< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bijdrage uit het BTW-compensatiefonds; art. 4, lid 1, aanhef en letter a, Wet op het BTW-compensatiefonds; Wet werk en bijstand; Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers; re-integratiediensten voor langdurige werklozen en loopbaanbegeleiding van afgetreden wethouder; verstrekt, verleend of ter beschikking gesteld ‘aan een of meer individuele derden’?

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 18/03223

Datum 10 juli 2020

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

GEMEENTE [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 juni 2018, nrs. BK-18/00004 tot en met BK-18/00010, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 16/6556 tot en met SGR 16/6561 en SGR 17/5628) betreffende ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2007 tot en met 2013 gegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet op het BTW-compensatiefonds . De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.1

Het college van burgemeester en wethouders van belanghebbende (hierna: het College) heeft in de jaren 2007 tot en met 2013 op de voet van de Wet werk en bijstand (tekst van 1 januari 2004 tot 1 januari 2015; hierna: de Wwb) aan werkloze inwoners aan wie zij algemene bijstand uitkeerde, ondersteuning geboden bij het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid (arbeidsinschakeling). Het College is tot het bieden van die ondersteuning verplicht op grond van artikel 7, lid 1, aanhef en letter a, van de Wwb . Degene die algemene bijstand ontvangt, is op zijn beurt verplicht gebruik te maken van de hiervoor bedoelde, hem door het College aangeboden ondersteuning en mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Indien hij niet voldoet aan deze verplichtingen kan het College de bijstand verlagen of opschorten.

2.1.2

Het College heeft voor werklozen met een bijstandsuitkering die zeer moeilijk bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt, [A] B.V. (hierna: de BV) en het re-integratiebureau [C] (hierna: [C] ) in de arm genomen om tegen vergoeding de begeleiding van de hiervoor bedoelde personen te verzorgen bij het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid. De BV en [C] hebben voor hun diensten (hierna: de re-integratiediensten) facturen aan belanghebbende uitgereikt en daarbij omzetbelasting in rekening gebracht.

2.1.3

De raad van belanghebbende heeft een afgetreden wethouder op grond van de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers een wachtgelduitkering toegekend. De ontvanger van een dergelijke uitkering heeft een sollicitatieplicht en de plicht mee te werken aan de geboden begeleiding bij het zoeken naar passende arbeid. Indien de betrokkene weigert aan deze verplichtingen te voldoen, legt het verantwoordelijke bestuursorgaan een (tijdelijke) inhouding van de uitkering op. De kosten van de ondersteuning en begeleiding komen rechtstreeks en volledig voor rekening van de gemeente.

2.1.4

Het College heeft met het loopbaanbegeleidingsbureau [B] een overeenkomst gesloten om tegen vergoeding de voormalige wethouder te begeleiden bij het vinden van een nieuwe werkkring. Op de facturen die dit bureau voor de loopbaanbegeleiding aan belanghebbende heeft uitgereikt, heeft het omzetbelasting in rekening gebracht.

2.1.5

Ter financiering van de hiervoor in 2.1.2 en 2.1.4 bedoelde omzetbelasting heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op bijdragen uit het in artikel 1 van de Wet op het BTW-compensatiefonds (hierna: de Wet Bcf) bedoelde fonds (hierna: het BTW-compensatiefonds). De Inspecteur heeft de bijdragen over elk van de betrokken jaren bij beschikking vastgesteld overeenkomstig de door belanghebbende gedane opgaven.

2.1.6

De Inspecteur heeft nadien de aan belanghebbende voor de jaren 2008 tot en met 2013 vastgestelde bijdragen teruggevorderd voor zover het de gecompenseerde omzetbelasting betreft ter zake van de re-integratiediensten en de loopbaanbegeleiding. Volgens hem gaat het om omzetbelasting ter zake van diensten die volgens artikel 4, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet Bcf zijn uitgesloten van het recht op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds. Een verzoek van belanghebbende om een extra bijdrage over 2007 ter zake van de re-integratiediensten heeft hij om dezelfde reden bij beschikking afgewezen.

2.2

Het Hof heeft geoordeeld dat alle in de jaren 2007 tot en met 2013 aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting ter zake van de re-integratiediensten en de loopbaanbegeleiding op grond van de Wet Bcf voor compensatie in aanmerking komt. De Inspecteur had voor het Hof aangevoerd dat op grond van artikel 4, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet Bcf compensatie daarvan is uitgesloten omdat het College de re-integratiediensten en de loopbaanbegeleiding heeft afgenomen om te verstrekken aan een individuele derde. Het Hof heeft dit standpunt verworpen.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het betoogt dat zowel de re-integratiediensten als de loopbaanbegeleiding voor feitelijk gebruik of verbruik aan een individuele derde ten goede komen en dat daarom op grond van artikel 4, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet Bcf het recht op een bijdrage is uitgesloten. Het is volgens het middel niet relevant waarom de compensatiegerechtigde de goederen of de diensten afneemt en deze ter beschikking stelt, verstrekt of verleent aan die individuele derde.

3.2.1

Bij de behandeling van het middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop.

3.2.2

Het recht op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds is op grond van artikel 4, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet Bcf uitgesloten voor de omzetbelasting die in rekening is gebracht voor leveringen van goederen en diensten die worden gebezigd om te worden verstrekt, verleend of ter beschikking gesteld aan een of meer individuele derden.

3.2.3

Het Hof heeft terecht vooropgesteld dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet Bcf volgt dat de essentie van artikel 4, lid 1, letter a, van de Wet Bcf is het recht op een bijdrage uit te sluiten voor de goederen of diensten die, al dan niet na bewerking, aan anderen dan de compensatiegerechtigde ten goede komen voor het feitelijk gebruik of verbruik. Hiermee wordt beoogd compensatie uit te sluiten als de compensatiegerechtigde als intermediair optreedt tussen leverancier of dienstverlener en de uiteindelijke gebruiker of verbruiker. Uit diezelfde totstandkomingsgeschiedenis blijkt ook dat die uitsluiting van compensatie in elk geval niet prestaties betreft die de compensatiegerechtigde ten behoeve van zijn eigen organisatie en bestuur afneemt noch prestaties die de compensatiegerechtigde doorgeeft aan de collectiviteit van inwoners in de vorm van een gemeenschapsvoorziening.

3.2.4

Anders dan het middel betoogt, kan uit de totstandkomingsgeschiedenis niet worden afgeleid dat de wetgever heeft bedoeld compensatie van omzetbelasting uit te sluiten in alle gevallen waarin de goederen en de diensten die de compensatiegerechtigde afneemt, feitelijk door een of meer individuele derden worden gebruikt. Wanneer een compensatiegerechtigde in het kader van de uitvoering van een hem wettelijk opgedragen taak goederen of diensten doet verstrekken die door een of meer individuele derden feitelijk worden gebruikt, sluit artikel 4, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet Bcf het recht op compensatie alleen uit indien het afnemen van die goederen en/of die diensten door de compensatiegerechtigde in overheersende mate plaatsvindt omwille van het individuele belang van die derden. Daarmee zijn die derden aan te merken als eindverbruiker en vervult de compensatiegerechtigde slechts de rol van intermediair. Dat doet zich niet voor indien die derden volgens de wet verplicht zijn om van de door de compensatiegerechtigde aangeboden goederen of diensten gebruik te maken en de compensatiegerechtigde aan een weigering daaraan mee te werken negatieve gevolgen voor die individuele derden kan verbinden. Onder die omstandigheden moet worden aangenomen dat de compensatiegerechtigde de goederen en de diensten heeft aangeschaft in verband met het belang van zijn eigen organisatie en bestuur dan wel het collectieve belang. De compensatiegerechtigde zelf is dan de eindverbruiker van de goederen of de diensten. Deze uitleg strookt met de bedoeling van de wetgever om compensatie met name uit te sluiten in gevallen waarin de compensatiegerechtigde in plaats van financiële ondersteuning of een sociale uitkering, diensten verleent of goederen verstrekt of ter beschikking stelt aan een derde.

3.2.5

Voor werklozen die algemene bijstand ontvangen, geldt dat zij op grond van artikel 9, lid 1, aanhef en letter b, van de Wwb verplicht zijn mee te werken aan de ondersteuning die een college van burgemeester en wethouders van een gemeente aan hen aanbiedt met het oog op het verkrijgen van passende arbeid en dat dit college volgens die wet aan de weigering daaraan mee te werken negatieve gevolgen voor de uitkering kan verbinden. Een dergelijke verplichting mee te werken geldt ook voor gewezen politieke ambtsdragers. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.4 is overwogen, moet daarom worden aangenomen dat re-integratiediensten en loopbaanbegeleiding in zulke gevallen door de gemeente worden afgenomen voor gebruik door die gemeente zelf. Dat betekent dat de in artikel 4, lid 1, letter a, van de Wet Bcf bedoelde uitzondering toepassing mist.

3.3

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.3 tot en met 3.2.5 is overwogen, geven de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel faalt daarom.

4 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2020.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 508.

Artikel 9, lid 1, en artikel 55 van de Wwb

Artikel 18, lid 2, respectievelijk artikel 54, lid 1, van de Wwb

Vgl. Kamerstukken 2001-2002, 28 496, nr. 3, blz. 2.

Vgl. Kamerstukken 1999-2000, 27 293, nr. 3, blz. 19.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature