< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Zorgmachtiging. Kan ambulante verplichte zorg gecombineerd worden met voorwaardelijke verplichte zorg bestaande in opname in een accommodatie? Is nieuwe medische verklaring vereist als de zorgverantwoordelijke tijdens de geldigheidsduur van de zorgmachtiging besluit betrokkene te doen opnemen in een accomodatie?

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/01490

Datum 25 september 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene],verblijvende te [plaats],

VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,

hierna: betrokkene,

advocaat: C. Reijntjes-Wendenburg,

tegen

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,

VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het incidentele cassatieberoep,

hierna: officier van justitie,

advocaat: M.M. van Asperen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/10/591345/FA RK 20/911 van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2020.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De officier van justitie heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het incidentele cassatieberoep en, op het principale cassatieberoep, tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Rotterdam.

De advocaat van de officier van justitie heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In deze zaak is aan de orde of in een zorgmachtiging als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) ambulante verplichte zorg kan worden gecombineerd met voorwaardelijke verplichte zorg die bestaat in het opnemen van betrokkene in een accommodatie.

Daarnaast is aan de orde of het systeem van de Wvggz toelaat aan een zorgmachtiging de voorwaarde te verbinden dat een recente medische verklaring wordt verkregen als de zorgverantwoordelijke tijdens de geldigheidsduur van de zorgmachtiging besluit een vorm van verplichte zorg te verlenen waarop die zorgmachtiging al betrekking heeft.

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 12 februari 2020 heeft de officier van justitie verzocht ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen, aansluitend op een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel als bedoeld in art. 7:11 Wvggz.

(ii) In het verzoekschrift verzoekt de officier van justitie, onder verwijzing naar het zorgplan en de medische verklaring, om een zorgmachtiging te verlenen voor de volgende vormen van verplichte zorg, elk voor de duur van 180 dagen:

- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

- beperken van de bewegingsvrijheid;

- beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;

- controleren op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen;

- insluiten;

- onderzoek aan kleding of lichaam;

- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedragsbeïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;

- opnemen in een accommodatie;

- toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

- uitoefenen van toezicht op betrokkene.

(iii) In het zorgplan is op de vraag “Hoe bewaken de zorgaanbieder en de geneesheer-directeur de kwaliteit van de verplichte zorg (ambulant danwel in een instelling) en hoe houden zij toezicht op de uitvoering van de ambulante verplichte zorg?” onder meer het volgende geantwoord:

“Zodra accommodatie niet meer noodzakelijk is, zal betrokkene verder in zorg zijn bij een ambulant team, vermoedelijk een FACT team van Yulius. Zij zullen gedurende het verblijf in accommodatie betrokken worden en er zal maandelijks een zorgafstemmingsgesprek zijn tot dat het verblijf in de accommodatie niet meer noodzakelijk is.

Zodra betrokkene ambulant in zorg is, zal betrokkene wekelijks afspraken krijgen waarbij er aan het zorgplan en behandelplan gewerkt zal worden. Indien de situatie ambulant verslechtert en er opnieuw sprake zal zijn van ernstig nadeel kan er besloten worden opnieuw in te zetten in een verplichte opname in een accommodatie.”

2.3.1

Bij mondelinge beschikking van 17 februari 2020 heeft de rechtbank een zorgmachtiging voor betrokkene verleend voor de duur van zes maanden. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is onder meer het volgende vermeld:

“De verpleegkundig specialist verklaart als volgt. De behoefte van betrokkene om cannabis te gebruiken is afgenomen. Daardoor worden de psychotische symptomen ook minder. Ik ben het met hem eens. Het depot kan worden voortgezet in de thuissituatie. Zo stabiel als hij nu is, heb ik hem nog nooit gezien. U vraagt mij of het verzoek kan worden afgewezen. Gebaseerd op de afgelopen jaren heb ik niet het vertrouwen dat hij het depot blijft accepteren. Zolang hij de medicatie neemt hoeft hij niet opgenomen te worden. Zonder machtiging neemt hij waarschijnlijk zijn medicatie niet in. Ik vraag u daarom alleen medicatiegebruik als vorm van verplichte zorg toe te wijzen. Er is nu geen reden hem hier te houden.

(…)

Ik zou graag zien dat hij kan worden opgenomen als hij zijn medicatie niet langer gebruikt, in de vorm van een soort voorwaardelijke machtiging.

De advocaat verklaart als volgt. (…) Ik weet niet of de wet de mogelijkheid van een voorwaardelijke machtiging biedt. Ik vraag u om dat af te wijzen. Als dat al kan, vraag ik u om die in duur te beperken.

R[echter]: Ik zal het verzoek toewijzen voor de duur van zes maanden. Op dit moment is opname niet nodig, maar als u de medicatie weigert en daardoor het ziektebeeld verergert vind ik wel dat u opgenomen moet kunnen worden.”

2.3.2

De rechtbank heeft in de schriftelijke uitwerking van de beschikking, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

“2.1.4. Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op een ernstig verstoorde ontwikkeling voor betrokkene. Betrokkene is aanvankelijk opgenomen met een ernstig psychotisch toestandsbeeld, daarnaast was betrokkene afhankelijk van het gebruik van cannabis. Door het inzetten van medicatie en doordat betrokkene geen cannabis gebruikt gaat het nu goed met hem. Betrokkene accepteert behandeling en kan, door middel van depot-medicatie, de behandeling voortzetten in de thuissituatie. De verpleegkundig specialist verklaart echter dat, gelet op de voorgaande jaren, er niet voldoende vertrouwen is dat betrokkene zijn medicatie blijft nemen. Bij het weigeren van medicatie en daarnaast het gebruik van cannabis kan betrokkene zichzelf ernstige psychische schade toebrengen. Het is noodzakelijk dat betrokkene weer wordt opgenomen voordat die ernstige psychische schade optreedt.

2.2

Verplichte zorg

2.2.1.

Om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, heeft betrokkene verplichte zorg nodig. Weliswaar toont betrokkene zich momenteel gemotiveerd tot het voortzetten van de noodzakelijke zorg en behandeling, maar in eerdere situaties is gebleken dat betrokkene na verloop van tijd de medicatie gaat weigeren. Daarom kan er niet van worden uitgegaan dat betrokkene ook in de toekomst vrijwillig zal blijven meewerken aan zijn depotmedicatie. Medicatie zal dan ook verplicht worden opgelegd. Ook is het belangrijk dat betrokkene kan worden opgenomen in een accommodatie als hij niet meer meewerkt aan depotmedicatie. In dat geval zal betrokkene namelijk snel psychotisch worden en ernstige psychische schade met alle nadelen die daarbij horen kunnen oplopen.

2.2.2.

De verpleegkundig specialist heeft ten tijde van de mondelinge behandeling benadrukt dat er slecht twee vormen van verplichte zorg nodig zijn:

- het toedienen van medicatie, ter behandeling van een psychische stoornis;

- het opnemen in een accommodatie (voor het geval betrokkene niet meewerkt aan het toedienen van medicatie, hetgeen buiten de accommodatie feitelijk niet gedwongen zal gebeuren).

2.2.3.

Het uitgangspunt is dat betrokkene ambulante zorg krijgt. Alleen als betrokkene zijn medicatie weigert en het ziektebeeld verergert, kan gebruik worden gemaakt van verplichte zorg die bestaat uit het opnemen in een accommodatie. De rechtbank benadrukt dat deze vormen van verplichte zorg slechts worden gelegitimeerd wanneer betrokkene zijn medicatie niet goed inneemt als gevolg waarvan het ziektebeeld kan ontregelen. Aansluiting bij het opnemen van verplichte zorg als zodanig kan worden gezocht in de Memorie van Toelichting, pagina 13, en de Tweede Nota van Wijziging, pagina 157.

2.2.4.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.

2.2.5.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg alsmede aan de uitgangspunten van de Wvggz is voldaan. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden. Hoewel de zorgmachtiging voor zes maanden wordt verleend, wijst de rechtbank voorts op nog steeds geldende rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 24 oktober 1979, Winterwerp v. The Netherlands, 6301/73, r.o. 39 en EHRM 5 oktober 2000, Varbanov v. Bulgaria, 31365/96, r.o. 47). Wanneer een aanzienlijke periode reeds is verstreken en betrokkene moet worden opgenomen, moet betrokkene opnieuw worden beoordeeld door een onafhankelijk psychiater. De medische verklaring bij onderhavig verzoek kan na een aanzienlijke periode niet meer een vrijheidsbeneming rechtvaardigen. Een nieuwe beoordeling moet gebaseerd worden op het toestandsbeeld waarvan op dat moment sprake is. Met andere woorden: wanneer deze situatie pas over een aantal maanden aan de orde is, zal ondanks deze beschikking toch nog een recente medische verklaring nodig zijn.”

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank in rov. 2.2.1-2.2.3 dat alleen als betrokkene zijn medicatie weigert en het ziektebeeld verergert, gebruik kan worden gemaakt van verplichte zorg die bestaat in het opnemen in een accommodatie. Het onderdeel betoogt dat voor een voorwaardelijke zorgmachtiging geen wettelijke grondslag bestaat. Daarnaast voert het onderdeel aan dat de door de rechtbank gegeven machtiging, mede door de gebruikte formulering, te vaag en daarom onbegrijpelijk is ten aanzien van het moment en de duur van de opname in een accommodatie.

3.1.2

Met de invoering van de Wvggz op 1 januari 2020 is de mogelijkheid ontstaan om op grond van een zorgmachtiging verplichte zorg te verlenen zonder dat daarvoor een opname in een accommodatie is vereist. Art. 3:2 lid 2 Wvggz bepaalt limitatief welke vormen van verplichte zorg mogelijk zijn. Art. 2:4 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 2.1 Besluit verplichte geestelijke gezondheidszorg regelt daarnaast welke vormen van verplichte ambulante zorg zijn toegestaan. De verschillende vormen van verplichte zorg kunnen in een zorgmachtiging worden gecombineerd (vgl. art. 6:4 leden 1 en 2 in verbinding met art. 5:17 lid 2 Wvggz). Hiermee heeft de wetgever beoogd dat passende zorg wordt geboden, in die zin dat het mogelijk wordt om binnen het bereik van een zorgmachtiging te kiezen voor de minst beperkende en voor de betrokkene minst bezwarende vorm van verplichte zorg. De zorgverantwoordelijke beslist welke vorm van zorg gedurende de geldigheidsduur van de machtiging wordt verleend (art. 8:7-8:9 Wvggz).

3.1.3

De Wvggz staat niet eraan in de weg dat in een zorgmachtiging een voorwaarde aan een vorm van verplichte zorg wordt verbonden om zeker te stellen dat de minst beperkende en voor de betrokkene minst bezwarende vorm van zorg wordt geboden. Een dergelijke voorwaarde past bij het hiervoor in 3.1.2 beschreven doel van de Wvggz. Het is dus mogelijk dat in een zorgmachtiging ambulante verplichte zorg wordt gecombineerd met verplichte zorg die bestaat in het “opnemen in een accommodatie” (art. 3:2 lid 2, onder j, Wvggz), waarbij voor laatstgenoemde vorm van zorg als voorwaarde geldt dat ambulante verplichte zorg niet meer volstaat en het opnemen in een accommodatie noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden.

3.1.4

In dit geval heeft de rechtbank een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verleend voor het ambulant toedienen van medicatie en, onder de voorwaarde dat betrokkene medicatie weigert waardoor het ziektebeeld verergert, voor het opnemen van betrokkene in een accommodatie. De rechtbank benadrukt daarbij dat deze vormen van verplichte zorg slechts worden gelegitimeerd wanneer betrokkene zijn medicatie niet goed inneemt als gevolg waarvan het ziektebeeld kan ontregelen (rov. 2.2.3).

In het zorgplan heeft de zorgverantwoordelijke vermeld dat indien de situatie ambulant verslechtert en er opnieuw sprake zal zijn van ernstig nadeel, besloten kan worden opnieuw in te zetten op een verplichte opname in een accommodatie (zie hiervoor in 2.2 onder (iii)). De verpleegkundig specialist heeft daarnaast tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij op basis van de afgelopen jaren niet het vertrouwen heeft dat betrokkene zijn depotmedicatie blijft accepteren en dat zij graag zou zien dat betrokkene kan worden opgenomen als hij zijn medicatie niet langer gebruikt, in de vorm van een “soort voorwaardelijke machtiging” (zie hiervoor in 2.3.1).

Gelet op de hiervoor weergegeven toelichting in het zorgplan en de opmerking van de verpleegkundig specialist tijdens de mondelinge behandeling, heeft de rechtbank klaarblijkelijk bedoeld om een zorgmachtiging te verlenen voor het ambulant toedienen van medicatie in combinatie met een machtiging tot het opnemen van betrokkene in een accommodatie voor het geval het ambulant toedienen van medicatie niet meer volstaat en het opnemen in een accommodatie noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden.

Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

3.1.5

Gelet op het voorgaande, falen de hiervoor in 3.1.1 weergegeven klachten.

3.2

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1

Het middel in het incidentele beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.2.5 dat ondanks verlening van de zorgmachtiging voor de duur van zes maanden, een recente medische verklaring nodig zal zijn als pas over een aantal maanden aan de orde is dat betrokkene moet worden opgenomen in een accommodatie. Het middel voert in de kern aan dat dit oordeel niet past in het systeem van de Wvggz.

4.2

Ten behoeve van de voorbereiding van een verzoekschrift tot verlening van een zorgmachtiging, dient een psychiater een medische verklaring op te stellen (art. 5:8 in verbinding met art. 5:9 Wvggz).

Een zorgmachtiging wordt mede op basis van deze medische verklaring verleend (art. 6:4 leden 1 en 2 Wvggz). De rechter dient een zorgmachtiging te verlenen voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, waarbij afhankelijk van het soort machtiging een maximale duur van zes maanden, twaalf maanden of twee jaar geldt (art. 6:5 Wvggz).

De zorgverantwoordelijke kan ter uitvoering van een zorgmachtiging niet beslissen tot het verlenen van verplichte zorg dan nadat hij zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene, met de betrokkene overleg heeft gevoerd over de voorgenomen beslissing en, voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur (art. 8:9 lid 1 Wvggz). Tegen een beslissing van de zorgverantwoordelijke tot het verlenen van verplichte zorg staat een rechtsmiddel open (art. 10:3, aanhef en onder f, Wvggz en art. 10:7 lid 1 Wvggz). Uit het voorgaande volgt dat de ruimte van de zorgverantwoordelijke om binnen de kaders van de zorgmachtiging en tijdens de geldigheidsduur daarvan te beslissen welke vorm van verplichte zorg daadwerkelijk aan de betrokkene wordt verleend, is omkleed met diverse waarborgen.

Met dit systeem strookt niet dat aan een zorgmachtiging de voorwaarde wordt verbonden dat een recente medische verklaring wordt verkregen als de zorgverantwoordelijke op een moment gelegen binnen de geldigheidsduur van de machtiging beslist om een vorm van verplichte zorg te verlenen waarvoor de machtiging is gegeven. Indien de rechter van oordeel is dat na verloop van een bepaalde periode niet zonder recente medische verklaring voor een bepaalde vorm van zorg kan worden gekozen, dient hij de geldigheidsduur van de zorgmachtiging voor die vorm van zorg tot die periode te beperken.

Het middel is dus gegrond.

4.3

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de beschikking van de rechtbank te vernietigen wat betreft het hiervoor in 4.1 genoemde oordeel in rov. 2.2.5.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

in het incidentele beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2020 voor zover daarin is bepaald dat ondanks verlening van de zorgmachtiging voor de duur van zes maanden, een recente medische verklaring nodig zal zijn als pas over een aantal maanden aan de orde is dat betrokkene moet worden opgenomen in een accommodatie.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren M.V. Polak, als voorzitter, T.H. Tanja- van den Broek, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 25 september 2020.

HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, rov. 4.2.2.

Stb. 2019, 198.

Zie Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3, p. 72 en Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 89.

Vgl. Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3, p. 12-13 en Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 157.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature