E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2020:1461
Hoge Raad, 19/02998

Inhoudsindicatie:

Beschadiging taxi, art. 350.1 Sr. 1. Betekening dagvaarding in h.b. bij in Nederland verblijvende vreemdeling. Heeft hof nagelaten te onderzoeken of verdachte verbleef in accommodatie bestemd voor tijdelijke opvang van vreemdelingen? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. Appeldagvaarding is uitgereikt aan griffier, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, waarna verdachte bij verstek is veroordeeld. O.g.v. art. 588.1.3 Sv, dat in deze zaak van toepassing is, wordt dagvaarding uitgereikt aan griffier indien geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in BRP en er ook geen feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van feitelijke woon- of verblijfplaats kan echter o.m. niet worden aangenomen, indien ernstig vermoeden bestaat dat verdachte een vreemdeling is die o.g.v. art. 2.6.1 Wet BRP jo. art. 21.1.f Besluit BRP niet in aanmerking komt voor inschrijving als ingezetene in BRP en niet d.m.v. voor OM toegankelijk registratiesysteem is onderzocht of hij verblijft in een door Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen. Indien bij dat onderzoek verblijfplaats in zo’n accommodatie aan het licht komt, moet die worden aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AD5163). Uit art. 2.6.1 Wet BRP jo. art. 21.1.f Besluit BRP volgt dat vreemdeling die geen toelating heeft tot Nederland en verblijft in een door Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen, gedurende eerste zes maanden van verblijf in Nederland niet in aanmerking komt voor inschrijving in BRP. Hof heeft geoordeeld dat dagvaarding geldig is betekend. Daarbij heeft hof kennelijk geoordeeld dat niet hiervoor bedoeld ernstig vermoeden bestond. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Omstandigheid dat ID-staat SKDB V-nummer (vreemdelingennummer) van verdachte vermeldt en inhoudt dat verdachte geen verblijfstitel (meer) heeft, biedt onvoldoende grond voor dat ernstige vermoeden, in aanmerking genomen dat uit stukken van geding moet worden afgeleid dat verdachte t.t.v. van betekening van appeldagvaarding al langer dan zes maanden in Nederland verbleef. HR merkt op dat art. 588 (oud) Sv bij gedeeltelijke inwerkingtreding op 1-1-2020 van Wet USB is vervangen door art. 36e Sv. Met die wijziging is in art. 588.1.b.3 (oud) Sv voorgeschreven uitreiking aan griffier indien geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in BRP en ook geen feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, vervallen. Dat heeft in hiervoor overwogene geen wijziging gebracht. Indien thans hiervoor beschreven ernstig vermoeden bestaat, kan niet worden aangenomen dat geen uitreiking o.g.v. art. 36e.1.b.2 Sv heeft kunnen plaatsvinden vanwege onbekendheid van feitelijke woon- of verblijfplaats, als niet hiervoor bedoeld onderzoek heeft plaatsgevonden.

Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichtingen opgelegd om aan Staat t.b.v. in arrest genoemde slachtoffer in arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest telkens genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie