< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Huwelijksvermogensrecht. Procesrecht. Art. 1:141 BW. Verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden; bewijslastverdeling (art. 1:141 lid 3 BW). Pensioenverevening; af te storten pensioenbijdrage.

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/01954

Datum 16 oktober 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

[de vrouw] ,wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het (deels voorwaardelijk) incidentele cassatieberoep,

hierna: de vrouw,

advocaat: J. van Duijvendijk-Brand,

tegen

[de man] ,wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het (deels voorwaardelijk) incidentele cassatieberoep,

hierna: de man,

advocaat: H.J.W. Alt.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

de beschikkingen in de zaak 242704 van de rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2008, 29 april 2009, 14 oktober 2009, 13 januari 2010, 26 mei 2010, 23 februari 2011, 25 januari 2012, 6 november 2013, 9 april 2014, 17 december 2014 en 1 september 2017;

de beschikking in de zaak 200.227.541 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 januari 2019.

De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Tevens heeft de vrouw na ontvangst van het proces-verbaal van zitting bij het hof een aanvullend cassatierekest ingediend.

De man heeft (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest, het aanvullend cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep en in het onvoorwaardelijke deel van het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 januari 2019 op het onder 2.35 in de conclusie genoemde punt en tot verwijzing.

De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 1971 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

(ii) In 1989 zijn partijen bij notariële akte huwelijkse voorwaarden overeengekomen, onder meer inhoudende:

“(...) Artikel 1.

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

(...)

artikel 8.

lid 1

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto inkomsten uit arbeid in de zin van lid 3 van dit artikel, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft, onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld.

lid 2

Onder inkomsten uit arbeid worden mede begrepen uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenuitkeringen, alsmede opgenomen winst uit zelfstandig uitgeoefend beroep en bedrijf.

lid 3

Onder netto-inkomsten uit arbeid wordt verstaan de inkomsten uit arbeid na aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing, volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen.

Indien de totaal verschuldigde belasting op inkomen betrekking heeft op inkomstenbestanddelen, niet begrepen onder de inkomsten uit arbeid, wordt de door deze inkomensbestanddelen meer verschuldigde belasting dan zonder het bestaan van deze inkomensbestanddelen niet in de aftrek begrepen. (...)”

(iii) Het huwelijk van partijen is op 1 augustus 2008 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.2

De vrouw heeft, voor zover in cassatie van belang, verzocht de man te bevelen een beschrijving op te maken zoals bedoeld in art. 1:143 lid 1 BW met als peildatum 30 mei 2007, vast te stellen tot welke verrekening de man gehouden is en de man te veroordelen om het verschuldigde aan de vrouw te voldoen, als ook de man te bevelen de informatie over zijn pensioenpositie in het geding te brengen en de man te veroordelen om het kapitaal dat benodigd is voor de betaling van de aan de vrouw te betalen pensioenuitkeringen (het vereveningsdeel en het partnerpensioen), voor zover opgebouwd in de vennootschapen van de man af te storten onder een door de vrouw nog nader aan te wijzen verzekeraar.

De man heeft, voor zover in cassatie van belang, een verklaring voor recht verzocht dat de vrouw geen aanspraken heeft jegens de man op grond van het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding, behoudens de helft van de waarde van een kapitaalverzekering en behoudens de bereidheid van de man om (onverplicht) een bepaald bedrag uit te keren.

2.3

De rechtbank heeft over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden onder meer geoordeeld dat (i) de waarde van de aandelen in [A] Holding B.V. (hierna: [A]), de onderneming van de man, niet tot het tussen partijen te verrekenen vermogen behoort en (ii) de man dient over te gaan tot afstorting van het aandeel van de vrouw in het pensioen dat de man in eigen beheer heeft opgebouwd.

2.4

Het hof heeft evenals de rechtbank geoordeeld dat de waarde van de aandelen in [A] niet tot het tussen partijen te verrekenen vermogen behoort, en heeft daartoe als volgt overwogen:

“Aandelen [A] Holding B.V. en schuld Stork N.V.

5.12

In de akte huwelijkse voorwaarden zijn partijen een verdeling van hun gemeenschappelijk vermogen overeengekomen. Daarbij zijn de aandelen (31491 stuks, elk nominaal ƒ 100,-) in [A] Holding BV aan de man toegedeeld onder de verplichting de schuld aan Stork NV als eigen schuld te voldoen, zulks met vrijwaring van de vrouw voor haar aansprakelijkheid ter zake van deze schuld. In maart 1992 is de nominale waarde van de aandelen verminderd (zogenoemde kapitaalafstempeling) en is aan de man ƒ 2.500.000,- uitgekeerd. Partijen verschillen van mening of dit bedrag als uitgekeerde winst moet worden aangemerkt.

5.13

In grief III stelt de vrouw voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man de lening van ƒ 250.000,-, waarmee hij de aankoop van de aandelen in [A] heeft gefinancierd, uit niet te verrekenen inkomen heeft afgelost. Zij stelt dat de man niet heeft aangetoond dat hij de lening heeft afgelost uit niet te verrekenen inkomen. De man voert als verweer aan dat de lening is afgelost met het geld dat is vrijgekomen door de afstempeling van kapitaal.

5.14

Uit de brief van mr. J.H. Ribot van 16 juni 2009 volgt dat de vermindering van het aandelenkapitaal in 1992 mogelijk was door herwaardering van het aan [A] toebehorend onroerend goed, omdat dit aanzienlijk in waarde was gestegen. Het onroerend goed werd gewaardeerd op ƒ 4.871.000,- (…). Dit volgt ook uit de door de man overgelegde balans van 1991 (…). Vervolgens is het onroerend goed overgedragen aan [A] Beheer BV voor een bedrag van ƒ 4.871.000,-, waardoor binnen [A] Holding liquide middelen beschikbaar kwamen. Bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van [A] Holding van 13 december 1991 is besloten de statuten te wijzigen in die zin dat het nominale bedrag van de aandelen werd teruggebracht van ƒ 100,- naar ƒ 7,62. Op 13 maart 1992 zijn de statuten van [A] Holding bij akte gewijzigd en is overgegaan tot vermindering van het geplaatste kapitaal (…). Aan de man is vervolgens ongeveer ƒ 2.500.000,- uitgekeerd.

5.15

Naar het oordeel van het hof betreft het hier geen uitgekeerde winst zoals bedoeld in artikel 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden, maar een uitkering van een deel van de waarde van de aandelen. Immers, de waarde van de aandelen was gestegen als gevolg van een waardestijging van de in [A] Holding aanwezige activa en niet als gevolg van de door middel van ondernemingsactiviteiten behaalde winst.

5.16

Uit de akte van overdracht van de aandelen [A] volgt dat Stork NV aan de man een lening heeft verstrekt van ƒ 250.000,-. Tussen partijen is niet in geschil dat de man in april 1992 [Investments] BV (hierna: Investments) heeft opgericht en hetgeen hij ter zake van de afstempeling van kapitaal in [A] heeft ontvangen in Investments heeft geïnvesteerd. Uit de balans van 31 december 1992 van Investments (…) volgt dat het aandelenkapitaal in Investments is volgestort (ƒ 500.000,-) en de man een lening in rekening-courant van ƒ 1.890.746,- aan Investments heeft verstrekt. Uit een notitie van Moret Ernst & Young, die ziet op de VPB 1993 van Investments (…), volgt dat de man eind 1993 aan rente ƒ 104.625,- over die lening verschuldigd was.

Uit het historisch overzicht van de rekening met nummer 22.64.30.758 van Investments over de periode van 1 november 1993 tot en met 31 december 1993 (…) volgt dat op 21 december 1993 ter zake van de lening plus rente aan Stork NV ƒ 354.625,- is betaald. Uit de hiervoor genoemde notitie van Moret Ernst & Young volgt dat voormeld bedrag is verrekend met de rekening-courant van ƒ 1.890.746,- (van rekening-courant naar 22.64.30.758 op 20 december 1993). Naar het oordeel van het hof staat daarmee vast dat de lening (inclusief de rente) bij Stork NV uit het privévermogen van de man is voldaan.

5.17

Uit hetgeen hiervoor in 5.14 tot en met 5.16 is overwogen volgt dat het bedrag van ƒ 2.500.000,- dat in het kader van de afstempeling aan de man is uitgekeerd niet voor verrekening op de voet van artikel 1:141 lid 1 BW in aanmerking komt. Voorts volgt daaruit dat de aandelen [A], die in de akte van huwelijkse voorwaarden aan de man zijn toegedeeld, verkregen zijn met privévermogen van de man en derhalve niet voor verrekening op de voet van artikel 1:141 lid 3 BW in aanmerking komen. ”

2.5

Over de vordering van de vrouw tot afstorting van het kapitaal dat benodigd is voor de betaling van de aan de vrouw te betalen pensioenuitkeringen, heeft het hof als volgt geoordeeld:

“5.44 (…)

Met ingang van de datum dat de man met pensioen is gegaan bedroeg de commerciële waarde van de pensioenaanspraken € 1.984.400,-. Uit de jaarstukken 2007 van Pensioen BV volgt dat hiervoor een dekking van € 2.015.546,- aanwezig was, inclusief een effectenportefeuille met een balanswaarde van € 1.200.829,- (beurswaarde € 1.468.884,-). Het hof komt op grond van deze gegevens tot het oordeel dat op het moment dat de man met pensioen ging de dekking ten behoeve van de pensioenaanspraken voldeed aan de daaraan gestelde criteria. Gelet op het voorgaande en in aanmerking nemende dat [A] Holding en haar dochterondernemingen risicovolle ondernemingen zijn, (…) is het hof van oordeel dat de man, als dga van [A] Holding en Pensioen BV, zich heeft gekweten van zijn zorgplicht door zijn pensioen onder te brengen in Pensioen BV. Dat als gevolg van de crisis op de financiële markten en de wijziging van de rekenrente inmiddels de dekking van de pensioenaanspraken onvoldoende is geworden kan hem niet verweten worden.

(…)

5.47 (…)

Een groot deel van het in de Pensioen BV aanwezige vermogen is uitgeleend aan [A] Holding tegen een rente van 4% per jaar. Per eind 2016 bedraagt deze lening ongeveer € 780.000,-. Het betreft hier een achtergestelde lening. [A] Holding wordt volledig door de man gecontroleerd. Onder deze omstandigheden en mede in aanmerking nemende dat [A] Holding en haar dochterondernemingen risicovolle ondernemingen zijn, kan van de vrouw niet worden gevergd dat zij bij voortduring afhankelijk blijft van het beleid dat de man ten aanzien van Pensioen BV en [A] Holding voert en het risico moet blijven dragen dat het opgebouwde pensioen in Pensioen BV te zijner tijd niet kan worden betaald.

5.48

De activa van Pensioen BV bedragen per 1 oktober 2017 ongeveer

€ 1.050.000,-. Uit de jaarstukken 2016 volgt dat aan het einde van dat jaar € 353.752,- aan liquide middelen voorhanden was, inclusief effecten. Hieruit volgt dat er thans onvoldoende kapitaal aanwezig is om én het aandeel van de vrouw af te storten, waaronder begrepen de meerkosten om na afstorting tot dezelfde pensioenuitkering te komen als waarop deze zonder afstorting aanspraak had kunnen maken, én voldoende kapitaal in de vennootschap achter te laten om (opnieuw naar commerciële waarde berekend) de met het aandeel van de man corresponderende pensioenaanspraak te dekken. Nu er binnen Pensioen BV geen ondernemingsactiviteiten plaatsvinden en in aanmerking nemende hetgeen hiervoor onder 5.44 (…) is overwogen, is het hof van oordeel dat het tekort tussen partijen dient te worden gedeeld. Dit geldt te meer nu Pensioen BV tot op heden in het kader van de verevening het aan de vrouw toekomende deel van het ouderdomspensioen heeft uitgekeerd. Het hof zal daarom hierna de man veroordelen ervoor zorg te dragen dat een bedrag van € 525.000,-, zijnde de helft van de activa, ten titel van afstorting pensioenrechten van de vrouw wordt betaald aan een door de vrouw nog nader op te geven verzekeraar. Gelet op de omvang van de aanwezige liquide middelen in Pensioen BV en de positie van de man in [A] Holding moet hij redelijkerwijs in staat worden geacht binnen Pensioen BV de daartoe benodigde middelen vrij te maken. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het verzoek van de man om de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren te honoreren.

5.49

Op de wijze zoals in 5.48 is geoordeeld over de afstorting van het aan de vrouw toekomende pensioen wordt voldoende recht gedaan aan het hiervoor in 5.42 vermelde uitgangspunt dat de aanspraken van partijen (zoveel mogelijk) in dezelfde mate zijn verzekerd. (…)”

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1

Onderdeel I.A richt zich tegen rov. 5.12-5.17, waarin het hof, kort gezegd, oordeelt dat de opnieuw gewaardeerde onroerende zaken zijn overgedragen aan [A] Beheer B.V. voor een bedrag van ƒ 4.871.000,--, waardoor binnen [A] liquide middelen beschikbaar kwamen waarmee aan de man ƒ 2.500.000,-- kon worden uitgekeerd (rov. 5.14) en dat de aandelen in [A], die in de akte van huwelijkse voorwaarden aan de man zijn toegedeeld, zijn verkregen met privévermogen van de man en derhalve niet voor verrekening op de voet van artikel 1:141 lid 3 BW in aanmerking komen (rov. 5.17).

Het onderdeel klaagt dat dit oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over de bewijslastverdeling die art. 1:141 lid 3 BW meebrengt, althans dat het oordeel van het hof in het licht van de inhoud van de gedingstukken, dat wil zeggen de niet-gemotiveerde en steeds wisselende stellingen van de man tegenover de gemotiveerde stellingen van de vrouw, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Daarnaast klaagt het onderdeel onder meer dat het hof heeft miskend dat de man de op hem rustende informatieplicht van art. 1:143 lid 1 BW heeft geschonden en dat het hof daaraan ten onrechte niet het gevolg heeft verbonden dat de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, althans dat het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

3.2

Art. 1:141 lid 1 BW bepaalt dat indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand blijft. Art. 1:141 lid 3 BW bepaalt dat indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in art. 1:141 lid 1 BW niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit en dat art. 1:143 BW van overeenkomstige toepassing is. Art. 1:143 lid 1 BW bepaalt dat ieder der echtgenoten kan verzoeken dat het te verrekenen vermogen van de andere echtgenoot wordt beschreven.

3.3

Het hof heeft in rov. 5.11 terecht vooropgesteld dat het, in het licht van het in art. 1:141 lid 3 BW verwoorde uitgangspunt, op de weg van de man ligt om aannemelijk te maken dat de door de vrouw genoemde vermogensbestanddelen, waaronder de aandelen in [A], niet tot het te verrekenen vermogen behoren. De man stelt zich op het standpunt dat de uitkering van ƒ 2.500.000,-- en de aandelen [A] niet voor verrekening in aanmerking komen. Hij dient daarom het vermoeden van art. 1:141 lid 3 BW te weerleggen. Van de man mag in dit verband worden verwacht dat hij aanvoert hoe de uitkering van ƒ 2.500.000,-- is gefinancierd en hoe hij de aandelen in [A] heeft verkregen, en dat hij zo nodig bescheiden overlegt die dit afdoende onderbouwen.

De man heeft in feitelijke instanties gesteld dat kapitaal is afgestempeld en dat dit mogelijk is gemaakt door de herwaardering van onroerende zaken. Uit de opbrengsten daarvan is de lening van Stork ter financiering van de aandelen in [A] afgelost. De vrouw heeft terecht aangevoerd dat de man wisselende standpunten heeft ingenomen over de vraag hoe de verhoogde waarde van de onroerende zaken liquide is gemaakt, zodat een bedrag van ƒ 2.500.000,-- aan de man kon worden uitgekeerd. De man heeft in eerste aanleg gesteld dat onroerende zaken ter waarde van ƒ 7 ton na herwaardering ƒ 4,8 miljoen waard waren, en dat vervolgens door het bedrijf ƒ 2,5 miljoen is geleend en afstempeling op de aandelen heeft plaatsgevonden (p-v zitting 23 oktober 2008). Ook heeft hij gesteld dat het vollopen van het aandelenkapitaal (na herwaardering) werd gerealiseerd door het pand over te dragen aan [A] Beheer B.V. voor een bedrag van ƒ 4.871.000,-- (brief van mr. Ribot van Ernst & Young van 16 juni 2009 - bijlage 9 bij de brief van de man aan de rechtbank van 7 september 2009). In hoger beroep heeft de man aangevoerd dat als gevolg van leningen en leverancierskredieten de vennootschap beschikte over voldoende middelen om een bedrag van ƒ 1.890.000,-- uit te keren (verweerschrift in incidenteel hoger beroep zijdens de man van 12 juni 2018). In hoger beroep is tevens verwezen naar de hiervoor genoemde brief van mr. Ribot, waarin staat vermeld dat de middelen waren verkregen door het pand over te dragen aan [A] Beheer B.V. (verweerschrift in incidenteel hoger beroep zijdens de man van 12 juni 2018).

De vrouw heeft onder verwijzing naar een brief van haar accountant [betrokkene 2] van 9 september 2009 gesteld dat in de periode 1988 tot en met 1992 grote operationele winsten zijn genoten die zonder meer voor uitkering vatbaar zijn (brief van de vrouw aan de rechtbank van 9 september 2009). De vrouw heeft bovendien aangevoerd dat een waardestijging van onroerende zaken geen liquiditeiten oplevert, dat de intern opgemaakte stukken elkaar tegenspreken en dat uit de cijfers van de jaren 1991 en 1992 blijkt dat de operationele resultaten ruim voldoende waren om het afstempelen te financieren (brief van de vrouw aan het hof van 16 juli 2018).

In het licht van de wisselende stellingen van de man over de gevolgde constructie bij de verkrijging van de aandelen in [A], het gebrek aan afdoende onderbouwing van deze constructie en de onderbouwde betwisting van die stellingen door de vrouw is onvoldoende gemotiveerd het oordeel van het hof in rov. 5.14 dat de onroerende zaken zijn overgedragen aan [A] Beheer B.V. voor een bedrag van ƒ 4.871.000,--, waardoor binnen [A] liquide middelen beschikbaar kwamen. In het licht van het voorgaande, en ondanks de vooropstelling in rov. 5.11, geeft het uit rov. 4.17 blijkende oordeel van het hof dat de man is geslaagd in de weerlegging van het vermoeden van art. 1:141 lid 3 BW, ofwel blijk ervan dat het hof de in die bepaling neergelegde verdeling van stelplicht en bewijslast niet heeft toegepast, dan wel dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Het hof had daarbij niet zonder motivering eraan voorbij mogen gaan dat de man niet heeft voldaan aan een meermaals gedaan verzoek van de vrouw op de voet van art. 1:143 lid 1 BW om een beschrijving van het te verrekenen vermogen van de man. De hiervoor in 3.1 vermelde klachten slagen derhalve.

3.4

De overige klachten van het middel in het principale beroep kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1

Onderdeel I van het middel in het incidentele beroep richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 5.48-5.49 over de afstorting van de pensioenrechten. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op de stelling van de man in punt 2.4.1 van het appelschrift in het principale appel dat (indien het hof zou oordelen dat moet worden afgestort) het bedrag dat voor afstorting in aanmerking komt, het vermogen is dat op de datum van afstorting in de pensioen-B.V. aanwezig is, en dat het beschikbare bedrag per 1 oktober 2017 (ongeveer € 1.050.000,--) aan mutaties onderhevig zal zijn omdat de uitkering tijdens de procedure doorloopt en er rente wordt ontvangen. Door te oordelen dat de man ervoor moet zorgdragen dat € 525.000,-- wordt afgestort, ontvangt de vrouw niet 50% maar aanzienlijk meer dan de man, nu jaarlijks € 109.000,-- bruto moet worden betaald aan pensioen, zodat deze betalingen op het te verrekenen bedrag in mindering behoren te strekken en datgene bij helfte dient te worden uitgekeerd wat er op de datum van afstorting nog in kas van de pensioen-B.V. is. Het hof heeft dit miskend, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven, aldus het onderdeel.

4.2

Het onderdeel is terecht voorgesteld. Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat het hof de door de man aangevoerde stelling in zijn beoordeling heeft betrokken. Door enerzijds te oordelen dat het pensioentekort tussen partijen dient te worden gedeeld en anderzijds de man te veroordelen ervoor zorg te dragen dat een bedrag van € 525.000,--, zijnde de helft van de activa per 1 oktober 2017, ten titel van afstorting pensioenrechten van de vrouw wordt betaald aan een door de vrouw nog nader op te geven verzekeraar, heeft het hof – in het licht van de in het onderdeel genoemde stelling – zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

4.3

Hiervoor in 3.4 is gebleken dat het middel in het principale beroep doel treft. Daarmee is de voorwaarde vervuld waaronder de overige onderdelen van het middel in het incidentele beroep zijn ingesteld. De daarin vervatte klachten moeten daarom worden onderzocht.

4.4

De overige klachten van het middel in het incidentele beroep kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en het incidentele beroep:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 januari 2019;

- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren M.J. Kroeze, als voorzitter, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 16 oktober 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature