< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Antidumpingrechten; Vo. (EU) nr. 723/2011; uitbreiding van antidumpingrechten op stalen of ijzeren bevestigingsmiddelen van post 7318 van de GN van oorsprong uit China tot invoer van dezelfde producten verzonden uit Maleisië; Vo. (EU) 723/2011 ongeldig verklaard omdat de Commissie bij de totstandkoming ervan procedurevoorschriften niet heeft nageleefd; splitsing zaak in verband met snelle en doeltreffende uitvoering van Unierecht.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 17/02038

Datum 22 november 2019

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 april 2017, nrs. 15/00601 tot en met 15/00605, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 14/2015 tot en met HAA 14/2017, HAA 14/3204 en HAA 14/3205) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van antidumpingrechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

1.1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 3 april 2018 geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:NL:PHR:2018:391 en ECLI:NL:PHR:2018:393).Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

1.2

De Hoge Raad heeft de behandeling van het geding aangehouden in afwachting van de beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie op vragen die de Hoge Raad heeft voorgelegd. Deze vragen betreffen de geldigheid van Verordening (EG) nr. 91/2009 van de Raad van 26 januari 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, PB 2009, L 29 (hierna: Vo. (EG) nr. 91/2009), en van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 723/2011 van de Raad van 18 juli 2011 tot uitbreiding van het bij Verordening (EG) nr. 91/2009 ingestelde definitieve antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot bepaalde soorten uit Maleisië verzonden ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië, PB 2011, L 194 (hierna: Vo. (EU) nr. 723/2011).

1.3

Bij arrest van 3 juli 2019, Eurobolt B.V., C-644/17, ECLI:EU:C:2019:555, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:

“1) Artikel 267 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een justitiabele, om de geldigheid van een handeling van afgeleid Unierecht te betwisten, zich voor een nationale rechter kan beroepen op de grieven die kunnen worden aangevoerd in het kader van een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU , daaronder begrepen grieven inzake de niet-naleving van de voorwaarden voor vaststelling van een dergelijke handeling.

2) Artikel 267 VWEU juncto artikel 4, lid 3, VEU moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter zich, voorafgaand aan een verwijzing naar het Hof, kan wenden tot de instellingen van de Europese Unie die betrokken waren bij de totstandkoming van een handeling van afgeleid Unierecht waarvan de geldigheid bij hem wordt betwist, teneinde van hen de specifieke informatie en gegevens te verkrijgen die hij nodig acht om iedere twijfel die hij omtrent de geldigheid van de betrokken Uniehandeling mocht hebben, weg te nemen en te vermijden dat hij het Hof een prejudiciële vraag ter beoordeling van de geldigheid van die handeling moet voorleggen.

3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 723/2011 van de Raad van 18 juli 2011 tot uitbreiding van het bij verordening (EG) nr. 91/2009 ingestelde definitieve antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot bepaalde soorten uit Maleisië verzonden ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië, is ongeldig, omdat deze is vastgesteld in strijd met artikel 15, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap.”.

1.4

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd op dit arrest. Belanghebbende heeft in haar reactie naar aanleiding van dit arrest de Hoge Raad verzocht om de zaak te splitsen met het oog op een snelle beslechting van het geschil over de uitnodigingen tot betaling die de Inspecteur heeft gegrond op Vo. (EU) nr. 723/2011. Het betreft de uitnodigingen tot betaling die zijn vermeld op het aanslagbiljet van 4 december 2013 met het kenmerk [0001], en die op het aanslagbiljet van 31 januari 2014 met het kenmerk [0002].

1.5

Om een doeltreffende uitvoering van het Unierecht te waarborgen en onnodige vertraging bij de correctie van de uitnodigingen tot betaling te vermijden, willigt de Hoge Raad het verzoek van belanghebbende in. De Hoge Raad zal onder het bestaande zaaknummer het geding over de rechtmatigheid van de hiervoor in 1.4 genoemde uitnodigingen tot betaling in dit arrest behandelen en zal het geschil over de overige uitnodigingen tot betaling behandelen onder zaaknummer 19/05191.

2 Beoordeling van de middelen

2.1

Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen feiten of omstandigheden zijn die erop wijzen dat Vo. (EU) nr. 723/2011 ongeldig moet worden verklaard. Omdat het Hof van Justitie Vo. (EU) nr. 723/2011 ongeldig heeft verklaard, zijn de bij die verordening ingestelde antidumpingrechten niet wettelijk verschuldigd. Dit betekent dat de uitnodigingen tot betaling moeten worden vernietigd.

2.2

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof in zoverre niet in stand blijven. De middelen die betrekking hebben op de onderhavige uitnodigingen tot betaling behoeven voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze uitspraken betrekking hebben op de bij de Rechtbank onder de nrs. HAA 14/3204 en HAA 14/3205 geregistreerde zaken die zien op de uitnodigingen tot betaling vermeld op het aanslagbiljet van 4 december 2013 met het kenmerk [0001], en op het aanslagbiljet van 31 januari 2014 met het kenmerk [0002],

- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur die zijn gedaan op het bezwaar tegen de hiervoor bedoelde uitnodigingen tot betaling,

- vernietigt die uitnodigingen tot betaling,

- bepaalt dat de behandeling van het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Hof betreffende de overige in onderdeel 1 van die uitspraak vermelde uitnodigingen tot betaling zal worden voortgezet onder zaaknummer 19/05191 in de stand waarin deze behandeling zich thans bevindt,

- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 501,

- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 497 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 328,

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 4.992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.536 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 1.536 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature