E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2020:1160
Hoge Raad, 18/02483

Inhoudsindicatie:

Herziening. Medeplegen aanwezig hebben 40 kilo hennep (art. 3.C jo. 11.5 Opiumwet), medeplegen diefstal (art. 311.1.4 Sr) en witwassen, meermalen gepleegd (art. 420bis.1.b Sr). Aangevoerd wordt dat Rb OM n-o zou hebben verklaard indien zij bekend zou zijn geweest met arrest hof in zaak tegen medeverdachte (OM n-o vanwege onrechtmatige inzet van burger in vooronderzoek). HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BW9301 m.b.t. uitzonderlijke gevallen waarin OM ex art. 359a Sv n-o is in strafvervolging. In aanvraag wordt niet onderbouwd waarom omstandigheid dat politie burger ertoe heeft aangezet bijstand te verlenen aan opsporing door stelselmatig informatie in te winnen omtrent medeverdachte meebrengt dat in voorbereidend onderzoek in strafzaak tegen aanvrager sprake was van doelbewuste of grove veronachtzaming van belangen van de aanvrager bij diens recht op eerlijke behandeling van zijn zaak. Evenmin is in aanvraag onderbouwd waarom vormverzuimen in voorbereidend onderzoek in strafzaak tegen medeverdachte, indien Rb daarmee t.t.v. behandeling van strafzaak tegen aanvrager bekend was geweest, zouden hebben geleid tot n-o verklaring van OM in vervolging van aanvrager. Verwijzing naar bij aanvraag gevoegd arrest van hof in strafzaak tegen medeverdachte volstaat daartoe niet, omdat daaraan niet ernstig vermoeden kan worden ontleend dat in strafzaak tegen aanvrager sprake was van uitzonderlijk geval als hiervoor omschreven. Hieruit volgt dat in aanvraag aangevoerde niet kan worden aangemerkt als gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv. Afwijzing aanvraag.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie