E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2019:709
Hoge Raad, 16/05428

Inhoudsindicatie:

Aanwezigheidsrecht. Detentie in het buitenland. HR behandelt de vraag onder welke omstandigheden de rechter gehouden is het o.t.tz. te schorsen indien het voor verdachte feitelijk niet mogelijk is t.tz. te verschijnen omdat hij in het buitenland is gedetineerd. HR: Hoofdregel is dat, indien uit de stukken of het verhandelde t.tz. blijkt dat verdachte in het buitenland is gedetineerd en niet blijkt dat hij rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, niet wordt voortgegaan met het o.t.tz. Daarom vergt een beslissing om niet aan te houden vanwege uitzonderlijke omstandigheden een nadere motivering. Opmerking verdient nog dat uiteindelijk bij de bepaling van de redelijke termijn van berechting aanhouding op de grond dat verdachte in het buitenland gedetineerd is i.b. voor zijn rekening zal komen. Gelet hierop is de afwijzing door het Hof van het door de verdediging gedane aanhoudingsverzoek niet toereikend gemotiveerd, reeds omdat het Hof de juistheid in het midden heeft gelaten van wat door de raadsman van verdachte is aangevoerd over de te verwachten spoedige uitlevering van de verdachte door Colombia aan de VS en de mogelijkheid van een daaropvolgende tijdelijke overlevering van verdachte door de VS aan NL. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie