E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2019:1880
Hoge Raad, 17/05056

Inhoudsindicatie:

Beleggingsfraude. Oplichting (art 326.1 Sr) en valsheid in geschrift onder strafverzwarende omstandigheden (art. 226.2 Sr). Afwijzing van drie (voorwaardelijke) getuigenverzoeken, waaronder getuige A. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:1015 m.b.t. motivering van verzoeken tot oproepen en horen van getuigen i.h.l.v. rechtspraak van het EHRM en uit ECLI:NL:HR:2014:1496 m.b.t. de beoordeling van afwijzingen van zulke verzoeken in cassatie. De afwijzing van het verzoek tot het horen van getuige A door het Hof is, gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd - kort gezegd erop neerkomend dat de betrokkenheid van A bij succesvol uitgevoerde eerdere projecten en bij het onderhavige project meebrengt dat de hierover van de kant van de verdachte gegeven informatie in o.m. het prospectus, anders dan het Hof in zijn vaststellingen heeft aangenomen, op juistheid berusten - zonder nadere doch ontbrekende motivering niet begrijpelijk. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het ervoor moet worden gehouden dat de verdediging voorafgaand aan de ttz. in h.b. te kennen heeft gegeven o.m. deze getuige te willen horen, waarna de voorzitter van het Hof heeft bericht vooralsnog geen aanleiding te zien om in het verzoek te bewilligen, maar dat het verzoek desgewenst ttz. zou kunnen worden herhaald. Volgt gedeeltelijke vernietiging. Samenhang met 17/04915.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie