< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Telen hennep (art. 3.B Opiumwet), medeplegen diefstal elektriciteit d.m.v. verbreking (art. 311.1 Sr) en voorhanden hebben veerdrukpistolen en nabootsingen van pistolen en revolvers (art. 13.1 WWM). Strafmotivering (5 weken gevangenisstraf), art. 22b.2 Sr. Is taakstrafverbod van toepassing, nu t.t.v. begin van pleegperiode feiten 1 en 2 en pleegdatum feit 3 eerder opgelegde taakstraf nog niet geheel was verricht en eerdere uitspraak nog niet onherroepelijk was t.t.v. begin van pleegperiode feiten 1 en 2? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3539 m.b.t. uitleg van art. 22b.2 Sr, inhoudende dat eerdere uitspraak reeds t.t.v. begaan van nieuw feit kracht van gewijsde moet hebben gehad. In het geval dat volgens bewezenverklaring nieuw feit is begaan in bepaalde periode, dient maatstaf van “5 jaren voorafgaand aan het door hem begane feit” te worden begrepen als “5 jaren voorafgaand aan begin van periode waarin feit door hem is begaan”. Uittreksel justitiële documentatie houdt in dat verdachte bij vonnis van Pr van 4-3-2014 voor vermogensdelict is veroordeeld tot taakstraf van 40 uren. Dit uittreksel houdt ook in dat dit vonnis op 19-3-2014 onherroepelijk is geworden en dat uitvoering van taakstraf heeft plaatsgevonden in periode van 24-3-2014 tot 6-1-2015. Uittreksel vermeldt geen andere veroordelingen tot taakstraf. Hieruit volgt dat t.t.v. begin van periode waarin feiten 1 en 2 door verdachte zijn begaan (1-2-2014) en datum waarop feit 3 door hem is begaan (23-4-2014) eerder opgelegde taakstraf nog niet geheel was verricht, terwijl eerdere uitspraak op 1-2-2014 ook nog geen kracht van gewijsde had. Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, is ‘s hofs oordeel dat taakstrafverbod a.b.i. art. 22b Sr hier van toepassing is, niet begrijpelijk. Daarom is strafoplegging ontoereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging (t.a.v. strafoplegging) en terugwijzing. Samenhang met 19/00420 P.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/00419

Datum 15 december 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 december 2016, nummer 20/001089-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging en de strafmotivering, tot terugwijzing van de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor al het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is.

3.2.1

De verdachte is ter zake van (feit 1) in de periode van 1 februari 2014 tot en met 23 april 2014 opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, (feit 2) in de periode van 1 februari 2014 tot en met 23 april 2014 diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en (feit 3) op 23 april 2014 handelen in strijd met artikel 13 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf weken.

3.2.2

De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:

“Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op de volgende omstandigheden:

- de omstandigheid dat de verdachte zich heeft ingelaten met de teelt van een hoeveelheid hennepplanten en het (frequente) gebruik van softdrugs de gezondheid van personen kan schaden, met name wanneer personen kwetsbaar zijn voor psychische aandoeningen;

- de omstandigheid dat verdachte een deel van zijn woonhuis, dat hij huurde van een woningbouwvereniging, heeft ingericht als hennepkwekerij en daarbij een illegale aansluiting aan de zekeringhouders heeft laten toevoegen, hetgeen gevaar oplevert voor personen en/of goederen en aan het gehuurde schade toebrengt;

- de omstandigheid dat de verdachte blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 oktober 2016 eerder onherroepelijk wegens een vermogensdelict is veroordeeld.

Wat betreft de op te leggen strafsoort en de hoogte van de straf is door het hof enerzijds aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid, en anderzijds bij de straffen die door dit hof in - in grote lijnen - vergelijkbare gevallen worden opgelegd.

Het hof houdt voorts rekening met het bepaalde van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (Wet beperking taakstraf). Dit artikel maakt dat het wettelijk gezien voor het hof niet mogelijk is aan de verdachte uitsluitend een taakstraf dan wel een taakstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.”

3.3.1

Artikel 22b lid 2 en 3 Sr luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:

“2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:

1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en

2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.

3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.”

3.3.2

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven (Stb. 2012, 1), houdt onder meer in:

“Het tweede lid van artikel 22b voorziet in het uitsluiten van een taakstraf in het geval van recidive. De beperking van de mogelijkheden om in geval van recidive een «kale» taakstraf op te leggen heeft betrekking op misdrijven in het algemeen en niet alleen op ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. Indien een verdachte een misdrijf pleegt en in de vijf daaraan voorafgaande jaren al wegens een ander soortgelijk misdrijf een taakstraf opgelegd heeft gekregen, wordt niet opnieuw een taakstraf opgelegd. (...)

Verder is vereist dat de eerder opgelegde taakstraf is verricht of dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen in verband met het niet (naar behoren) verrichten van de taakstraf. Het stellen van deze eis dient ertoe een tweede («kale») taakstraf uit te sluiten in de gevallen dat de taakstraf kennelijk niet het effect heeft gehad dat daarmee werd beoogd. Het gaat dan om het geval dat de taakstraf wel is verricht, maar dat de veroordeelde er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te begaan. Het gaat ook om het geval dat de veroordeelde de eerder opgelegde taakstraf niet heeft verricht en dat aanleiding is geweest om de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te bevelen. Is een eerder opgelegde taakstraf niet verricht, maar is dat geen aanleiding geweest om de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te bevelen, dan kan wel een nieuwe taakstraf worden opgelegd. (...) Het gaat er dan om dat een eerder opgelegde taakstraf niet is verricht buiten de schuld van de veroordeelde.” (Kamerstukken II 2009-2010, 32169, nr. 3, p. 10)

3.4.1

Mede gelet op deze wetsgeschiedenis moet artikel 22b lid 2 Sr zo worden uitgelegd dat – afgezien van de in het eerste lid omschreven gevallen – een taakstraf in geval van veroordeling voor een misdrijf alleen dan niet kan worden opgelegd indien (i) aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en (ii) de veroordeelde deze taakstraf daadwerkelijk heeft verricht dan wel op grond van artikel 22 g (oud) Sr de tenuitvoerlegging is bevolen van de vervangende hechtenis. Een en ander brengt mee dat deze eerdere uitspraak reeds ten tijde van het begaan van het nieuwe feit kracht van gewijsde moet hebben gehad. (Vgl. HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3539.)

3.4.2

In het geval dat volgens de bewezenverklaring het nieuwe feit is begaan in een bepaalde periode, dient de in 3.4.1 onder (i) genoemde maatstaf van “vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit” te worden begrepen als “vijf jaren voorafgaand aan het begin van de periode waarin het feit door hem is begaan”.

3.5

Het in de conclusie van de advocaat-generaal onder 13 samengevat weergegeven uittreksel justitiële documentatie houdt in dat de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West Brabant van 4 maart 2014 voor een vermogensdelict is veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren. Dit uittreksel houdt ook in dat dit vonnis op 19 maart 2014 onherroepelijk is geworden, en dat de uitvoering van de taakstraf heeft plaatsgevonden in de periode van 24 maart 2014 tot 6 januari 2015. Het uittreksel vermeldt geen andere veroordelingen tot een taakstraf. Hieruit volgt dat ten tijde van het begin van de periode waarin de feiten 1 en 2 door verdachte zijn begaan (1 februari 2014) en de datum waarop feit 3 door hem is begaan (23 april 2014) de eerder opgelegde taakstraf nog niet geheel was verricht, terwijl de eerdere uitspraak op 1 februari 2014 ook nog geen kracht van gewijsde had. Gelet op hetgeen onder 3.4 is vooropgesteld, is het oordeel van het hof dat het taakstrafverbod als bedoeld in artikel 22b Sr hier van toepassing is, niet begrijpelijk. Daarom is de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd.

3.6

Het cassatiemiddel slaagt.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature