< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Onrechtmatige daad. Schade door verwerking van hormoonhoudend suikerwaterafval in diervoeder. Eigen schuld van benadeelde varkenshouder? Art. 6:101 lid 1 BW. Verhouding tussen hoofdzaak en schadestaatprocedure.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/01095

Datum 16 oktober 2020

ARREST

In de zaak van

AHP MANUFACTURING B.V., handelend onder de naam WYETH MEDICA IRELAND,gevestigd te Rotterdam,

EISERES tot cassatie, verweerster in het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep,

hierna: Wyeth,

advocaat: D.A. van der Kooij,

tegen

RINED FOURAGES B.V.,gevestigd te Venlo,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep,

hierna: Rined,

advocaat: C.S.G. Janssens.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

het vonnis in de zaak C/15/199736 / HA ZA 13-44 van de rechtbank Noord-Holland van 23 april 2014;

het arrest in de zaak 200.153.035/01 van het gerechtshof Amsterdam van 27 november 2018.

Wyeth heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Rined heeft (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Rined mede door M. van Tuijl en P.E.A. Chao.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van zowel het principale cassatieberoep als het incidentele cassatieberoep.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Wyeth had in Ierland een faciliteit voor de productie van farmaceutische producten. Zij produceerde onder meer anticonceptiepillen waarbij het synthetisch hormoon ‘medroxy progesteron acetaat’ (hierna: MPA) werd gebruikt. Dit resulteerde in twee afvalstromen bestaande in een wateroplossing met suiker en kleurstof (suikerwater), waarvan de een door Wyeth als non-hazardous en de ander als hazardous werd gekwalificeerd, dit laatste in verband met de vervuiling van het suikerwater met hormonen, waaronder met name MPA.

(ii) Als afvalproducent beschikte Wyeth over een vergunning ingevolge de Ierse milieuwetgeving. Op grond van deze vergunning was Wyeth gehouden haar suikerwaterafval te verwerken in overeenstemming met de nationale en internationale regelgeving voor afvalstoffen.

(iii) Cara Environmental Technology Ltd (hierna: Cara) is een afvalmakelaar. Zij heeft vanaf 1997 voor Wyeth de verwijdering van de non-hazardous stroom suikerwater verzorgd. In 1999 heeft Cara Wyeth in contact gebracht met het in België gevestigde afvalverwerkingsbedrijf Bioland Liquid Sugars B.V. (hierna: Bioland). In oktober van dat jaar heeft Wyeth een bezoek aan Bioland afgelegd en daarbij gevraagd of zij over een vergunning beschikte. Bioland heeft die vraag bevestigend beantwoord en toegezegd de vergunning aan Wyeth toe te zenden, maar dat is nooit gebeurd.

(iv) Wyeth heeft via Cara suikerwater ter verwerking doen afvoeren naar Bioland. Vanaf september 2000 heeft Cara voor Wyeth ook suikerwater met MPA naar Bioland verzonden. Bioland was ervan op de hoogte dat de tweede stroom suikerwater MPA bevatte. Bioland beschikte niet over een vergunning voor de verwerking van farmaceutisch afval.

(v) Wyeth heeft van geen van de transporten kennisgeving gedaan als bedoeld in de Europese Verordening betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: EVOA (oud)).

(vi) In april 2002 heeft Bioland de [B-groep], een Nederlandse varkenshouder tevens veevoerbedrijf, benaderd om het suikerwater af te nemen. De [B-groep] heeft een andere Nederlandse varkenshouder tevens veevoerbedrijf, [C] B.V. (hierna: [C]) op de hoogte gesteld van het aangeboden suikerwater. [C] heeft diverse partijen suikerwater (met MPA) afgenomen van Bioland en een deel daarvan doorverkocht aan Rined. Het suikerwater is in april 2002 gelost in een opslagsilo van Rined en vermengd met tarwezetmeel afkomstig van Cerestar. Kort daarop heeft Rined bij [C] geklaagd over roze verkleuring van het tarwezetmeel als gevolg van het rood/roze suikerwater. [C] heeft een deel van het met het rood/roze suikerwater vermengde tarwezetmeel teruggenomen. Een deel van het met suikerwater vermengde tarwezetmeel is vanaf april 2002 door Rined als varkensvoer verkocht en geleverd aan (Nederlandse) varkenshouders.

(vii) In mei 2002 bleken varkens van drie in Nederland gevestigde varkenshouderijen te kampen met vruchtbaarheidsproblemen. Na onderzoek bleek het vlees van de varkens MPA te bevatten. Vastgesteld is dat de varkens mede waren gevoerd met voer dat was bereid met glucosesiroop die was afgenomen van een onderneming van de [B-groep]. Vervolgens kwam aan het licht dat er bij meer varkenshouderijen varkens waren gevoerd met van Bioland, de [B-groep] of [C] afkomstig suikerwater met MPA. In juni 2002 heeft de Algemene Inspectie Dienst een monster genomen van het tarwezetmeel in de opslagsilo van Rined. Dit monster testte positief op MPA.

(viii) Van overheidswege is vanaf juni 2002 onderzoek gedaan naar de verspreiding van MPA onder varkenshouderijen en naar de herkomst daarvan. Vele varkenshouderijen zijn toen voor enige tijd onder toezicht geplaatst, hetgeen betekende dat geen varkens van die bedrijven mochten worden verhandeld of geslacht voor consumptie, tenzij bij individuele tests was gebleken dat de dieren geen MPA bevatten. Ook zijn verschillende besmette varkenshouderijen gesloten of geruimd.

(ix) Rined heeft haar facturen voor leveringen van met MPA besmet varkensvoer gecrediteerd. Verder heeft zij silo’s moeten huren om met MPA besmet, teruggenomen voer op te slaan. Daarnaast is zij door een groot aantal varkenshouders aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van het leveren van met MPA besmet varkensvoer en heeft zij schadeloosstellingen betaald.

2.2

In deze procedure vordert Rined, na wijziging van eis in hoger beroep, een verklaring voor recht dat Wyeth en Cara onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld en op grond daarvan hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Rined geleden schade, en schadevergoeding nader op te maken bij staat.

2.3

De rechtbank heeft de vorderingen van Rined afgewezen op de grond dat het eigenschuldverweer van Wyeth en Cara slaagt en dat de schade in de verhouding tussen Rined en Cara en Wyeth, geheel voor rekening van Rined moet blijven.

2.4.1

Het hof heeft voor recht verklaard dat Wyeth en Cara onrechtmatig jegens Rined hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 50% van de schade die Rined heeft geleden als gevolg van het feit dat aan haar (oorspronkelijk van Wyeth afkomstig) met hormonen vervuild suikerwater is geleverd, nader op te maken bij staat. Voor zover in cassatie van belang heeft het hof daartoe als volgt overwogen.

2.4.2

Wyeth en Cara hebben jegens Rined onrechtmatig gehandeld door het met hormonen vervuilde afvalwater naar België te (doen) overbrengen ter verwerking door Bioland. Niet in geschil is dat het hier ging om suikerwater afkomstig van de productie van anticonceptiepillen, dat het suikerwater als afkomstig van de farmaceutische industrie in de categorie gevaarlijke afvalstoffen viel en dat het overbrengen en verwijderen daarvan – naar Wyeth als producent en houder van een vergunning ingevolge de Ierse milieuwetgeving, en ook Cara als professioneel afvalmakelaar zonder meer bekend moet zijn geweest – in het belang van het milieu en de gezondheid van de mens aan restricties en toezicht onderworpen was. (rov. 3.5.1-3.5.3)

Voorts staat vast dat het suikerwater de hormonen MPA, Oestradiol en Trimegeston bevatte en dat niet alleen Wyeth dit wist, maar dat ook Cara van de vervuiling met in ieder geval MPA op de hoogte was. Wyeth en Cara moeten zich ervan bewust zijn geweest dat hergebruik van het suikerwater gepaard zou kunnen gaan met (gezondheids-)risico’s voor mens en dier en daarmee naast gezondheidsschade vermogensschade zou kunnen veroorzaken. (rov. 3.5.4)

Het hof laat in het midden of reeds het achterwege laten van de krachtens de EVOA (oud) voorgeschreven kennisgevingen een schending van een wettelijke plicht oplevert en is van oordeel dat het feitenmateriaal dwingt tot de conclusie dat Wyeth en Cara niet aan de (mede) op grond van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen op hen rustende verplichtingen hebben voldaan. (rov. 3.5.6-3.5.7)

Wyeth en Cara hebben voor de verwerking van het suikerwater met het oog op hergebruik een bedrijf uitgekozen zonder dat zij zich op toereikende wijze ervan hadden vergewist dat dit tot een veilige verwerking in staat zou zijn, hetgeen wel van hen had mogen worden verwacht. (rov. 3.5.9-3.5.10)

Wyeth en Cara hebben gesteld dat voor zover hun onrechtmatig handelen kan worden verweten, de schade niet als een aan hen toerekenbaar gevolg daarvan kan worden aangemerkt, nu de causale keten is doorbroken door het onrechtmatig handelen van Bioland en [C]. Dat de rol die het onzorgvuldig handelen van Wyeth en Cara bij het ontstaan van de door Rined geleden schade heeft gespeeld, afgezet tegen de handelwijze van Bioland en [C], geheel in het niet valt, kan echter niet worden aanvaard. Niet gesteld kan worden dat het niet in acht nemen van regelgeving zoals door Wyeth en Cara aan Bioland en [C] verweten, niet in de lijn der verwachting heeft gelegen: dat met afvalproducten niet altijd op zorgvuldige wijze werd omgesprongen, moet voor Wyeth en Cara voorzienbaar zijn geweest en van hen mocht in redelijkheid worden verlangd dat zij daarmee rekening hielden bij het bepalen van de wijze waarop de verwijdering van afval zou plaatsvinden. De conclusie is dat een en ander niet ertoe leidt dat het vereiste verband tussen de handelwijze van Wyeth en Cara en de schade is verbroken noch dat deze schade niet in zodanig verband staat met de handelwijze van Wyeth en Cara dat deze hen als het gevolg daarvan (in ieder geval gedeeltelijk) kan worden toegerekend. (rov. 3.6.1-3.6.2)

Voldoende is komen vast te staan dat Rined, mede gelet op de toepasselijke regelgeving – kort gezegd: regelgeving die destijds gold voor elk bedrijf dat activiteiten ontplooide op het gebied van productie en verwerking van en handel in diervoeder – laakbaar heeft gehandeld doordat zij het suikerwater in haar silo heeft laten lossen en bij het daar opgeslagen tarwezetmeel heeft laten voegen zonder dat zij de zekerheid had dat het van Cerestar afkomstig was en zonder een ingangscontrole uit te voeren. Voorts moet het reeds ter gelegenheid van de levering van het product aan de eerste afnemer diezelfde dag voor Rined zonder meer duidelijk zijn geweest dat zij – zonder dat zij de daarvoor benodigde vergunning had – producten van verscheidene herkomst had gemengd en dat zij niet over de vereiste specificaties van het aan het tarwezetmeel toegevoegde suikerwater beschikte. Van haar mocht worden verwacht dat zij, alvorens zij tot (verdere) levering aan afnemers van het product overging, de herkomst van het (roze) suikerwater en de samenstelling daarvan alsnog op deugdelijke wijze verifieerde. Door een en ander na te laten, haar afnemers omtrent de kleur verkeerd voor te lichten, en het mengsel als tarwezetmeel te verkopen en te factureren zonder daarbij (steeds) te vermelden dat het glucosestroop van onbekende herkomst bevatte, heeft Rined de op haar toepasselijke voorschriften overtreden en voorts in strijd gehandeld met verplichtingen die op haar rustten als instelling die is erkend in het kader van de zogenoemde Good Manufacturing Practice code. (rov. 3.7.4)

Het hof komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat voor zover Rined schade heeft geleden als gevolg van het feit dat het door haar afgenomen suikerwater met hormonen vervuild was, deze schade voor 50% voor haar rekening moet blijven en dat Wyeth en Cara hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de overige 50%, op de grond dat aan de jegens Wyeth en Cara gemaakte verwijten grotendeels dezelfde feiten ten grondslag liggen (art. 6:102 BW). Rined enerzijds en Wyeth en Cara anderzijds hebben in gelijke mate het gevaar voor het ontstaan van de schade zoals die is ingetreden, in het leven geroepen, en zij hebben aldus in gelijke mate aan het ontstaan van de schade bijgedragen. De billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW leidt niet tot een andere verdeling dan de 50-50 causaliteitsafweging. (rov. 3.8)

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1

Onderdeel 6 van het middel klaagt in de kern genomen dat het hof de verhouding tussen de hoofdzaak en de schadestaatprocedure heeft miskend door in de rov. 3.6.2 en 3.8 definitieve oordelen te geven over (i) de toerekenbaarheid van alle schade waarvan Rined vergoeding vordert, en (ii) de mate waarin de schade wegens eigen schuld voor rekening van Rined blijft enerzijds en door Wyeth en Cara dient te worden vergoed anderzijds.

3.1.2

Deze klacht berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en kan dus niet tot cassatie leiden.

De rov. 3.6.2 en 3.8 moeten aldus worden begrepen dat het hof slechts heeft geoordeeld dat indien komt vast te staan dat Rined schade heeft geleden als gevolg van het feit dat het door haar afgenomen suikerwater met hormonen was vervuild, Wyeth en Cara hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 50% van die schade. Het hof heeft zich niet uitgelaten over de vraag naar het bestaan en de omvang van de door Rined geleden schade en evenmin over de vraag welke concrete schadeposten van Rined aan Wyeth en Cara zijn toe te rekenen. Deze vragen kunnen in de schadestaatprocedure aan de orde komen. Komt in de schadestaatprocedure vast te staan dat een schadepost van Rined aan Wyeth of Cara is toe te rekenen, dan geldt op grond van de door het hof in de hoofdzaak vastgestelde verdeling dat Wyeth en Cara gehouden zijn om 50% daarvan aan Rined te vergoeden.

3.2

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1

Onderdeel 5 van het middel is voorgedragen onder de voorwaarde dat een klacht in het principale beroep over het oordeel van het hof omtrent de schending van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen slaagt. Blijkens hetgeen hiervoor in 3.1.2 en 3.2 is overwogen, behoeft dit onderdeel geen behandeling.

4.2

De overige klachten van het middel zijn onvoorwaardelijk voorgedragen. Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt Wyeth in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rined begroot op € 882,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Wyeth deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;

in het incidentele beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt Rined in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Wyeth begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Rined deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter, de vicepresident M.V. Polak, en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 16 oktober 2020.

Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, PbEG 1993, L 30/1.

Rechtbank Noord-Holland 23 april 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:3627.

Gerechtshof Amsterdam 27 november 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4312.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature