< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Doorrijden na ongeval (art. 7.1.a WVW 1994) en geen voorrang verlenen aan voetganger op voetgangersoversteekplaats (art. 49.2 RVV 1990) door met auto over oudere man, die op zebrapad ten val komt, heen te rijden ten gevolge waarvan deze maand later komt te overlijden en vervolgens plaats van ongeval te verlaten. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep v.zv. gericht tegen overtreding. 2. Beroep op art. 7.2 WVW 1994 (gelegenheid tot vaststelling identiteit), nu verdachte auto heeft geparkeerd in nabijheid van ongeluk.

Ad 1. ’s Hofs uitspraak heeft wat betreft feit 2 betrekking op overtreding (art. 49.2 en 92.1 RVV 1990 jo. art. 177.2.d en art. 178.2 WVW 1994). Hof heeft voor dat feit geldboete van € 250 opgelegd. Ex art. 427.2.b. Sv staat tegen uitspraak van Hof t.a.v. feit 2 geen cassatieberoep open. Verdachte in zoverre n-o.

Ad 2. Hof heeft vastgesteld dat verdachte als bestuurder van een auto betrokken is geweest bij een verkeersongeval op een voetgangersoversteekplaats, waarbij voetganger gewond is geraakt. Vervolgens heeft verdachte haar auto nabij plaats van ongeluk achtergelaten en is zij weggegaan. Zij heeft, voordat zij plaats van ongeval verliet, niet kenbaar gemaakt dat haar auto betrokken is geweest bij ongeval en zij heeft ook niet haar eigen identiteit bekend gemaakt. ‘s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat art. 7.1.a WVW 1994 van toepassing is getuigt, mede gelet op wetsgeschiedenis van die bepaling, niet van onjuiste rechtsopvatting en is - ook in het licht van gevoerd verweer - toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat verdachte op haar naam gestelde auto in de nabijheid van plaats van ongeval had achtergelaten. Volgt in zoverre verwerping.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02505

Datum 11 februari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 mei 2018, nummer 22/004072-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.A. Fijma, advocaat te Zwijndrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in haar cassatieberoep wat betreft de onder 2 bewezenverklaarde overtreding en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De uitspraak van het hof heeft wat betreft feit 2 betrekking op een overtreding (artikelen 49 lid 2 en 92 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 in samenhang met de artikelen 177 lid 2, aanhef en onder d, en 178 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994). Het hof heeft voor dat feit een geldboete van € 250, subsidiair vijf dagen hechtenis opgelegd. Op grond van artikel 427 lid 2, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering staat tegen de uitspraak van het hof ten aanzien van feit 2 geen cassatieberoep open. Om die reden kan de Hoge Raad wat betreft dat feit het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen.

3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof het in hoger beroep gevoerde verweer dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 7 lid 1, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

3.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“zij op 5 oktober 2016 te Dordrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), betrokken bij een verkeersongeval op de [a-straat], bij welk verkeersongeval, naar zij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten een voetganger, genaamd [slachtoffer]) letsel was toegebracht, de plaats van het ongeval heeft verlaten.”

3.2.2

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 september 2017, inhoudende:

Ik reed op 5 oktober 2016 op de [a-straat] over het zebrapad. Toen ik uitstapte zag ik een man op het zebrapad liggen. Er kwam een andere vrouw bij. Zij reed vlak voor het parkeren achter mij. Ik vroeg haar wat er gebeurd was nadat ik had geparkeerd en zij zei dat het mijn auto was. Ik zag haar de ambulance bellen. Ik ben weggegaan. Ik zag wel dat er iets aan de hand was.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 oktober 2016 van de Politie Eenheid Rotterdam (...). Dit proces-verbaal houdt in (...):

als de op 5 oktober 2016 afgelegde verklaring van [getuige]:

Ik reed in mijn auto over de [a-straat] en voor mij reed een andere auto. Bij de oversteekplaats zag ik een man staan op het zebrapad. Hij stond al op de eerste streep. Ik zag dat de man viel en ik zag dat de auto voor mij over de man reed. Ik ben gestopt en gelijk naar de man gelopen. De man kon niet meer opstaan. Ik heb toen de politie gebeld.

De vrouw reed door en parkeerde haar auto in een parkeervak. De vrouw kwam naar ons toe en vroeg aan mij of zij dat had gedaan. Ik vertelde haar dat ze over hem heen was gereden. Hierna liep de vrouw weg en ik heb haar niet meer terug gezien.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 januari 2017 van de Politie Eenheid Rotterdam (...). Dit proces-verbaal houdt in:

als de op 30 januari 2017 afgelegde verklaring van [getuige]:

U vertelt mij dat u nog wat vragen aan mij heeft met betrekking tot een aanrijding die ik heb zien gebeuren in oktober vorig jaar.

Voor mij werd op het zebrapad een man aangereden. Ik zag de man staan en ineens viel de man ter hoogte van de eerste witte streep van de zebra. De auto voor mij reed over de man heen. Ik ben uitgestapt om te helpen. De man lag in een foetus houding. Ik hoorde hem zeggen: “Ze is over me heen gereden”.

4. Een verkort proces-verbaal verkeersongevallenanalyse d.d. 14 oktober 2016 van de Politie Eenheid Rotterdam (...). Dit proces-verbaal houdt in (...):

als relaas van de opsporingsambtenaren:

Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], stelden op 5 oktober 2016 een onderzoek in naar de toedracht van het navolgende verkeersongeval.

Beknopte ongevalbeschrijving/Hypothese

Het ongeval vond die dag, omstreeks 11:55 uur, plaats op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [a-straat] te Dordrecht. Het betrof een aanrijding tussen een personenauto van het merk Opel voorzien van het kenteken [kenteken], en een voetganger. De voetganger raakte gewond.

Het ongeval had op de voetgangersoversteekplaats plaatsgevonden.

Conclusie/beantwoording

Uit het door ons ingestelde onderzoek met betrekking tot de mogelijke oorzaak, toedracht en gevolgen van het verkeersongeval leidden wij onder meer het volgende af:

De voetganger heeft gelopen op de voetgangersoversteekplaats.

De bestuurster van de Opel heeft de voetganger die over de voetgangersoversteekplaats de rijbaan van de [a-straat] overstak niet voor laten gaan.

5. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 5 oktober 2016 van de Politie Eenheid Rotterdam (...). Dit proces-verbaal houdt in (...):

als relaas van de opsporingsambtenaren:

Op 5 oktober 2016, omstreeks 11:54 uur, kregen wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], de opdracht te gaan naar de [a-straat] in Dordrecht. Daar zou een verkeersongeval hebben plaatsgevonden.

Ter plaatse zagen wij dat een man op een verkeersoversteekplaats lag. Wij hoorden de medewerkers van de ambulance zeggen dat de man met spoed naar het ziekenhuis moest worden gebracht.

Wij hoorden een vrouw zeggen dat zij alles had gezien. Wij hoorden haar zeggen dat zij in de auto achter de auto reed die de meneer heeft aangereden. Wij zagen haar wijzen naar een Opel met het kenteken [kenteken], die achter de verkeersoversteekplaats geparkeerd stond. Wij hoorden de vrouw zeggen dat de Opel de man had aangereden.

Ik, verbalisant [verbalisant 3], zag dat de Opel op naam stond van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1991, en ik zag dat er een telefoonnummer bij de naam stond. Ik heb het telefoonnummer gebeld en heb haar gevraagd of zij zojuist de bestuurder was van bovengenoemd voertuig. Ik hoorde haar zeggen dat dit klopte.

6. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 17 oktober 2017, opgemaakt door dr. S. Hendriks, intensivist. Dit geschrift houdt in (...):

Medische informatie betreffende [slachtoffer]

Uitwendig waargenomen letsel:

1. fladderthorax rechts

2. subcutaan emfyseem en crediteren rechter hemi thorax

3. claviculafractuur rechts

4. multipele contusies ledematen.

Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 05/10/2016.”

3.2.3

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotitie. Deze pleitnotitie houdt onder meer in:

“Feit 1.

Aan cliënte is ten laste gelegd overtreding van art 7 lid 1 aanhef en onder a WVW 1994 (het verlaten van de plaats van het ongeval). Ten aanzien van dit feit wordt het navolgende opgemerkt.

Ik heb de jurisprudentie “verlaten plaats ongeval” er m.i. nauwkeurig op nagekeken, maar een dergelijke casus als de onderhavige heb ik echter niet gevonden. De meeste zaken in de jurisprudentie gaan over een persoon die een ongeluk heeft veroorzaakt en er daarna van door gaat.

Hier is de casus anders. Mijn cliënte reed op 5 oktober 2016 op de [a-straat] te Dordrecht en wilde haar dochter ophalen van school. Het gaat om haar dochter van 4 jaar. Het was bovendien haar eerste schooldag (zie pagina 2 van het proces-verbaal van de zitting).

(...)

Wat zegt cliënte hier zelf over.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting pagina 2 zegt zij:

“Ik reed op 5 oktober 2016 op de [a-straat]. Ik reed over het zebrapad en ik zag een vrije parkeerplaats. Ik wilde daar parkeren om mijn dochter van school te kunnen halen. Het was haar eerste schooldag en ik wilde er zijn op het moment dat ze weg mocht. Ik heb goed gekeken. Er was niemand. Toen ik uitstapte zag ik een man op het zebrapad liggen. Ik dacht dat hij gestruikeld was. Ik zag hem omhoog komen”.

Op de vraag van cliënte of het goed ging antwoordde het slachtoffer bevestigend. Omdat het slachtoffer aanspreekbaar was en zich haars inziens kennelijk niet in hulpeloze toestand bevond heeft cliënte er alstoen eerst voor gekozen haar dochter op te halen. Sl stond weer op de benen. Het was immers haar eerste schooldag en je kan het een kind van 4 [vier] jaar niet aandoen om er niet te zijn na de eerste schooldag. Cliënte heeft dus een afweging gemaakt. Cliënte is niet gevlucht maar heeft daartoe de op haar naam staande auto in het bijzijn van getuige(n) één meter verder dan waar het ongeluk plaats vond in een parkeerhaven geparkeerd en heeft vervolgens haar dochter van school opgehaald en is daarna vrijwel direct naar de plaats van het ongeluk teruggekeerd. Cliënte heeft derhalve haar op haar naam staande auto ter identificatie van haarzelf in de onmiddellijke nabijheid van het ongeluk achter gelaten. Deze actie van cliënte dient beschouwd te worden als het achterlaten van een visitekaartje achter de ruitenwisser bij een ongeluk, waarbij bijvoorbeeld twee auto’s betrokken zijn. Cliënte is derhalve niet vertrokken zonder haar identiteit kenbaar te maken en zij is onmiddellijk na het ophalen van haar dochter van school naar het ongeluk teruggekeerd. Tijdens het teruglopen naar de plaats van het ongeluk werd zij gebeld door de politie! (zie pagina 43 proces-verbaal). Nu vaststaat dat de politie zelf cliënte gebeld heeft (derhalve kennelijk via het kenteken en de verzekeringsmaatschappij achter het telefoonnummer van cliënte is gekomen) en cliënte in een mum van tijd daar was (zie ook pagina 43 proces-verbaal) staat vast dat cliënte aan art 7.2 WVW derhalve aan haar identificatie verplichting heeft voldaan.

Cliënte kan dan ook m.i. met recht een beroep doen op art 7 lid 2 WVW 1994 waarin vermeld staat dat het eerste lid aanhef en onderdeel a (a. bij dat ongeval naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht) is niet van toepassing op diegene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en voor zover hij een motorrijtuig bestuurde tevens van de identiteit van dat motorrijtuig. Ik kom dan ook tot de conclusie dat art 7 lid 1 sub a niet van toepassing is op mijn cliënte, zodat cliënte van dat feit vrijgesproken dient te worden.”

3.2.4

Het hof heeft het in het cassatiemiddel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit - een en ander zoals verwoord in zijn pleitnotitie - dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 (...) ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsman ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat de verdachte haar identiteit kenbaar heeft gemaakt alvorens de plaats van het ongeval te verlaten doordat zij een op haar naam gestelde auto in de onmiddellijke nabijheid van het ongeluk heeft achtergelaten. Zij kon daarmee als persoon worden geïdentificeerd. Dat is ook gebleken.

(...)

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte betrokken is geweest bij een verkeersongeval dat op 5 juni 2016 heeft plaatsgevonden op een voetgangersoversteekplaats op de [a-straat] te Dordrecht, waarbij [slachtoffer] gewond is geraakt. De verdachte moet van deze betrokkenheid hebben geweten door een gesprek dat zij direct na het ongeval ter plaatse had met de getuige [getuige]. Immers, deze heeft verklaard dat zij de verdachte toen en daar desgevraagd vertelde dat zij - de verdachte - over de man heen gereden was.

Uit artikel 7, tweede lid in verbinding met het eerste lid onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 volgt dat degene die bij een verkeersongeval is betrokken, de plaats van het ongeval niet mag verlaten zonder behoorlijk de gelegenheid te hebben geboden tot vaststelling van zowel de eigen identiteit als die van het bestuurde motorrijtuig. De verdachte heeft haar voertuig nabij de plaats van het ongeval achtergelaten, maar heeft daarbij niet op enigerlei wijze kenbaar gemaakt dat deze auto betrokken was geweest bij het ongeval. Bovendien heeft de verdachte niet haar identiteit bekend gemaakt voordat zij wegging. Met het achterlaten van een voertuig is niet de identiteit van de bestuurder bekend.

Gelet op het voorgaande acht het hof het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.”

3.3.1

Artikel 7 WVW 1994 luidde ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde feit:

“1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:

a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;

b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.

2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig.”

3.3.2

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel strekkende tot vervanging van de Wegenverkeerswet, dat heeft geleid tot de Wegenverkeerswet 1994, Stb. 1994, 475, houdt onder meer het volgende in:

“Volgens artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet mag na een ongeval pas worden door- of weggereden als de identiteit «behoorlijk is kunnen worden vastgesteld». Uit de jurisprudentie moet worden afgeleid dat hiervan eerst sprake is indien de gelegenheid tot vaststelling heeft bestaan voor de gelaedeerde of voor iemand die geacht kan worden de belangen van de gelaedeerde waar te nemen (HR 16 december 1980, NJ 1981, 431, VR 1981, 45). Wij achten het geboden deze interpretatie door te laten klinken in de wettekst. Wij stellen daartoe de volgende tekst voor: «behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot de vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig».” (Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, p. 73)

Uiteindelijk is een bepaling van deze strekking bij de wet van 17 november 1994, houdende regeling van de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 1994, 858) in het tweede lid van artikel 7 WVW 1994 opgenomen.

3.4

Blijkens de hiervoor onder 3.2.4 weergegeven overwegingen heeft het hof onder meer het volgende vastgesteld. De verdachte is als bestuurder van een motorrijtuig betrokken geweest bij een verkeersongeval op een voetgangersoversteekplaats, waarbij een voetganger gewond is geraakt. Vervolgens heeft de verdachte haar voertuig nabij de plaats van het ongeluk achtergelaten en is zij weggegaan. Zij heeft, voordat zij de plaats van het ongeval verliet, niet kenbaar gemaakt dat haar voertuig betrokken is geweest bij het ongeval en zij heeft ook niet haar eigen identiteit bekendgemaakt. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat artikel 7 lid 1, aanhef en onder a, WVW 1994 van toepassing is, getuigt, mede gelet op de hiervoor vermelde wetsgeschiedenis, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is - ook in het licht van het gevoerde verweer - toereikend gemotiveerd. Anders dan in de toelichting op het middel is betoogd doet daaraan niet af dat de verdachte het op haar naam gestelde voertuig in de nabijheid van de plaats van het ongeval had achtergelaten.

3.5

Het cassatiemiddel faalt.

4 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk wat betreft de beslissingen met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature