E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2020:1108
Hoge Raad, 20/00592

Inhoudsindicatie:

Beklag, beslag n.a.v. Europees onderzoeksbevel van Duitse autoriteiten op administratie en voorraden onder klaagster (rechtspersoon) t.z.v. verdenking van overtreding Wet dieren. 1. Is sprake van dubbele strafbaarheid? Art. 5.4.4.2 Sv. 2. Kon Rb niet beslissen over hoeveelheid inbeslaggenomen voorwerpen die aan Duitse autoriteiten overgedragen werden en daarover ook geen concrete aanwijzingen geven? Art. 5.4.7.1 Sv.

Ad 1. O.g.v. art. 5.4.4.22 Sv dient in beginsel (behoudens in deze bepaling omschreven uitzondering) te worden voldaan aan vereiste van dubbele strafbaarheid. Dat vereiste houdt in dat het materiƫle feit waarvoor bevel is uitgevaardigd binnen termen van Nederlandse strafbepaling moet vallen. Daarvoor is voldoende dat strafbaarstelling zoals deze in uitvaardigende staat luidt, in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als Nederlandse strafbaarstelling. Deze strafbaarstellingen hoeven dus niet in alle opzichten met elkaar overeen te stemmen (vgl. m.b.t. art. 552o (oud) Sv ECLI:NL:HR:2009:BI7322). Rb heeft overwogen dat in EOB omschreven gedraging binnen Nederlandse strafbaarstelling valt, namelijk art. 2:19 Wet dieren, en op grond daarvan geoordeeld dat is voldaan aan vereiste van dubbele strafbaarheid. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Ad 2: Opvatting dat Rb proportionaliteit van inbeslagneming en van daarop volgende overdracht van voorwerpen die bewijsmateriaal vormen waarop EOB betrekking heeft had moeten toetsen, is gelet op art. 5.4.7.1 Sv en wetsgeschiedenis bij die bepaling onjuist.

Volgt verwerping.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie