastelegging.”

2.2.4

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bij pleitnota aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste ten laste gelegde.

Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

(...) Verder dient onder 'lucht' in de zin van de artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht 'buitenlucht' te worden verstaan.

(...)

Het hof stelt voorts vast dat in deze zaak enkel de commune milieuovertreding van art. 173a/173b Sr is tenlastegelegd. Er doet zich dan ook geen samenloop voor met een misdrijf in de Wet Economische Delicten. Derhalve dient - anders dan de raadsman stelt - geen aansluiting te worden gezocht met de definitie van 'lucht’ in de (sectorale) milieuwetten. De artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht beogen de bescherming van de volksgezondheid (tegen milieuverontreiniging) en niet de bestrijding van milieuverontreiniging op zichzelf.

(...)

Het verweer wordt derhalve in alle onderdelen verworpen.”

2.3

De tenlastelegging is toegesneden op art. 173a Sr, dat is opgenomen in Titel VII (Misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht. Daarom moet de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende term “lucht” geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 173a Sr.

2.4.1

Art. 173a Sr luidt:

“Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.”

2.4.2

Bij de beoordeling van het middel zijn verder de volgende bepalingen uit de (sectorale) milieuwetten van belang:

- art. 1.1, eerste lid, Wet milieubeheer:

“ “In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

“ (...)

“ luchtverontreiniging: aanwezigheid in de buitenlucht van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in de Kernenergiewet, die op zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.”

- art. 1 Wet inzake de luchtverontreiniging:

“ “Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

“ luchtverontreiniging: de aanwezigheid in de buitenlucht van verontreinigende stoffen;

“ verontreinigende stoffen: vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radio- actieve stoffen in de zin van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82), die in de lucht, op zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen, hetzij nadeel voor de gezondheid van de mens of hinder voor de mens kunnen opleveren, hetzij schade kunnen toebrengen aan dieren, planten of goederen;

“ (...)

“ verontreinigende handeling: gedraging waardoor één of meer verontreinigende stoffen in de buitenlucht kunnen geraken, die niet voortvloeit uit het normale gebruik van een toestel of brandstof en niet wordt verricht in een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is. ”

2.4.3

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 19 januari 1989 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met enige bepalingen ter bescherming van de algemene veiligheid van personen tegen ernstige verontreinigingen van het milieu, Stb. 1989, 7, waarbij art. 173a Sr is gewijzigd, houdt onder meer het volgende in:

“Par. 3. Afzonderlijke strafbaarstelling ernstige milieucriminaliteit

Nadere bezinning op de verschillende vraagstukken die naar aanleiding van de recente gifvondsten naar voren zijn gekomen, hebben tot de conclusie geleid dat de bestaande strafbepalingen ontoereikend zijn voor het tegengaan van milieucriminaliteit van een zodanige ernst als thans is geconstateerd. Bij de totstandbrenging van de verschillende sectorale milieuwetten in de afgelopen decennia heeft de wetgever kwalijk kunnen bevroeden dat de daarin strafbaar gestelde gedragingen tot zulke ernstige bedreigingen voor de gezondheid van de mens hebben kunnen leiden. De bestaande bepalingen in het Wetboek van Strafrecht over de algemene veiligheid van personen (Titel VII van het Tweede Boek) zijn evenmin voldoende toegesneden op deze situaties. Qua ernst en strafwaardigheid van het delict lijken de gesignaleerde gevallen echter thuis te horen in deze categorie van strafbare feiten. Opmerkelijk is dat tot twee maal toe bij de invoering van een sectorale milieuwet aan de betreffende titel van het Wetboek van Strafrecht nieuwe strafbare feiten zijn toegevoegd. Bij de invoering van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82) zijn de artikelen 161 quater en 161 quinquies toegevoegd. Bij de invoering van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 1969, 536) zijn de bestaande artikelen 173a en 173b toegevoegd, nadien opnieuw vastgesteld bij de Wet van 5 juni 1975 (Stb. 353). Het lijkt thans wenselijk, los van een van de deelgebieden van de milieuwetgeving, overkoepelende bepalingen in te voeren die ernstige vormen van milieuverontreiniging strafbaar stellen. Deze bepalingen komen er op neer dat het opzettelijk of op nalatige wijze een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengen, wordt strafbaar gesteld, indien hierdoor gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten is. Indien bovendien hierdoor iemand sterft, kan een zwaardere straf worden opgelegd. Bij de formulering van de thans voorgelegde bepalingen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de eerdere, reeds genoemde bepalingen die tegelijk met bijzondere milieuwetten in het Wetboek van Strafrecht zijn ingevoerd. Slechts is getracht thans de bepalingen zodanig te formuleren dat elke vorm van verontreiniging van het milieu waardoor gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is, daaronder wordt gevat. Zo zullen onder meer gevallen van ernstige bodemverontreiniging waarbij mogelijk eerst op lange termijn het gevaar voor de openbare gezondheid zich verwezenlijkt, door de voorgestelde bepalingen worden bestreken. Voor zover schade aan het milieu wordt toegebracht, zonder dat de mens rechtstreeks als gevolg daarvan kan worden geschaad, blijven de bepalingen van de afzonderlijke milieuwetten van toepassing.” (Kamerstukken II, 1984/85, 19 020, nrs. 1-3, p. 7-8)

2.5.1

Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen onder meer het volgende vastgesteld. De verdachte liet een noodaggregaat plaatsen bij de ingang van zijn restaurant en gaf zijn personeel opdracht het aggregaat aan te zetten. Nadat het aggregaat in werking was gezet, kwamen grote hoeveelheden koolmonoxide vrij en werden in het restaurant en in de gangen, de trappenhuizen en de appartementen van het appartementencomplex dat boven het restaurant was gelegen, zeer hoge, respectievelijk aanzienlijke concentraties koolmonoxide gemeten. Mede op basis van deze vaststellingen heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de lucht heeft gebracht als bedoeld in art. 173a Sr.

2.5.2

Het Hof heeft, in reactie op het in het middel bedoelde verweer, overwogen dat “- anders dan de raadsman stelt - geen aansluiting [dient] te worden gezocht met de definitie van ‘lucht’ in de (sectorale) milieuwetten”. Hierin ligt als het oordeel van het Hof besloten dat onder “lucht” niet alleen “buitenlucht” maar ook “binnenlucht” dient te worden verstaan, aangezien de term “lucht” in art. 173a Sr een andere betekenis heeft dan de term “lucht” in de (sectorale) milieuwetgeving. Dat oordeel is onjuist, omdat mede gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis en in het licht van het systeem van de wet, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 17 en 18, onder de term “lucht” in art. 173a Sr uitsluitend “buitenlucht” dient te worden verstaan.

2.6

Het middel slaagt.

3 Beoordeling van de middelen voor het overige

Gelet op de hierna volgende beslissing behoeven de middelen voor het overige geen bespreking

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature