< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Blokkeerfriezen bij landelijke intocht van Sinterklaas in Dokkum in 2017. Medeplegen opruiing (art. 131.1 Sr), uitlokking van medeplegen versperring van snelweg, terwijl daarvan gevaar voor veiligheid van verkeer te duchten is (art. 162.1 Sr) en uitlokking van medeplegen door bedreiging met geweld geoorloofde betoging verhinderen (art. 143 Sr). 1. Heeft verdachte ‘opgeruid’ tot versperring snelweg, verhindering geoorloofde betoging en dwang a.b.i. art. 131 Sr? 2. Uitleg woorden ‘terwijl daarvan gevaar voor veiligheid van verkeer te duchten was’ a.b.i. art. 162 Sr. 3. Leveren bewezenverklaarde gedragingen ‘bedreiging met geweld’ a.b.i. art. 143 Sr op? 4. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. Bij beoordeling of door verdachte gedane uitingen aansporen tot enig strafbaar feit en dus ‘opruiend’ zijn in de zin van art. 131 Sr, komt betekenis toe aan inhoud en strekking van gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien en context waarin deze uitingen aan publiek zijn geopenbaard. Hof heeft bij beoordeling van opruiend karakter van op Facebook geplaatst bericht tot uitgangspunt genomen dat herkenbare omschrijving van feit waartoe wordt opgeruid volstaat en dat daarbij kan worden gekeken naar gehele inhoud van geschrift, strekking daarvan en context waarin uiting is gedaan. Hof heeft vastgesteld dat in oproep van verdachte anderen rechtstreeks worden aangespoord om zich op specifiek genoemde locaties en op concreet tijdstip te verzamelen, om vervolgens massaal (snel)wegen op te rijden om bussen met demonstranten te vertragen en/of te verjagen en te voorkomen dat zij in Dokkum zouden aankomen. Op grond hiervan heeft hof geoordeeld dat oproep opruiende strekking heeft, omdat onmiskenbaar wordt opgeroepen tot verhinderen van (geoorloofde) betoging en oproep niet anders kan worden begrepen dan als aanmoediging om demonstranten weg te versperren en hen zo te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Ad 2. In art. 162 Sr is straf bedreigd tegen o.a. degene die opzettelijk enige openbare land- of waterweg verspert terwijl daarvan gevaar voor veiligheid van verkeer te duchten is. Om gevaar voor veiligheid van verkeer te kunnen aannemen, is vereist dat uit inhoud van wettige b.m. volgt dat t.t.v. versperren van openbare land- of waterweg naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest dat gevaar voor veiligheid van verkeer (verkeersdeelnemers en/of hun voertuigen) te duchten was. Dat dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband dus niet van belang. ‘s Hofs bewijsvoering houdt in dat mededaders hun voertuigen zodanig opstelden dat beide rijstroken en vluchtstrook werden geblokkeerd en andere voertuigen niet konden passeren, zonder dat het ging om aangekondigde en/of vooraf aangeduide beperking of belemmering van doorstroming van verkeer, dat meerdere mededaders vervolgens hun voertuig hebben verlaten en op A7 zijn gaan staan en lopen, waardoor verkeer op A7 volledig tot stilstand is gekomen en file is ontstaan. Op grond hiervan heeft hof geoordeeld dat t.t.v. versperring naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest dat gevaar voor veiligheid van verkeer te duchten was en dat dit gevaar ook gevaar voor schade aan voertuigen omvat. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Ad 3. Voor veroordeling wegens het door ‘bedreiging met geweld’ verhinderen van geoorloofde openbare vergadering of betoging is vereist dat bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij betrokkene in redelijkheid vrees kon ontstaan dat geweld zou worden gepleegd. Dat geweld kan zowel geweld tegen personen als geweld tegen goederen betreffen. Hof heeft vastgesteld dat mededaders met ongeveer 15 voertuigen snelweg op zijn gekomen, dat zij bussen met daarin demonstranten hebben ingehaald en hebben omsloten, dat zij snelheid hebben geminderd en op die manier bussen gedwongen tot stilstand hebben gebracht, waardoor A7 was geblokkeerd, dat vervolgens ‘met (gebalde) vuisten en/of omhoog geheven armen’ richting bussen is gezwaaid en dat tegen 1 of meerdere autobussen is geslagen. Op grond hiervan heeft hof geoordeeld (mede in het licht van eerdere gebeurtenissen op A6) dat door deze gedragingen van mededaders bij demonstranten in redelijkheid vrees kon ontstaan dat geweld zou worden gebruikt. Dit oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting over begrip ‘bedreiging met geweld’ a.b.i. art. 143 Sr en is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Ad 4. HR ambtshalve: HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Samenhang met 19/05178, 19/05179, 19/05180, 19/05181 en 19/05204.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00124

Datum 15 december 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 oktober 2019, nummer 21-006479-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast, en te bepalen dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Waar het in deze zaak om gaat

2.1

De achtergronden van deze zaak zijn in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 7 als volgt samengevat:

“5. Op 18 november 2017 vond de jaarlijkse landelijke intocht van Sinterklaas plaats in Dokkum, Friesland. De actiegroep Kick Out Zwarte Piet (hierna: KOZP) en de stichting […] (hierna: de stichting) hadden tevoren aangekondigd tijdens deze intocht een betoging te houden. De betoging zou in het teken staan van verzet tegen Zwarte Piet met het oog op “een racisme vrij Sinterklaasfeest + Nederland”. De voorgenomen betoging is aan de burgemeester van de gemeente Dongeradeel gemeld. De burgemeester heeft vervolgens voorschriften en beperkingen gesteld ten aanzien van de aangekondigde betoging. Deze kwamen erop neer dat op 18 november 2017 gedurende het tijdvak van 10:30 uur tot 11:15 uur, voorafgaand aan de daadwerkelijke intocht van de goedheiligman, een dynamische demonstratie (demonstratiemars) mocht worden gehouden op een gedeelte van de route door de binnenstad van Dokkum. Daarnaast was het toegestaan om gedurende het tijdvak van 11:15 uur tot 13:30 uur op een door de burgemeester aangewezen locatie op het terrein van de intocht een statische demonstratie te houden. In het kader van de betoging zouden vanuit Amsterdam en Rotterdam bussen vertrekken, waarvoor zich 150 tot 160 deelnemers hadden aangemeld.

6. In de week voorafgaand aan 18 november 2017 zijn door de verdachte op Twitter berichten geplaatst over de aangekondigde betoging, waaruit bleek dat deze niet op haar sympathie kon rekenen. Zo plaatste zij onder meer de tekst “De eerste Friese acties komen los. Onruststokers KOZP niet welkom in #Dokkum#ZwartePiet.” Ook is toen op internet een filmpje verschenen met een link naar het Facebook evenement “Kick Out Kick Out Zwarte Piet”. (...)

7. Dit filmpje is door de verdachte op internet geplaatst en is toegevoegd aan het ‘Facebook event’ dat door een ander was aangemaakt. De verdachte en degene die het ‘event’ had aangemaakt, zijn bij elkaar gekomen om te overleggen. Daarna is een ‘eventpagina’ aangemaakt met de naam ‘Project P’, welke pagina door beiden werd ‘gehost’. Daarop was een oproep geplaatst. De oproep strekte ertoe om op 18 november 2017 van 08.30 uur tot 11.30 uur massaal met Friese vlaggen de (snel)weg op te gaan en langzaam te gaan rijden op de toegangswegen naar Dokkum om “de onruststokers” te vertragen/verhinderen, zodat de “kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest kunnen vieren in Dokkum”.”

2.2

Met betrekking tot de gebeurtenissen op 18 november 2017 heeft het hof de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld:

“Op 18 november 2017, omstreeks 08.45 uur, is een groep demonstranten in drie bussen, een rode, een witte en een groene, en enkele personenauto’s vanuit Amsterdam vertrokken richting Dokkum. Zij waren onderweg naar de demonstratie van KOZP in Dokkum. De bussen reden door de polder over de A6 naar Friesland. (...)

Op 18 november 2017, omstreeks 09:45 uur reden de bussen over de A6 op een plek waar pionnen stonden en de linkerbaan was afgesloten. Dit was op een nagenoeg recht weggedeelte van de autosnelweg A6 van Lemmer richting Joure voor het knooppunt Joure.

In verband met wegwerkzaamheden gold ter plaatse een snelheidsbeperking tot 70 kilometer per uur. Er was sprake van een min of meer constante stroom van voertuigen. De achterste bus werd ingehaald door een wit bestelbusje dat met hoge snelheid over de vluchtstrook reed. Het bestelbusje sneed de bus af, schoot voor de bus langs en remde hard. Daarop remde de achterste bus ook hard. De bestuurder van de auto was aan het wijzen en zwaaide met zijn vuisten. Kort daarop werd de achterste bus ingehaald door een motorrijder op een zwarte motor. De motorrijder was in het zwart gekleed en droeg een zwarte helm. De motorrijder ging voor de achterste bus rijden en remde heel hard. Daarna ging hetzelfde witte bestelbusje over de vluchtstrook naar de andere bussen. Omstreeks 09:50 uur werd de groene bus in de omgeving van Joure afgesneden door een witte bestelauto die voor de bus kwam rijden. Daardoor moest de groene bus stoppen op de snelweg. De witte bestelauto kwam vanaf de linkerkant voor de bus rijden en sneed de bus. De buschauffeur moest hard op de rem. De groene bus moest abrupt remmen en kwam heel snel tot stilstand. Daardoor klapte één van de passagiers van deze bus naar achteren en kwam hij met de bovenkant van zijn nek tegen de rugleuning van zijn stoel, waardoor hij hoofdpijn kreeg en een hersenschudding opliep.

Enkele auto’s reden slingerend rond de bussen. De groene bus werd op de snelweg A6 klem gezet door een aantal voertuigen. Voor de bus stonden een witte bestelauto en een blauwe Seat Ibiza en naast de bus stond nog een auto. Op een gegeven moment reed de blauwe Seat Ibiza, die links voor de bus stond, naar de linker rijbaan om een tweede (rode) bus tot stilstand te brengen. Toen werd in de groene bus geroepen: “Rijden, rijden” en probeerde de chauffeur verder te rijden. Op dat moment reed een motorrijder voor de groene bus en bracht hij zijn motor links voor de bus tot stilstand. De motorrijder wees met zijn rechterhand naar de chauffeur. Kort daarop stuurde de chauffeur van de bus naar rechts. Daarop zette de motorrijder zijn motor recht voor de bus. Kort daarna kon de rode bus, die op de linker rijstrook werd geblokkeerd, verder rijden. De rode bus reed van de linker naar de rechter rijstrook en bleef daar rijden. Op het moment dat de rode bus wegreed, reed de motorrijder achter de rode bus aan. De motorrijder reed met hoge snelheid naar de bus toe. De motorrijder ging naast de rode bus rijden en gebaarde naar de chauffeur om de bus aan de kant te zetten. De bus ging niet van de weg af. Daarop sneed de motorrijder de rode bus af en hij stopte abrupt voor de bus. De buschauffeur moest een noodstop maken om te voorkomen dat de motorrijder werd overreden. Doordat de buschauffeur hard moest remmen, kwam de camera(man) tegen de voorruit van de bus en is die ruit stuk gegaan. De motorrijder was agressief. Op een gegeven moment deed hij zijn helm af en liep hij dreigend langs de bussen. Nadat alle bussen stilstonden, liep de motorrijder naar de achterste bus. Hij liep op een agressieve manier naar de buschauffeur en gaf aan waar zij met de bus moest gaan staan. Er was geen sprake van een volledige versperring van de weg. Het overige verkeer reed de blokkade voorbij via de meest linker (afgesloten) strook. Op een gegeven moment ging de voorste bus langs/door de barricade. Vervolgens reden de bussen de A7 op.

Op 18 november 2017, omstreeks 09:53 uur, reed het verkeer op de Rijksweg A7 ter hoogte van Joure langzaam door filevorming en enige tijd later kwam het verkeer geheel tot stilstand. Dit gebeurde op de autosnelweg A7 van Joure richting Heerenveen, kort voorbij het aldaar langs de weg gelegen tankstation en nabij de afrit Oudehaske. Deze locatie bevond zich ongeveer anderhalve kilometer na de wegwerkzaamheden bij het knooppunt Joure. (...) Voorbij het tankstation maakte de weg een flauwe bocht naar links. De bussen reden langs het tankstation. Vanaf het tankstation reden ongeveer vijftien auto’s de weg op. Er reden auto’s links en rechts langs de achterste bus. Enkele inzittenden hadden gebalde en opgeheven vuisten. Meerdere auto’s bleven stilstaan voor de bussen, waardoor de bussen ook moesten stoppen. De bussen stonden achter elkaar en er stonden personenauto’s tussen de bussen in. De personenauto’s stonden zo opgesteld over beide rijstroken en de vluchtstrook van de A7 dat het overige verkeer niet kon passeren. De personenauto’s blokkeerden de snelweg. Het duurde ongeveer 15 minuten, voordat de politie er was. De voertuigen waren verlaten, zodat de ter plaatse gekomen politie de bestuurders niet kon aanspreken. Politieagenten hebben hier en daar mensen aangesproken en hen gevraagd of zij bestuurder waren van de stilstaande auto’s. Alle aangesproken personen wensten de vragen niet te beantwoorden. Er ontstond een file van ongeveer drie kilometer. De drie bussen stonden stil achter de personenauto’s. In deze bussen zaten mensen die een trui of T-shirt droegen met anti-Zwarte Piet-teksten. Diverse mensen stapten uit de auto’s en liepen richting de bussen en de voorzijde van de file. Bij de bus bewogen de mensen met hun armen en handen. Ook sloegen mensen tegen de bus. Er liepen tientallen mensen op de rijbaan. Er kon niemand langs.

(...)

Op een gegeven moment deed de officier van dienst van de politie een algemene oproep aan de aanwezige personen om zich bij hem te verzamelen en vervolgens sprak hij een groep van 25 tot 30 personen aan. Hij zei tegen hen dat zij hun punt hadden gemaakt, hij verzocht hen in de auto of bus te stappen en de weg weer vrij te maken en hij zei desgevraagd dat zij minimaal 60 kilometer per uur mochten rijden. Vervolgens stapten diverse personen in personenauto’s en reden weg. Kort daarna werden de bussen begeleid door een motorrijder en even later haakten ook enkele busjes van de mobiele eenheid aan.

De chauffeur van de achterste bus besloot de rit niet af te maken en terug te gaan. Daarop verlieten de passagiers deze bus en verdeelden zij zich over de twee andere bussen.

Om 10.45 uur gingen de voertuigen weer stapvoets rijden. De bussen hebben ongeveer 45 minuten stilgestaan. De bussen gingen weer rijden onder politiebegeleiding. De bussen reden niet naar Dokkum, maar in een andere richting. Bij Harlingen kregen de inzittenden van de bussen te horen dat ze niet naar Dokkum gingen omdat er een demonstratieverbod gold. De bussen werden toen door de politie begeleid naar Amsterdam.”

2.3

De verdachte in deze zaak is door het gerechtshof veroordeeld voor het “medeplegen van in het openbaar, bij geschrift, opruien tot enig strafbaar feit”, het “opzettelijk uitlokken van medeplegen van opzettelijk een openbare landweg versperren terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is”, het “opzettelijk uitlokken van medeplegen van door bedreiging met geweld een geoorloofde openbare vergadering of betoging verhinderen” en het “opzettelijk uitlokken van medeplegen van een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden”, tot een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de verdachte (tezamen en in vereniging met een ander) heeft opgeruid in de zin van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) tot het plegen van de in de bewezenverklaring onder 1 genoemde feiten.

3.2.1

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 15 november 2017 tot en met 18 november 2017, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, in het openbaar mondeling, bij geschrift tot enig strafbaar feit heeft opgeruid,

immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander,

- nadat de Burgemeester van de gemeente Dongeradeel (zakelijk weergegeven) de ‘Stichting […]’ had geoorloofd, gedurende het evenement van de landelijke intocht van Sinterklaas in Dokkum, een (anti-zwarte Piet) betoging, te weten een dynamische demonstratie (demonstratiemars) en een statische demonstratie, te houden (zie map 1, p. 205), personen opzettelijk aangezet tot en/of opgestookt tot

A.

- het opzettelijk versperren van enige openbare landweg, te weten een snelweg in de provincie Fryslân (strafbaar gesteld in artikel 162 van het Wetboek van Strafrecht ) en

B.

- het door bedreiging met geweld verhinderen van een geoorloofde betoging (strafbaar gesteld in artikel 143 van het Wetboek van Strafrecht ) en

C.

- een ander door bedreiging met geweld, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen derden, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden (strafbaar gesteld in artikel 284 onder 1 van het Wetboek van Strafrecht ),

door tezamen en in vereniging, via de sociaalnetwerksite Facebook een zogenoemde "event" op te starten onder de naam "Project P" en daarin de volgende oproep en tekst te vermelden: “Aankomende zaterdagmorgen komen er bussen met onruststokers uit Amsterdam en Rotterdam naar Dokkum voor een protestmars en anti Zwarte Piet demo langs de route van de Sint" en

"We roepen elke oprechte Fries op om zich zaterdagmorgen om 8.30 uur met de Friese vlag te verzamelen op onderstaande locaties bij de Friese grens en bij de centrale as naar Dokkum " en

"De organisatie zal het vertrek van de onruststokers (ook live) volgen en updates van routes en tijden op de FB pagina zetten. Wij kunnen dan op tijd massaal met Friese vlaggen de (snel)wegen op en om ze te vertragen/verjagen zodat onze kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest vieren kunnen in Dokkum" en

"Kom met auto, vrachtwagen, motor, trekker en paard en wagen om de onruststokers te laten zien dat dit geouwehoer hier niet welkom is " en

"Meld je aan voor dit evenement, tag alle oprechte Friezen en "Grutte Pieren" die je kent en scheur de Friese vlag alvast van de muur!" en

"Begeef jullie zaterdag om 8.30 uur naar de verzamelplekken en volg vanaf 7.00 uur de berichten in dit evenement o.a. voor nieuwere instructies over de route" en "LOCATIES Routiers Zurich"en/of "MC Donalds de Lemmer" en/of "Centrale as" en "Mobiliseer je kaats-, voetbal-, haak- en bikerclub. Gooi het in de buurt en familie whatsapp en laat zaterdag iedereen weten: Wij zijn project P - van Grote Pier (Piet) en Zwarte Piet!, (in onderling verband en samenhang bezien met de gehele tekst zoals weergegeven op p. 32 en 33), zulks terwijl meerdere personen gevolg hebben gegeven aan die oproep.”

3.2.2

Met betrekking tot de bewezenverklaring onder 1 heeft het hof het volgende overwogen:

“Juridisch kader

Met de term opruiing wordt - voor zover hier van belang - bedoeld dat wordt geprobeerd om anderen een feit te laten plegen dat als strafbaar feit kan worden beschouwd. Anders gezegd is opruiing het bij anderen opwekken van de gedachte aan het plegen van een strafbaar feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het opwekken van het verlangen om dat feit te bewerkstelligen. Het belang van strafbaarstelling van opruiing is blijkens de opname van het artikel in Titel V van het Wetboek van Strafrecht gelegen in de bescherming van de openbare orde.

Voor opruiing is niet vereist dat de opruier wist dat hij opriep tot een feit dat strafbaar is. Ook is niet vereist dat degene tot wie de aansporing is gericht wist dat het feit waartoe wordt opgeruid strafbaar is.

De opruiing dient in het openbaar plaats te vinden op mondelinge wijze, bij afbeelding of bij geschrift. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waarop de teksten zijn weergegeven. Door het plaatsen van uitlatingen op voor het publiek toegankelijke sociale media worden deze in de openbaarheid gebracht.

Het strafbare feit waartoe wordt opgeruid, moet rechtstreeks in het geschrift zijn aangeduid, maar daarbij hoeven niet de woorden van de strafwet te zijn gebruikt. Een herkenbare omschrijving van het feit waartoe wordt opgeruid volstaat. Daarbij kan worden gekeken naar de gehele inhoud van het geschrift en de strekking daarvan. Uit de omschrijving van de handelingen in de tenlastelegging moet voldoende blijken dat de handelingen waartoe is opgeroepen, indien zij waren uitgevoerd, een strafbaar feit zouden opleveren. Om tot een bewezenverklaring van opruiing te komen, is niet vereist dat de opruiing enig gevolg heeft gehad. Ook is niet vereist dat komt vast te staan dat redelijkerwijs waarschijnlijk is te achten dat het strafbare feit, waartoe is opgeruid, zal plaatsvinden.

In het delict opruiing ligt het opzet van de opruier op het laten plegen van een strafbaar feit besloten. Anders dan bij uitlokking, waarbij de uitlokker opzet moet hebben op zowel het aanzetten van een ander een delict te begaan als op alle bestanddelen van een delict waartoe hij uitlokt, hoeft de opruier niet op elk afzonderlijk bestanddeel van het strafbare feit waartoe hij opruit opzet te hebben. Daarbij is van belang dat bij uitlokking het beschermde belang van de strafbaarstelling afhankelijk is van de aard van het delict waartoe wordt uitgelokt en dat bij opruiing sprake is van een gevaarzettingsdelict waarbij het beschermd belang in alle gevallen – ongeacht het strafbare feit waartoe wordt opgeroepen – is gelegen in de bescherming van de openbare orde. Dat het opzet van de opruier slechts in meer algemene generieke zin moet zijn gericht op het strafbare feit waartoe wordt opgeruid, past voorts in de wetssystematiek en de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad waarin – zoals hierboven reeds geschetst – in de tenlastelegging van opruiing kan worden volstaan met slechts een herkenbare omschrijving van het strafbare feit waartoe wordt opgeruid.

Ook degene die met zijn uitlating willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitlating derden zou kunnen bewegen tot het plegen van een strafbaar feit, handelt opzettelijk (in de vorm van voorwaardelijk opzet).

Of sprake is van een opruiende uitlating hangt onder meer af van de bewoordingen en de context waarin de uitlating is gedaan, de kennelijke bedoeling van de uitlating, de plaats waar en de gelegenheid waarbij de uitlating is gedaan en de doelgroep tot wie de uitlating kennelijk is gericht.

Oordeel hof

Zoals uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt, heeft [betrokkene 3] aanvankelijk op Facebook een event aangemaakt genaamd “Kick Out Kick Out Zwarte Piet”, waarin hij heeft opgeroepen langzaam te gaan rijden op de toegangswegen naar Dokkum. Verdachte heeft een filmpje opgenomen en op internet gezet en dit filmpje is toegevoegd aan het event van [betrokkene 3]. Na overleg tussen verdachte en [betrokkene 3] is de naam van het event veranderd in ‘Project P’ en is de tekst geplaatst zoals is ten laste gelegd. Ter zitting van de rechtbank heeft verdachte verklaard dat zij deze tekst als organisator mede naar buiten heeft gebracht. Het filmpje van verdachte had eenzelfde strekking als de tekst van de uiteindelijke oproep. In het filmpje heeft verdachte opgeroepen het event te delen en om gevolg te geven aan de daarin vermelde oproep.

Het verwijt dat verdachte onder 1 wordt gemaakt ziet blijkens de tenlastelegging op het opstarten van dat event op Facebook genaamd ‘Project P’ waarin (vertaald vanuit het Fries) “elke oprechte Fries” wordt opgeroepen om zich op een bepaalde dag en tijdstip, op één van de genoemde locaties te verzamelen, om vervolgens “massaal” de (snel)weg op te gaan om “de onruststokers” te vertragen/verjagen, “zodat onze kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest kunnen vieren in Dokkum”.

(...)

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verdachte en [betrokkene 3] zich door het plaatsen van die oproep aan opruiing hebben schuldig gemaakt.

In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat bewezen kan worden dat de oproep in het openbaar bij geschrift is gedaan.

Voorts is van belang dat anderen in deze oproep rechtstreeks worden aangespoord om zich op een aantal specifiek genoemde locaties, op een concreet tijdstip te verzamelen, om daarna massaal de (snel)wegen op te rijden om de bussen te vertragen en/of te verhinderen, of - zoals de raadsman heeft aangegeven - te vertragen en/of verjagen. Het hof neemt - zoals hierboven overwogen - van de raadsman aan dat de oorspronkelijke Friese tekst inhoudende het woord ‘ferjeien’ vertaald had moeten worden met ‘verjagen’. Dit maakt het oordeel van het hof echter niet anders. Ook als wordt uitgegaan van de oorspronkelijke Friese tekst, houdt de oproep hoe dan ook een aanmoediging in om met het gebruik van voertuigen te voorkomen dat de demonstranten in Dokkum aankomen. Dat is de kern van de oproep.

Naar het oordeel van het hof heeft de oproep een opruiende strekking. In de oproep wordt onmiskenbaar opgeroepen tot het verhinderen van een (geoorloofde) betoging, zoals is ten laste gelegd onder 1B, maar (meer impliciet) ook tot de onder IA en 1C genoemde strafbare feiten. De oproep om (massaal) met voertuigen de weg op te gaan met het doel te voorkomen dat de demonstranten in Dokkum aankomen, kan immers niet anders worden begrepen dan als een aanmoediging om de demonstranten - hoe dan ook - de weg te versperren en hen aldus te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden.

Dat verdachte heeft gesteld ‘slechts’ een langzaamaanactie voor ogen te hebben gehad, maakt het voorgaande niet anders. Hoewel verdachte stelt die bedoeling niet te hebben gehad, moet zij hebben kunnen begrijpen, en heeft zij in elk geval welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard, dat anderen de tekst in de oproep zouden opvatten als een aansporing om voornoemde strafbare feiten te plegen. Verdachte heeft anderen bewust opgeroepen om zich te verzamelen en massaal met voertuigen de weg op te gaan, met het doel om te voorkomen dat een specifieke groep zijn eindbestemming zou bereiken. Zij heeft deze oproep (samen met [betrokkene 3]) op Facebook geplaatst en daarmee de uitvoering van de actie volledig uit handen gegeven. Door op die manier te handelen heeft verdachte de kans dat haar uitlatingen anderen tot strafbaar gedrag zouden bewegen, op de koop toegenomen. De handelingen van verdachte van na die oproep, zoals dat verdachte in de ochtend van 18 november 2017 op Facebook een bericht heeft geplaatst inhoudende “Geen ongelukken veroorzaken! Hou het veilig!”, maakt het voorgaande niet anders. Uit berichten die verdachte in de avond van 17 november 2017 in de groepschat op Facebook heeft geplaatst, kan juist worden afgeleid dat zij volhard heeft in die oproep.

Gezien het voorgaande is aan alle voorwaarden voor een bewezenverklaring van opruiing, zoals ten laste gelegd onder feit 1, voldaan.”

3.3.1

Artikel 131 lid 1 Sr luidt:

“Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.”

3.3.2

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 131 Sr . Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘opruiing’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.

3.4

Bij de beoordeling of de door een verdachte gedane uitingen aansporen tot enig strafbaar feit en dus ‘opruiend’ zijn in de zin van artikel 131 Sr , komt betekenis toe aan de inhoud en de strekking van de gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien, alsmede de context waarin deze uitingen aan het publiek zijn geopenbaard.

3.5

Het hof heeft bij de beoordeling van het opruiende karakter van het geschrift – het (samen met [betrokkene 3]) op Facebook geplaatste bericht – tot uitgangspunt genomen dat een herkenbare omschrijving van het feit waartoe wordt opgeruid volstaat en dat daarbij kan worden gekeken naar de gehele inhoud van het geschrift, de strekking daarvan en de context waarin de uiting is gedaan. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat in de oproep van de verdachte anderen rechtstreeks worden aangespoord om zich op een aantal specifiek genoemde locaties en op een concreet tijdstip te verzamelen, om vervolgens massaal de (snel)wegen op te rijden om de bussen met demonstranten te vertragen en/of te verjagen en te voorkomen dat zij in Dokkum zouden aankomen. Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat de oproep een opruiende strekking heeft omdat onmiskenbaar wordt opgeroepen tot het verhinderen van een (geoorloofde) betoging en de oproep niet anders kan worden begrepen dan als een aanmoediging om de demonstranten – hoe dan ook – de weg te versperren en hen zo te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden. Dat oordeel getuigt, gelet op wat onder 3.4 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

3.6

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.

4 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof wat betreft de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de daarin voorkomende, aan artikel 162, aanhef en onder 1 °, Sr ontleende term ‘terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was’, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is.

4.2.1

Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging onder 2 bewezenverklaard dat:

“een groot aantal personen op 18 november 2017, op de Rijksweg A7, nabij Oudehaske in de richting van Heerenveen, in elk geval in de gemeente De Fryske Marren, tezamen en in vereniging met elkaar, opzettelijk enige openbare landweg, te weten de snelweg Rijksweg A7, hebben versperd, immers hebben zij op die Rijksweg A7,

- zich als bestuurder en/of inzittende van een motorrijtuig gegroepeerd/verzameld voor en/of achter en/of bij een of meerdere op de Rijksweg A7 rijdende autobussen, met daarin onder meer demonstranten en

- als bestuurder van dat motorrijtuig in die groep motorrijtuigen, daarmee rijdende over die Rijksweg A7, nabij Oudehaske, geremd, en vervolgens dat motorrijtuig tot stilstand gebracht

of

- als inzittende van een motorrijtuig zich in die groep motorrijtuigen doen en/of laten vervoeren/verplaatsen naar de plaats op die Rijksweg A7 nabij Oudehaske alwaar snelheid werd geminderd en vervolgens die groep motorrijtuigen tot stilstand kwam,

ten gevolge waarvan bestuurders van die autobussen en/of een of meer andere op die Rijksweg A7 aanwezige bestuurder(s) van motorrijtuigen ter voorkoming van een aanrijding en/of botsing genoodzaakt werden (met) de door hen bestuurde motorrijtuig(en) te remmen en vervolgens tot stilstand te brengen, en vervolgens nabij Oudehaske

- het motorrijtuig welke verdachte bestuurde en/of in welke verdachte was gezeten, op de rijbaan en/of de vluchtstrook van die Rijksweg A7 doen en/of laten (stil)staan en/of

- zich als voetganger op die Rijksweg A7 begeven en/of

- als voetganger zich op die Rijksweg A7 voor en/of bij die autobussen en een of meer zich achter of bij die autobussen bevindende en stilstaande motorrijtuigen gegroepeerd/verzameld en/of aldaar rondgelopen en zodoende die bestuurders en/of inzittenden van die autobussen en die een of meer zich achter en/of bij die autobussen bevindende motorrijtuigen gedwongen te stoppen en/of de vrije doorgang belet en belemmerd en/of verhinderd hun reis te vervolgen, waardoor die Rijksweg A7 voor het bestemde gebruik niet meer toegankelijk was en een file is ontstaan en zodoende die Rijksweg A7 voor enige tijd (ongeveer 45 minuten) is versperd, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was;

welk feit verdachte in de periode van 15 november 2017 tot en met 18 november 2017, in Nederland, door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, door via de sociaalnetwerksite Facebook een zogenoemde "event" op te starten onder de naam "Project P" en daarin de volgende oproep en/of tekst te vermelden:

"Aankomende zaterdagmorgen komen er bussen met onruststokers uit Amsterdam en Rotterdam naar Dokkum voor een protestmars en anti Zwarte Piet demo langs de route van de Sint" en

"We roepen elke oprechte Fries op om zich zaterdagmorgen om 8.30 uur met de Friese vlag te verzamelen op onderstaande locaties bij de Friese grens en bij de centrale as naar Dokkum" en

"De organisatie zal het vertrek van de onruststokers (ook live) volgen en updates van routes en tijden op de FB pagina zetten. Wij kunnen dan op tijd massaal met Friese vlaggen de (snel)wegen op en om ze te vertragen/verjagen zodat onze kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest vieren kunnen in Dokkum" en

"Kom met auto, vrachtwagen, motor, trekker en paard en wagen om de onruststokers te laten zien dat dit geouwehoer hier niet welkom is" en

"Meld je aan voor dit evenement, tag alle oprechte Friezen en "Grutte Pieren" die je kent en scheur de Friese vlag alvast van de muur!" en

"Begeef jullie zaterdag om 8.30 uur naar de verzamelplekken en volg vanaf 7.00 uur de berichten in dit evenement o.a. voor nieuwere instructies over de route" en "LOCATIES Routiers Zurich" en/of "MC Donalds De Lemmer" en/of "Centrale as" en/of "Mobiliseer je kaats-, voetbal-, haak- en bikerclub. Gooi het in de buurt en familie whatsapp en laat zaterdag iedereen weten: Wij zijn Project P - van Grote Pier (Piet) en Zwarte Piet!", (in onderling verband en samenhang bezien met de gehele tekst zoals weergegeven op p. 32 en 33).”

4.2.2

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder 2, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel relevant, het volgende overwogen:

“1) Is er sprake van het (door medeverdachten) medeplegen van het opzettelijk versperren van de A7, terwijl daarvan gevaar voor veiligheid van het verkeer te duchten was?

Onder het versperren van een weg moet worden verstaan het op een weg aanbrengen van een zodanige belemmering dat die weg niet toegankelijk is voor het bestemde gebruik. Onder versperren valt niet alleen de handeling waardoor de belemmering ontstaat, maar ook het niet opheffen of laten voortduren van die belemmering.

Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat medeverdachten zich met een gezamenlijk doel in de vroege ochtend van 18 november 2017 met auto’s op verschillende plekken hebben verzameld, waaronder bij het tankstation aan de A7 tussen Joure en Heerenveen, en dat deze auto’s gezamenlijk de weg op zijn gegaan toen de drie bussen met demonstranten naderden. Vervolgens werd er afgeremd en zijn er meerdere auto’s (en een motor) daar op de A7, vóór de bussen tot stilstand gekomen. De bussen moesten daardoor ook stoppen. De bussen stonden achter elkaar en er stonden auto’s vóór en tussen de bussen in. De auto’s stonden zo opgesteld over beide rijstroken én de vluchtstrook dat het overige verkeer niet kon passeren. Veel inzittenden hebben hun voertuig verlaten en zijn op de A7 gaan staan/lopen. Door de blokkade is een file ontstaan van ongeveer 3 kilometer en de bussen hebben uiteindelijk ongeveer 45 minuten stilgestaan.

De vraag of sprake was van het versperren van de A7 beantwoordt het hof gezien het voorgaande bevestigend. De strafbare belemmerende handeling in de onderhavige zaak heeft bestaan uit het tot stilstand brengen en laten stilstaan van diverse voertuigen op de A7 en het met meerdere personen tussen deze voertuigen gaan staan en lopen. Het geheel van voertuigen en personen maakt dat er sprake is geweest van een versperring.

(...)

Voor een bewezenverklaring is voorts van belang of door de versperring gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is geweest, zoals ten laste is gelegd in artikel 162 Sr .

Artikel 162 Sr is opgenomen in Titel VII van Boek II, Misdrijven, waardoor de algemene veiligheid wordt in gevaar gebracht. De toelichting bij het wetsvoorstel tot deze Titel houdt onder meer in:

"Gemeenschappelijk kenmerk van de hier ingedeelde misdrijven is het veroorzaken van gevaar, dat de algemeene veiligheid bedreigt en waarvan hij die het veroorzaakt onmogelijk vooraf den omvang kan berekenen of naar willekeur bepalen. Hoe afkeeriger men zich betoont van preventieve maatregelen, hoe meer men geneigd is ieder vrij te laten in zijne handelingen, des te krachtiger behoort de verantwoordelijkheid tegenover het publiek op den voorgrond te treden.

Of de dader zich regtstreeks van eene natuurkracht (vuur, water) bedient, of wel van voorwerpen van menschelijke kunst (een gebouw, vaartuig, spoortrein) is volkomen onverschillig. Hij kan opzettelijk of door schuld hebben gehandeld. Het gevaar kan goederen of menschen betreffen en zich al of niet hebben verwezenlijkt. Zoodra de handelingen waarvan de wet gevaar voor de algemeene veiligheid voorziet, zijn verrigt, is het misdrijf voltooid. Het opzet behoeft slechts gerigt te zijn op de in de wet omschreven handeling, afgescheiden van het gemeen gevaar en van de gevolgen voor bepaalde personen."

Artikel 162 Sr betreft een zogenoemd abstract gevaarzettingsdelict. Dit betekent dat er niet daadwerkelijk gevaar voor de veiligheid van het verkeer hoeft te zijn ontstaan, maar dat dergelijk gevaar ten tijde van de versperring naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Zoals uit het voorgaande blijkt, is niet vereist dat het om levensgevaar of gevaar voor (ernstig) letsel gaat, maar kan het ook gevaar voor schade aan voertuigen betreffen. Opzet op het te duchten gevaar hoeft niet te worden bewezen, nu dit gevolg aan het opzet is onttrokken.

Het hof stelt vast dat door het moedwillige handelen van medeverdachten het verkeer op de A7 volledig tot stilstand is gekomen en dat daardoor een file van meerdere kilometers is ontstaan, zonder dat het ging om een aangekondigde en/of vooraf aangeduide beperking of belemmering van de doorstroming van het verkeer.

Dit handelen levert te duchten gevaar voor de verkeersveiligheid op. Dat medeverdachten geleidelijk zouden hebben geremd en daarbij hun alarmlichten aan hadden, maakt dat niet anders. Ook kan in het midden blijven - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld en de verdediging heeft bepleit - of ter plaatse nu een maximumsnelheid van 130 km/u of 70 km/u gold. Het gaat er immers niet om dat het gevaar zich concreet heeft verwezenlijkt, maar of dat naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. Gezien het voorgaande was hiervan sprake.

Aldus kan wettig en overtuigend worden bewezen dat medeverdachten zich hebben schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk versperren van de A7, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was.”

4.3.1

Artikel 162, aanhef en onder 1 °, Sr luidt:

“Hij die opzettelijk enig werk dienende voor het openbaar verkeer of het luchtverkeer vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, enige openbare land- of waterweg verspert of een ten aanzien van zodanig werk of van zodanige weg genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:

1° met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is.”

4.3.2

De tenlastelegging is wat betreft het onder 2 tenlastegelegde feit toegesneden op artikel 162, aanhef en onder 1 °, Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was’ zijn gebruikt in de betekenis die die woorden hebben in die bepaling.

4.4

In artikel 162 Sr is straf bedreigd tegen onder anderen degene die opzettelijk enige openbare land- of waterweg verspert terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is. Om het gevaar voor de veiligheid van het verkeer te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat ten tijde van het versperren van de openbare land- of waterweg naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest dat gevaar voor de veiligheid van het verkeer – daaronder is te verstaan: de veiligheid van verkeersdeelnemers en/of hun voertuigen – te duchten was. Dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband dus niet van belang.

4.5

De bewijsvoering van het hof houdt onder meer in dat de mededaders hun voertuigen zodanig opstelden dat beide rijstroken en de vluchtstrook werden geblokkeerd en andere voertuigen niet konden passeren, zonder dat het ging om een aangekondigde en/of vooraf aangeduide beperking of belemmering van de doorstroming van het verkeer, dat meerdere mededaders vervolgens hun voertuig hebben verlaten en op de A7 zijn gaan staan en lopen, waardoor het verkeer op de A7 volledig tot stilstand is gekomen en een file is ontstaan. Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat ten tijde van de versperring naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest dat gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was en dat dit gevaar ook gevaar voor schade aan voertuigen omvat. Dat oordeel getuigt – gelet op wat onder 4.4 is vooropgesteld – niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

4.6

Het cassatiemiddel faalt.

5 Beoordeling van het zesde cassatiemiddel

5.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de bewezenverklaarde gedragingen onder 3 “bedreiging met geweld” als bedoeld in artikel 143 Sr opleveren.

5.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

“een groot aantal personen op 18 november 2017, op de Rijksweg A7, nabij Oudehaske in de richting van Heerenveen, tezamen en in vereniging met elkaar, door bedreiging met geweld een geoorloofde betoging hebben verhinderd, immers hebben zij

- nadat de Burgemeester van de gemeente Dongeradeel (zakelijk weergegeven) de stichting '[…]' had toegestaan, gedurende het evenement van de landelijke intocht van Sinterklaas in Dokkum, een (anti-zwarte Piet) betoging, te weten een dynamische demonstratie (demonstratiemars) en een statische demonstratie, te houden (zie map 1, p. 205) en

- nadat de (anti-zwarte Piet) demonstranten van de ‘Stichting […]’ zich in autobussen over de Rijksweg A7 nabij Oudehaske in de richting van Dokkum hadden begeven op weg naar die geoorloofde betoging, als bestuurder(s) en/of inzittende(n) van motorrijtuigen zich op de Rijksweg A7 gegroepeerd/verzameld voor en/of achter en/of bij op die weg rijdende autobussen met (anti-zwarte Piet) demonstranten en vervolgens

- op die Rijksweg A7 nabij Oudehaske, geremd, en vervolgens dat motorrijtuig tot stilstand gebracht of

- als inzittende van een motorrijtuig zich doen en/of laten vervoeren/verplaatsen naar de plaats op die Rijksweg A7 nabij Oudehaske alwaar werd geremd en vervolgens die groep motorrijtuigen tot stilstand kwam,

ten gevolge waarvan bestuurders van die autobussen en/of een of meer andere op die Rijksweg A7 aanwezige bestuurder(s) van motorrijtuigen ter voorkoming van een aanrijding en/of botsing genoodzaakt werden (met) de door hen bestuurde motorrijtuig(en) te remmen en deze tot stilstand te brengen, en vervolgens nabij Oudehaske

- het motorrijtuig op de rijbaan en/of de vluchtstrook van die Rijksweg A7 doen of laten parkeren/staan en/of

- het motorrijtuig op de Rijksweg A7 verlaten en/of

- zich als voetganger op die Rijksweg A7 begeven en/of

- als voetganger zich op die Rijksweg A7 voor en/of bij die autobussen en een of meer zich achter of bij die autobussen bevindende en stilstaande motorrijtuigen gegroepeerd/verzameld en/of aldaar rondgelopen en zodoende die inzittenden van die autobussen, te weten die (anti-zwarte Piet) demonstranten,

- de vrije doorgang heeft belet en/of belemmerd en

- enige tijd heeft verhinderd hun reis naar Dokkum te vervolgen en/of

- enige tijd heeft verhinderd dat werd gereden in de richting van de plaats hunner bestemming, te weten de geplande (anti-zwarte Piet)betoging te Dokkum, en/of

- heeft gedwongen te dulden dat zij voor enige tijd in een file terecht kwamen,

en hebben bewerkstelligd dat die inzittenden van die autobussen zodanige vertraging ondervonden, zodat werd verhinderd dat zij de geplande en geoorloofde (anti-zwarte Piet)betoging in Dokkum (tijdig) konden bereiken, waardoor het recht om in Dokkum een betoging te houden niet kon worden verwezenlijkt,

en bestaande die bedreiging met geweld uit het tezamen en in vereniging met anderen,

- over de vluchtstrook inhalen van een of meer van die autobus(sen) met (anti-zwarte Piet) demonstranten en/of

- afremmen en snelheid minderen voor een of meer van die autobus(sen) met (anti-zwarte Piet) demonstranten en

- het tot stilstand brengen van die autobussen met (anti-zwarte Piet) demonstranten op die Rijksweg A7 en

- blokkeren van die Rijksweg A7, door meerdere motorrijtuigen op de rijbanen en vluchtstrook van die Rijksweg A7 te parkeren/plaatsen en/of

- zwaaien met de (gebalde) vuisten richting de autobussen en/of het omhoog houden van de/een arm(en), en/of

- slaan tegen een of meerdere autobus(sen);

welk feit verdachte in de periode van 15 november 2017 tot en met 18 november 2017, in Nederland, door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, door via de sociaalnetwerksite Facebook een zogenoemde "event" op te starten onder de naam "Project P" en daarin de volgende oproep en/of tekst te vermelden:

"Aankomende zaterdagmorgen komen er bussen met onruststokers uit Amsterdam en Rotterdam naar Dokkum voor een protestmars en anti Zwarte Piet demo langs de route van de Sint" en

"We roepen elke oprechte Fries op om zich zaterdagmorgen om 8.30 uur met de Friese vlag te verzamelen op onderstaande locaties bij de Friese grens en bij de centrale as naar Dokkum" en

"De organisatie zal het vertrek van de onruststokers (ook live) volgen en updates van routes en tijden op de FB pagina zetten. Wij kunnen dan op tijd massaal met Friese vlaggen de (snel)wegen op en om ze te vertragen/verjagen zodat onze kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest vieren kunnen in Dokkum" en

"Kom met auto, vrachtwagen, motor, trekker en paard en wagen om de onruststokers te laten zien dat dit geouwehoer hier niet welkom is" en

"Meld je aan voor dit evenement, tag alle oprechte Friezen en "Grutte Pieren" die je kent en scheur de Friese vlag alvast van de muur!" en

"Begeef jullie zaterdag om 8.30 uur naar de verzamelplekken en volg vanaf 7.00 uur de berichten in dit evenement o.a. voor nieuwere instructies over de route" en "LOCATIES Routiers Zurich" en/of "MC Donalds De Lemmer" en/of "Centrale as" en/of "Mobiliseer je kaats-, voetbal-, haak- en bikerclub. Gooi het in de buurt en familie whatsapp en laat zaterdag iedereen weten: Wij zijn Project P - van Grote Pier (Piet) en Zwarte Piet!", (in onderling verband en samenhang bezien met de gehele tekst zoals weergegeven op p. 32 en 33).”

5.2.2

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder 3, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel relevant, het volgende overwogen:

“1) Is er sprake van het (door medeverdachten) medeplegen van door geweld of bedreiging met geweld verhinderen van een geoorloofde betoging?

Artikel 143 Sr ziet op bescherming van de openbare orde, toegespitst op (vergaderingen en) betogingen. Opzet ligt besloten in de delictshandeling ‘het door geweld of bedreiging met geweld verhinderen’. Opzet op het geoorloofde karakter van de betoging hoeft er niet te zijn. Indien wordt bewezen dat het handelen van de medeverdachten als “geweld of bedreiging met geweld” kan worden aangemerkt, dient nog te worden vastgesteld dat dát ook de oorzaak is geweest van het niet doorgaan van de betoging. Onder verhinderen valt zowel het van de aanvang af niet laten doorgaan van de betoging (door geweld of bedreiging daarmee) als het verstoren van een reeds aangevangen betoging, zodanig dat deze niet tot het einde gevoerd kan worden.

Ten aanzien van de vraag of sprake is van geweld of bedreiging met geweld, is het volgende van belang.

Blijkens de tekst ziet het in de tenlastelegging omschreven feit op de situatie op de A7. Uit de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat medeverdachten in auto’s de bussen van de demonstranten die op de A7 onderweg waren naar Dokkum hebben ingehaald, dat zij snelheid hebben geminderd en op die manier de bussen tot stilstand hebben gebracht. Door meerdere auto’s en een motor op de rijbaan en de vluchtstrook te plaatsen is de A7 geblokkeerd. Verder is gebleken dat er met (gebalde) vuisten en/of omhoog geheven armen (richting de bussen) is gezwaaid en dat er tegen één of meerdere autobussen is geslagen.

Deze handelingen zijn in de tenlastelegging opgenomen en kunnen als zodanig worden bewezen. Van de overige handelingen is niet komen vast te staan dat deze op de A7 hebben plaatsgevonden, zodat ten aanzien daarvan vrijspraak zal volgen.

Met betrekking tot de wel bewezen onderdelen, zoals hiervoor genoemd, dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of dit handelen als (bedreiging met) geweld kan worden aangemerkt.

Anders dan de rechtbank beantwoordt het hof deze vraag bevestigend, in die zin dat het handelen zoals hiervoor omschreven kan worden aangemerkt als een bedreiging met geweld jegens de demonstranten. Hiertoe acht het hof ten eerste van belang dat de demonstranten op weg waren naar een bijeenkomst waarvan bekend was dat zij - op z’n zachtst gezegd - niet met open armen zouden worden ontvangen. De capriolen die door een bestelbus en een motorrijder op de A6 werden uitgehaald, bestaande uit onder meer het afsnijden van de bussen en het zeer abrupt remmen vlak voor de bussen, moeten hen in dat gevoel hebben bevestigd en hebben gemaakt dat van een beladen sfeer sprake was, hetgeen ook blijkt uit de verklaringen van een van de buschauffeurs en van een aantal inzittenden in de bussen. Vervolgens zagen de inzittenden van de bussen op de A7 dat er vanaf het tankstation ongeveer 15 auto’s de weg opkwamen en dat zij door die auto’s (en een motor) werden omsloten. De voertuigen werden afgeremd en tot stilstand gebracht, waardoor ook de bussen werden gedwongen om op de snelweg tot stilstand te komen. Dit gebeuren alleen al moet gezien de hiervoor geschetste achtergrond voor de inzittenden van de bussen bedreigend zijn geweest. Dit is vervolgens nog eens versterkt doordat een groot aantal personen is uitgestapt en richting de bussen is gelopen. Er zijn daarbij armbewegingen gemaakt en er is op de bus(sen) geslagen. Het kan niet anders zijn dan dat dit gedrag bij de demonstranten angst moet hebben ingeboezemd. Dat dit inderdaad zo is, blijkt uit de aangiftes en de uitoefening van het spreekrecht.

Het hof is met het openbaar ministerie van oordeel dat het op genoemde wijze opzettelijk creëren van een dergelijke gevaarlijke situatie niet anders dan als bedreiging met geweld kan worden gezien. Het gaat daarbij om alle genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien. Voormelde handelingen zijn tegen de geschetste achtergrond van zodanig intimiderende aard, dat bij de demonstranten de redelijke vrees kon ontstaan dat hen werkelijk (fysiek) geweld zou worden aangedaan. Derhalve komt het hof tot een bewezenverklaring van het onderdeel in de tenlastelegging “door bedreiging met geweld”.”

5.3.1

Artikel 143 Sr luidt:

“Hij die door geweld of bedreiging met geweld een geoorloofde openbare vergadering of betoging verhindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van de derde categorie.”

5.3.2

De tenlastelegging is wat betreft het onder 3 tenlastegelegde feit toegesneden op artikel 143 Sr . Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘bedreiging met geweld’ zijn gebruikt in de betekenis die die woorden hebben in die bepaling.

5.4

Voor een veroordeling wegens het door ‘bedreiging met geweld’ verhinderen van een geoorloofde openbare vergadering of betoging is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat geweld zou worden gepleegd. Dat geweld kan zowel geweld tegen personen als geweld tegen goederen betreffen.

5.5

Het hof heeft – kort gezegd – vastgesteld dat de mededaders met ongeveer vijftien voertuigen de snelweg op zijn gekomen, dat zij de bussen met daarin de demonstranten hebben ingehaald en hebben omsloten, dat zij snelheid hebben geminderd en op die manier de bussen gedwongen tot stilstand hebben gebracht, waardoor de A7 was geblokkeerd. Het hof heeft ook vastgesteld dat vervolgens ‘met (gebalde) vuisten en/of omhoog geheven armen’ richting de bussen is gezwaaid en dat tegen één of meerdere autobussen is geslagen. Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld – mede in het licht van de eerdere gebeurtenissen op de A6 – dat door deze gedragingen van de mededaders bij de demonstranten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat geweld zou worden gebruikt. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip ‘bedreiging met geweld’ als bedoeld in artikel 143 Sr en is, mede gelet op de bewijsvoering, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

5.6

Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

6 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

7 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

7.1

Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis.

7.2

De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

8 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast;

- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature