E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2020:1055
Hoge Raad, 20/00962

Inhoudsindicatie:

Cassatie in het belang van de wet. Hof heeft i.h.k.v. Wahv aan betrokkene opgelegde (boete)beschikking t.z.v. parkeren in strijd met parkeerverbod vernietigd. Kan Wahv-boete worden opgelegd voor overtreden van verkeersteken/verkeersbord dat gebod of verbod inhoudt, wanneer blijkt dat plaatsing daarvan (nog) niet berust op geldig verkeersbesluit? O.g.v. art. 62 RVV 1990 zijn weggebruikers verplicht gevolg te geven aan verkeerstekens die gebod of verbod inhouden. In die bepaling wordt geen onderscheid gemaakt of verkeerstekens al dan niet met inachtneming van daarvoor geldende wettelijke voorschriften zijn geplaatst, dat wil zeggen of verkeersbord geplaatst is krachtens verkeersbesluit. Het staat dan ook niet ter beoordeling van weggebruiker of verkeersbord overeenkomstig voorschriften en terecht is geplaatst. Ook o.g.v. eisen van verkeersveiligheid kan deze beoordeling niet aan weggebruiker worden overgelaten. Weggebruiker zal, ook als hij meent dat bord ten onrechte is geplaatst, gevolg moeten geven aan dat verkeersteken, alleen al omdat andere weggebruikers vaak daarop zullen rekenen. Uitzondering op deze regel bestaat slechts in het geval dat situatie onmiskenbaar zo afwijkend is van die waarop verkeersbord betrekking heeft, dat gevolg geven aan dat teken veiligheid op de weg in gevaar zou brengen (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0700). O.g.v. art. 9.2.b en 20d.1 Wahv kan rechter beschikking waarbij administratieve sanctie is opgelegd, vernietigen indien naar zijn oordeel OvJ had moeten beslissen dat omstandigheden waaronder gedraging heeft plaatsgevonden, opleggen van administratieve sanctie niet billijken. Hof heeft vastgesteld dat verkeersbesluit dat ten grondslag lag aan verkeersteken dat parkeerverbod inhield, nog niet in werking was getreden op het moment van gedraging van betrokkene. Vervolgens heeft hof geoordeeld dat het niet ter beoordeling van weggebruiker staat of verkeersteken overeenkomstig voorschriften en terecht is geplaatst. Daarnaast heeft hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat zich niet uitzondering heeft voorgedaan die inhoudt dat situatie onmiskenbaar zo afwijkend is van die waarop verkeersteken betrekking heeft dat gevolg geven aan dat teken veiligheid op de weg in gevaar zou brengen. Deze oordelen getuigen, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, niet van onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Dat verkeersteken dat gebod of verbod inhoudt, niet met inachtneming van daarvoor geldende wettelijke voorschriften is geplaatst, kan echter niet worden aangemerkt als omstandigheid a.b.i. art. 9.2.b Wahv, dat wil zeggen noch als omstandigheid waaronder gedraging heeft plaatsgevonden noch als omstandigheid waarin betrokkene verkeert. ’s Hofs oordeel dat oplegging van administratieve sanctie achterwege had moeten blijven omdat verkeersbesluit dat ten grondslag lag aan verkeersteken dat parkeerverbod inhield, nog niet in werking was getreden op het moment van gedraging van betrokkene, getuigt daarom van onjuiste rechtsopvatting. Volgt vernietiging in het belang van de wet.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie