E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2020:223
Hoge Raad, 18/02505

Inhoudsindicatie:

Doorrijden na ongeval (art. 7.1.a WVW 1994) en geen voorrang verlenen aan voetganger op voetgangersoversteekplaats (art. 49.2 RVV 1990) door met auto over oudere man, die op zebrapad ten val komt, heen te rijden ten gevolge waarvan deze maand later komt te overlijden en vervolgens plaats van ongeval te verlaten. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep v.zv. gericht tegen overtreding. 2. Beroep op art. 7.2 WVW 1994 (gelegenheid tot vaststelling identiteit), nu verdachte auto heeft geparkeerd in nabijheid van ongeluk.

Ad 1. ’s Hofs uitspraak heeft wat betreft feit 2 betrekking op overtreding (art. 49.2 en 92.1 RVV 1990 jo. art. 177.2.d en art. 178.2 WVW 1994). Hof heeft voor dat feit geldboete van € 250 opgelegd. Ex art. 427.2.b. Sv staat tegen uitspraak van Hof t.a.v. feit 2 geen cassatieberoep open. Verdachte in zoverre n-o.

Ad 2. Hof heeft vastgesteld dat verdachte als bestuurder van een auto betrokken is geweest bij een verkeersongeval op een voetgangersoversteekplaats, waarbij voetganger gewond is geraakt. Vervolgens heeft verdachte haar auto nabij plaats van ongeluk achtergelaten en is zij weggegaan. Zij heeft, voordat zij plaats van ongeval verliet, niet kenbaar gemaakt dat haar auto betrokken is geweest bij ongeval en zij heeft ook niet haar eigen identiteit bekend gemaakt. ‘s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat art. 7.1.a WVW 1994 van toepassing is getuigt, mede gelet op wetsgeschiedenis van die bepaling, niet van onjuiste rechtsopvatting en is - ook in het licht van gevoerd verweer - toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat verdachte op haar naam gestelde auto in de nabijheid van plaats van ongeval had achtergelaten. Volgt in zoverre verwerping.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie