E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2019:713
Hoge Raad, 17/05197

Inhoudsindicatie:

OM-cassatie. Niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging t.z.v. winkeldiefstal (art. 310 Sr) wegens schending aanwezigheidsrecht verdachte, die na instellen h.b. door Nederlandse autoriteiten is overgeleverd aan Letland. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL: HR:2016:2059 m.b.t. niet-ontvankelijkverklaring OM i.g.v. vormverzuimen in de zin van art. 359a Sv dan wel inbreuk op verdedigingsrechten van verdachte die niet onder bereik van art. 359a Sv valt.. Hof heeft vastgesteld dat raadsman van verdachte zowel vóór overlevering als daarna herhaaldelijk aan Nederlandse autoriteiten - waaronder OM - kenbaar heeft gemaakt dat verdachte gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht, waarbij raadsman nodige inspanningen heeft verricht om aanwezigheid van verdachte op tz. in h.b. te bewerkstelligen. Hof heeft o.g.v. deze vaststellingen geoordeeld dat onder verantwoordelijkheid van OM inbreuk is gemaakt op door art. 6 EVRM gewaarborgd aanwezigheidsrecht van verdachte en dat dit tot niet-ontvankelijkheid OM in vervolging moet leiden. Nu Hof niets heeft vastgesteld omtrent (on)mogelijkheid aanwezigheidsrecht van verdachte alsnog te effectueren en daarmee evenmin over vraag of sprake was van onherstelbare inbreuk, is dat oordeel reeds daarom niet begrijpelijk. In dit verband verdient nog opmerking dat als hoofdregel geldt dat indien uit stukken of verhandelde ttz. blijkt dat verdachte in het buitenland is gedetineerd en niet blijkt dat hij rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, niet wordt voortgegaan met het onderzoek ttz.. (vgl. ECLI:NL:HR:2019:709). Volgt vernietiging en terugwijzing.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie