E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2019:713
Hoge Raad, 17/05197

Inhoudsindicatie:

OM-cassatie. Verdachte tijdens de strafzaak overgeleverd aan Letland. HR herhaalt ECLI:NL: HR:2016:2059, NJ 2017/51 m.b.t. de n-o van het OM i.v.m. een onherstelbaar vormverzuim onderscheidenlijk onherstelbare inbreuk. Hof heeft vastgesteld dat raadsman van verdachte zowel vóór de overlevering als daarna herhaaldelijk aan de Nederlandse autoriteiten – waaronder het OM – kenbaar heeft gemaakt dat verdachte gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht, waarbij de raadsman de nodige inspanningen heeft verricht om de aanwezigheid van verdachte op de tz. in h.b. te bewerkstelligen. Hof heeft o.g.v. deze vaststellingen geoordeeld dat onder de verantwoordelijkheid van het OM inbreuk is gemaakt op het door art. 6 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht van verdachte en dat dit tot n-o van het OM in de vervolging moet leiden. Nu Hof niets heeft vastgesteld omtrent de (on)mogelijkheid het aanwezigheidsrecht van verdachte alsnog te effectueren en daarmee evenmin over de vraag of sprake was van een onherstelbare inbreuk, is dat oordeel reeds daarom niet begrijpelijk. In dit verband verdient nog opmerking dat als hoofdregel geldt dat indien uit de stukken of het verhandelde ttz. blijkt dat verdachte in het buitenland is gedetineerd en niet blijkt dat hij rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, niet wordt voortgegaan met het o.t.tz. (vgl. 16/05428). Volgt vernietiging en terugwijzing.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie