< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Wvggz. Voortzetting crisismaatregel (art. 7:8 Wvggz). Recht op rechtsbijstand; mondelinge behandeling buiten aanwezigheid advocaat. Klachten over niet mededelen aan betrokkene van de zakelijke inhoud van door artsen aan rechter verstrekte inlichtingen en het niet in de gelegenheid stellen van betrokkene en zijn advocaat om hun zienswijze kenbaar te maken (art. 7:8 lid 2 in verbinding met art. 6:1 leden 7 en 8 Wvggz).

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/01124

Datum 19 juni 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene] ,wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: C. Reijntjes-Wendenburg,

tegen

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT LIMBURG,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: officier van justitie,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/273771/ BZ RK 20/81 van de rechtbank Limburg van 29 januari 2020.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Limburg.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In deze zaak komt aan de orde de verplichting van de rechtbank om bij de behandeling van een verzoek voor een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel, de zakelijke inhoud van door deskundigen verstrekte inlichtingen aan betrokkene mede te delen en betrokkene en zijn advocaat in de gelegenheid te stellen hun zienswijze daarover kenbaar te maken (art. 7:8 lid 2 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) in verbinding met art. 6:1 leden 7 en 8 Wvggz). Daarnaast is aan de orde of de rechtbank voldoende rekening heeft gehouden met het recht op rechtsbijstand van betrokkene.

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 24 januari 2020 heeft de burgemeester van de gemeente Maastricht op grond van art. 7:1 lid 1 Wvggz een crisismaatregel genomen ten aanzien van betrokkene.

(ii) Op 27 januari 2020 heeft de officier van justitie op grond van art. 7:7 lid 1 Wvggz de rechtbank verzocht om ten aanzien van betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen.

(iii) Op 29 januari 2020 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden in de accommodatie waarin betrokkene toen was opgenomen.

(iv) De (waarnemend) advocaat van betrokkene kon wegens het uitlopen van een andere zitting, niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zijn.

(v) Een arts in opleiding tot psychiater en de afdelingsarts hebben tijdens de mondelinge behandeling, in afwezigheid van betrokkene, inlichtingen verstrekt.

(vi) Nadat betrokkene, die zich in de separeerruimte bevond, was gehoord, heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.

(vii) Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt – voor zover in cassatie van belang – het volgende:

“De voorbespreking van de zaak vindt plaats buiten de aanwezigheid van betrokkene, nu betrokkene zich vanwege ernstig veiligheidsrisico in de separeerruimte bevindt.

[De waarnemend advocaat] belt voorafgaand aan het tijdstip van de zitting van 10.30 uur met de rechtbank Limburg om, onder aanbieding van haar excuses daarvoor, door te geven dat zij niet tijdig bij de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak aanwezig kan zijn in verband met de uitloop van een andere mondelinge behandeling, waarbij zij aanwezig moet zijn in het gerechtsgebouw van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht. De rechter heeft na het verstrijken van het geappointeerde tijdstip voor de mondelinge behandeling van 10.30 uur daaropvolgend nog twee maal vanuit de GGZ-instelling telefonisch contact met [de waarnemend advocaat]. Desgevraagd geeft [zij] aan dat zij vanwege een hernieuwde schorsing van diezelfde mondelinge behandeling in het gerechtsgebouw van de rechtbank Limburg niet weet op welk tijdstip zij ter zitting aanwezig kan zijn. Op de suggestie van de rechter dat zij een collega in haar plaats zou kunnen laten optreden, geeft zij te kennen momenteel geen zorg te kunnen dragen voor een vervangende advocaat.

Na een wachttijd van ruim 60 minuten beslist de rechter betrokkene alsnog te zullen gaan horen buiten de aanwezigheid van een advocaat, nu deze nog steeds niet is verschenen. De rechter deelt in dit verband mee dat hij het niet verantwoord vindt om nog langer te wachten met het horen van betrokkene, nu het langdurig, reeds meer dan een uur, beschikbaar houden van de beide afdelingsartsen en een viertal verpleegkundigen, noodzakelijk om de veiligheid tijdens het verhoor in de separeerruimte te waarborgen, een ontwrichtende werking op het functioneren van de afdeling heeft.

De rechter houdt het verzoek voor.

[De arts in opleiding tot psychiater] verklaart – zakelijk weergegeven –:

Betrokkene is nog steeds floride psychotisch. Er is ook nu nog sprake van een hoog suïciderisico. Direct na opname van betrokkene bij Mondriaan leek het suïciderisico verminderd. Wij zien momenteel echter een toename van de ziektesymptomen bij betrokkene, mogelijk door zijn gevoel gevangen te zitten, zowel in zichzelf als op de afdeling. Betrokkene is zeer achterdochtig en heeft hierdoor geen vertrouwen in de behandeling. Gisteren ging het heel snel bergafwaarts. Wij hebben toen op de afdeling eerst ingezet op een zogenaamde één op één behandeling. Ook dit bleek niet mogelijk door de verheviging van de symptomen. Wij hebben daarom toen het besluit genomen om betrokkene in de separeerruimte te doen verblijven.

[De afdelingsarts] verklaart vervolgens:

De samenwerking met betrokkene is op dit moment minimaal. Hij weigert ook te eten en te drinken.

De rechter hoort betrokkene vervolgens in de separeerruimte.

De rechter geeft aan betrokkene te kennen dat zijn advocaat na een wachttijd van ruim een uur na het aanvangstijdstip niet is verschenen ter mondelinge behandeling en dat hij betrokkene daarom zal horen buiten aanwezigheid van zijn advocaat, nu nog langer blijven wachten niet langer verantwoord is.

Op de vraag van de rechter verklaart betrokkene:

Ik weet niet of ik contact heb gehad met mijn advocaat.

[De arts in opleiding tot psychiater] verklaart vervolgens:

Betrokkene heeft afgelopen zaterdag met zijn advocaat gesproken.

Betrokkene verklaart:

Ik wil naar huis. Vindt u dit menselijk?

De rechter doet daarop mondeling uitspraak en deelt mee dat de schriftelijke beschikking zo spoedig mogelijk zal volgen.

Betrokkene verklaart vervolgens:

Moet ik dan op deze plek blijven? Ik word gewoon door u overgedragen. Ik ben blijkbaar geen mens meer. Ik wil niet op deze plek blijven.”

2.3

De mondelinge beschikking van de rechtbank van 29 januari 2020 is schriftelijk uitgewerkt op 3 februari 2020. In de beschikking heeft de rechtbank op grond van art. 7:8 Wvggz een machtiging verleend tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van betrokkene en bepaald dat deze machtiging geldt tot en met 19 februari 2020.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Tegen een beslissing tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel staat beroep in cassatie open. Betrokkene is dus ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

3.2.1

Het middel klaagt in de eerste plaats dat de rechtbank betrokkene en zijn advocaat ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld hun zienswijze te geven op de tijdens de mondelinge behandeling door de artsen verstrekte inlichtingen.

3.2.2

Op grond van art. 7:8 lid 2 Wvggz zijn onder meer de leden 7 en 8 van art. 6:1 van die wet van overeenkomstige toepassing op de behandeling van een verzoekschrift voor een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel.

Art. 6:1 lid 7 Wvggz bepaalt dat indien de rechter zich laat voorlichten in afwezigheid van betrokkene, de zakelijke inhoud van de verstrekte inlichtingen aan betrokkene wordt medegedeeld.

Art. 6:1 lid 8 Wvggz schrijft voor dat betrokkene en zijn advocaat in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze kenbaar te maken naar aanleiding van de mededelingen en verklaringen van deskundigen, getuigen of andere personen aan wie de rechter heeft verzocht informatie te verschaffen.

3.2.3

De rechtbank heeft zich tijdens de mondelinge behandeling laten voorlichten door twee artsen in afwezigheid van betrokkene. Ook de advocaat van betrokkene was daarbij niet aanwezig.

Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en uit de bestreden beschikking blijkt niet dat de rechtbank, zoals zij op grond van art. 7:8 lid 2 in verbinding met art. 6:1 leden 7 en 8 Wvggz had moeten doen, de zakelijke inhoud van de door de artsen verstrekte inlichtingen aan betrokkene heeft medegedeeld, en betrokkene en zijn advocaat in de gelegenheid heeft gesteld hun zienswijze daarover kenbaar te maken.

Gelet hierop, slaagt de hiervoor in 3.2.1 weergegeven klacht.

3.3.1

Het middel klaagt voorts dat de rechtbank geen machtiging, mede strekkend tot vrijheidsbeneming, had mogen geven, zonder dat betrokkene van rechtsbijstand was voorzien en zonder de advocaat van betrokkene in de gelegenheid te stellen haar zienswijze (alsnog) naar voren te brengen. Het middel wijst erop dat betrokkene geen afstand van het recht op rechtsbijstand heeft gedaan.

3.3.2

Uit de beginselen die ten grondslag liggen aan art. 5 EVRM vloeit, bijzondere omstandigheden daargelaten, voor betrokkenen een recht op rechtsbijstand voort in procedures over voortzetting, schorsing of beëindiging van hun vrijheidsbeneming.

Dit geldt ook voor personen die onvrijwillig zijn opgenomen in een accommodatie, zoals betrokkene.

Aan het recht op rechtsbijstand van betrokkene is – voor zover hier van belang – in art. 7:2 lid 3 Wvggz invulling gegeven. Op grond van die bepaling draagt de burgemeester, indien betrokkene geen advocaat heeft, binnen 24 uur na het nemen van een crisismaatregel ervoor zorg dat betrokkene wordt bijgestaan door een advocaat, tenzij betrokkene daartegen bedenkingen heeft.

3.3.3

De rechtbank heeft blijkens rov. 1.3 van de bestreden beschikking na een wachttijd van zestig minuten besloten betrokkene te horen buiten aanwezigheid van een advocaat, nu de advocaat die betrokkene zou bijstaan niet kon zeggen op welk tijdstip zij ter zitting aanwezig kon zijn en niet kon zorgdragen voor een vervangende advocaat voor betrokkene.

Nadat betrokkene was gehoord, heeft de rechtbank direct mondeling uitspraak gedaan.

3.3.4

Gelet op de inhoud van het proces-verbaal (zie hiervoor in 2.2), heeft de rechtbank een afweging gemaakt tussen enerzijds het recht op rechtsbijstand van betrokkene (zie hiervoor in 3.3.2) en anderzijds de volgens de rechtbank ontwrichtende werking op het functioneren van de afdeling van het beschikbaar houden van de beide afdelingsartsen en een viertal verpleegkundigen, noodzakelijk om de veiligheid tijdens het verhoor in de separeerruimte te waarborgen. De rechtbank heeft echter niet vastgesteld dat het, gelet op de in art. 7:8 lid 3 Wvggz bepaalde beslistermijn, onmogelijk was de mondelinge behandeling aan te houden teneinde de advocaat van betrokkene in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van – en te reageren op – de door de artsen verstrekte inlichtingen en zich uit te laten over het verzoek van de officier van justitie. De rechtbank heeft evenmin vastgesteld dat betrokkene afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand. Ook de hiervoor in 3.3.1 weergegeven klacht is dus gegrond.

3.4

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 29 januari 2020;

wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 19 juni 2020.

HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012.

HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:146, rov. 3.4.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature