E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2020:2020
Hoge Raad, 20/00124

Inhoudsindicatie:

Blokkeerfriezen bij landelijke intocht van Sinterklaas in Dokkum in 2017. Medeplegen opruiing (art. 131.1 Sr), uitlokking van medeplegen versperring van snelweg, terwijl daarvan gevaar voor veiligheid van verkeer te duchten is (art. 162.1 Sr) en uitlokking van medeplegen door bedreiging met geweld geoorloofde betoging verhinderen (art. 143 Sr). 1. Heeft verdachte ‘opgeruid’ tot versperring snelweg, verhindering geoorloofde betoging en dwang a.b.i. art. 131 Sr? 2. Uitleg woorden ‘terwijl daarvan gevaar voor veiligheid van verkeer te duchten was’ a.b.i. art. 162 Sr. 3. Leveren bewezenverklaarde gedragingen ‘bedreiging met geweld’ a.b.i. art. 143 Sr op? 4. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. Bij beoordeling of door verdachte gedane uitingen aansporen tot enig strafbaar feit en dus ‘opruiend’ zijn in de zin van art. 131 Sr, komt betekenis toe aan inhoud en strekking van gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien en context waarin deze uitingen aan publiek zijn geopenbaard. Hof heeft bij beoordeling van opruiend karakter van op Facebook geplaatst bericht tot uitgangspunt genomen dat herkenbare omschrijving van feit waartoe wordt opgeruid volstaat en dat daarbij kan worden gekeken naar gehele inhoud van geschrift, strekking daarvan en context waarin uiting is gedaan. Hof heeft vastgesteld dat in oproep van verdachte anderen rechtstreeks worden aangespoord om zich op specifiek genoemde locaties en op concreet tijdstip te verzamelen, om vervolgens massaal (snel)wegen op te rijden om bussen met demonstranten te vertragen en/of te verjagen en te voorkomen dat zij in Dokkum zouden aankomen. Op grond hiervan heeft hof geoordeeld dat oproep opruiende strekking heeft, omdat onmiskenbaar wordt opgeroepen tot verhinderen van (geoorloofde) betoging en oproep niet anders kan worden begrepen dan als aanmoediging om demonstranten weg te versperren en hen zo te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Ad 2. In art. 162 Sr is straf bedreigd tegen o.a. degene die opzettelijk enige openbare land- of waterweg verspert terwijl daarvan gevaar voor veiligheid van verkeer te duchten is. Om gevaar voor veiligheid van verkeer te kunnen aannemen, is vereist dat uit inhoud van wettige b.m. volgt dat t.t.v. versperren van openbare land- of waterweg naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest dat gevaar voor veiligheid van verkeer (verkeersdeelnemers en/of hun voertuigen) te duchten was. Dat dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband dus niet van belang. ‘s Hofs bewijsvoering houdt in dat mededaders hun voertuigen zodanig opstelden dat beide rijstroken en vluchtstrook werden geblokkeerd en andere voertuigen niet konden passeren, zonder dat het ging om aangekondigde en/of vooraf aangeduide beperking of belemmering van doorstroming van verkeer, dat meerdere mededaders vervolgens hun voertuig hebben verlaten en op A7 zijn gaan staan en lopen, waardoor verkeer op A7 volledig tot stilstand is gekomen en file is ontstaan. Op grond hiervan heeft hof geoordeeld dat t.t.v. versperring naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest dat gevaar voor veiligheid van verkeer te duchten was en dat dit gevaar ook gevaar voor schade aan voertuigen omvat. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Ad 3. Voor veroordeling wegens het door ‘bedreiging met geweld’ verhinderen van geoorloofde openbare vergadering of betoging is vereist dat bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij betrokkene in redelijkheid vrees kon ontstaan dat geweld zou worden gepleegd. Dat geweld kan zowel geweld tegen personen als geweld tegen goederen betreffen. Hof heeft vastgesteld dat mededaders met ongeveer 15 voertuigen snelweg op zijn gekomen, dat zij bussen met daarin demonstranten hebben ingehaald en hebben omsloten, dat zij snelheid hebben geminderd en op die manier bussen gedwongen tot stilstand hebben gebracht, waardoor A7 was geblokkeerd, dat vervolgens ‘met (gebalde) vuisten en/of omhoog geheven armen’ richting bussen is gezwaaid en dat tegen 1 of meerdere autobussen is geslagen. Op grond hiervan heeft hof geoordeeld (mede in het licht van eerdere gebeurtenissen op A6) dat door deze gedragingen van mededaders bij demonstranten in redelijkheid vrees kon ontstaan dat geweld zou worden gebruikt. Dit oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting over begrip ‘bedreiging met geweld’ a.b.i. art. 143 Sr en is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Ad 4. HR ambtshalve: HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Samenhang met 19/05178, 19/05179, 19/05180, 19/05181 en 19/05204.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie