E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2020:2039
Hoge Raad, 19/04538

Inhoudsindicatie:

Grootschalige beleggingsfraude. Feitelijk leiding geven aan oplichting (art. 326.1 Sr), bedrieglijke bankbreuk (art. 341 Sr) en valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr) begaan door rechtspersoon, meermalen gepleegd en medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter.1 Sr). 1. Strafoplegging. Kon hof bijkomende straf van ontzetting van recht tot uitoefening van beroep van bestuurder van enige rechtspersoon opleggen, nu niet verdachte als feitelijk leidinggever het feit heeft begaan maar rechtspersoon waaraan hij leiding gaf? Art. 28.1 en 51 Sr. 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. Uit art. 51.2.2 en 51.2.3 Sr jo. 28.1.5 Sr volgt dat ook verdachte die is veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan het door rechtspersoon plegen van strafbaar feit, kan worden ontzet uit recht tot uitoefening van bepaalde beroepen, indien wet voor dat feit deze ontzetting toelaat. Middel berust op onjuiste rechtsopvatting.

Ad 2. Hof heeft verdachte verplichtingen opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemde slachtoffers in arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest telkens genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak vernietigen v.zv. daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Samenhang met ECLI:NL:HR:2020:1801.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie