< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Herziening. Medeplegen aanwezig hebben 40 kilo hennep (art. 3.C jo. 11.5 Opiumwet), medeplegen diefstal (art. 311.1.4 Sr) en witwassen, meermalen gepleegd (art. 420bis.1.b Sr). Aangevoerd wordt dat Rb OM n-o zou hebben verklaard indien zij bekend zou zijn geweest met arrest hof in zaak tegen medeverdachte (OM n-o vanwege onrechtmatige inzet van burger in vooronderzoek). HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BW9301 m.b.t. uitzonderlijke gevallen waarin OM ex art. 359a Sv n-o is in strafvervolging. In aanvraag wordt niet onderbouwd waarom omstandigheid dat politie burger ertoe heeft aangezet bijstand te verlenen aan opsporing door stelselmatig informatie in te winnen omtrent medeverdachte meebrengt dat in voorbereidend onderzoek in strafzaak tegen aanvrager sprake was van doelbewuste of grove veronachtzaming van belangen van de aanvrager bij diens recht op eerlijke behandeling van zijn zaak. Evenmin is in aanvraag onderbouwd waarom vormverzuimen in voorbereidend onderzoek in strafzaak tegen medeverdachte, indien Rb daarmee t.t.v. behandeling van strafzaak tegen aanvrager bekend was geweest, zouden hebben geleid tot n-o verklaring van OM in vervolging van aanvrager. Verwijzing naar bij aanvraag gevoegd arrest van hof in strafzaak tegen medeverdachte volstaat daartoe niet, omdat daaraan niet ernstig vermoeden kan worden ontleend dat in strafzaak tegen aanvrager sprake was van uitzonderlijk geval als hiervoor omschreven. Hieruit volgt dat in aanvraag aangevoerde niet kan worden aangemerkt als gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv. Afwijzing aanvraag.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02483 H

Datum 30 juni 2020

ARREST

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 10 november 2010, nummer 01/845184-10, ingediend door A.S. van der Biezen, advocaat te 's-Hertogenbosch,

namens

[aanvrager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de aanvrager.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De rechtbank heeft de aanvrager in de zaak met parketnummer 01/845184-10 ter zake van 1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid hennep en 2. diefstal door twee of meer verenigde personen, en in de zaak met parketnummer 01/845315-10 ter zake van witwassen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden.

2 De aanvraag tot herziening

2.1

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2

De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe in de kern aangevoerd dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging van de aanvrager, indien het bekend was geweest met de eerst bij de behandeling van de strafzaak van de medeverdachte [betrokkene 1] in hoger beroep beschikbaar gekomen informatie verband houdend met de getuige [betrokkene 2]. Blijkens het bij de aanvraag gevoegde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 29 januari 2016 in de zaak van de medeverdachte [betrokkene 1] is het openbaar ministerie wegens vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek in verband met de inzet van deze getuige om bijstand te verlenen aan de opsporing niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging tegen die verdachte.

3 De conclusie van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag zal afwijzen.

4 Beoordeling van de aanvraag

4.1

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang op grond van artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

4.2

Voor de bewijsoverwegingen van het hof, voor zover hier van belang, verwijst de Hoge Raad naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7.

4.3

De Hoge Raad stelt voorop dat voor de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, die als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt, alleen plaats is ingeval het in het voorbereidend onderzoek in de strafzaak tegen de aanvrager -en dus niet tegen een ander- ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de aanvrager aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, en voorts dat het de aanvrager is die tot op zekere hoogte aannemelijk zal moeten maken dat zich dat in zijn strafzaak daadwerkelijk heeft voorgedaan (vgl. HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9301, rov. 4.4).

4.4

In de aanvraag wordt niet onderbouwd waarom de omstandigheid dat de politie [betrokkene 2] ertoe heeft aangezet bijstand te verlenen aan de opsporing door stelselmatig informatie in te winnen omtrent [betrokkene 1] meebrengt dat in het voorbereidend onderzoek in de strafzaak tegen de aanvrager sprake was van een doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van de aanvrager bij diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Evenmin is in de aanvraag onderbouwd waarom vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek in de strafzaak tegen de medeverdachte, indien de rechtbank daarmee ten tijde van de behandeling van de strafzaak tegen de aanvrager bekend was geweest, zouden hebben geleid tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de aanvrager. De verwijzing naar het bij de aanvraag gevoegde arrest van het gerechtshof ’s Hertogenbosch in de strafzaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] volstaat daartoe niet, omdat daaraan niet het ernstige vermoeden kan worden ontleend dat in de strafzaak tegen de aanvrager sprake was van een uitzonderlijk geval als hiervoor onder 4.3 omschreven. Hieruit volgt dat het in de aanvraag aangevoerde niet kan worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is dus ongegrond, zodat op grond van artikel 470 Sv als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature