E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2020:1026
Hoge Raad, 19/00371

Inhoudsindicatie:

Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen passieve ambtelijke omkoping. Amsterdamse marktmeester zaak. 1. Verhouding uitspraak in hoofdzaak en ontnemingszaak. Kon hof gelet op EHRM uitspraak Van de Kolk-Nederland arrest in hoofdzaak ten grondslag leggen aan beslissing in ontnemingszaak? 2. Derdenwerking van schending van recht op rechtsbijstand. Staat “schutznorm” in de weg aan beroep op schending van recht op rechtsbijstand bij verhoor van medeveroordeelden?

Ad 1. en 2. Hof heeft in deze ontnemingszaak verweer van raadsvrouw verworpen dat verklaringen van voormalige marktmeesters (medeveroordeelden) van bewijs moeten worden uitgesloten omdat zij zijn gehoord zonder dat zij voorafgaand aan verhoor consultatiebijstand hebben ontvangen, zij onder grote stress verkeerden en zij hun verklaringen hebben afgelegd om zo snel mogelijk weer naar huis te kunnen. Daarbij heeft hof zich in deze ontnemingszaak verenigd met ‘s hofs oordeel in hoofdzaak m.b.t. in die hoofdzaak gevoerd verweer van gelijke strekking en overwogen geen aanleiding te zien voor andere afweging in ontnemingszaak. In toelichting op middel wordt aangevoerd dat door hof voor schatting w.v.v. gebruikte verklaringen door medeveroordeelden bij politie zijn afgelegd terwijl zij niet beschikten over verhoorbijstand. Op grond daarvan wordt (onder verwijzing naar EHRM uitspraak Van de Kolk-Nederland) betoogd dat die verklaringen in strijd met art. 6 EVRM zijn verkregen en door hof niet hadden mogen worden betrokken bij schatting. Middel miskent dat deze omstandigheid, die niet aan door raadsvrouw bij hof gevoerd verweer ten grondslag is gelegd, niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd en beoordeeld. Dat zou immers onderzoek van feitelijke aard vergen - niet alleen naar wijze waarop betreffende verhoren zijn verlopen maar ook naar eventuele omstandigheden die van belang zijn voor oordeel over gestelde schending van art. 6 EVRM - waarvoor in cassatie geen plaats is. Daarnaast miskent middel dat hof in hoofdzaak al heeft geoordeeld over daar gevoerd verweer m.b.t. vraag of gebruik van verklaringen van medeveroordeelden voor bewijs verenigbaar is met art. 6 EVRM en dat rechter die over vordering tot ontneming van w.v.v. moet oordelen, in algemene zin is gebonden aan zo’n oordeel van rechter in hoofdzaak (vgl. ECLI:NL:HR:1999:ZD1501).

Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:327 (strafzaak betrokkene).

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie