< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Art. 22 en 26 Wet WOZ

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/00875

Datum 18 oktober 2019

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE MEERSSEN

op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 januari 2019, nrs. 17/00685 en 17/00686, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Limburg (nrs. AWB 16/2102 en 16/2043) betreffende de weigering tot het geven van beschikkingen als bedoeld in artikel 26 van de Wet waardering onroerende zaken . De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

In 2012 is de vader van belanghebbende overleden (hierna: de erflater). Tot de nalatenschap behoorden drie onroerende zaken als bedoeld in artikel 16 Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). Belanghebbende werd door erfopvolging medegerechtigd tot de eigendom van die onroerende zaken.

2.1.2

De erflater heeft de broer van belanghebbende aangewezen als executeur.

2.1.3

Tegen de op de voet van artikel 22 Wet WOZ ten name van de erflater voor het jaar 2012 gegeven WOZ-beschikkingen met betrekking tot de onroerende zaken heeft de executeur bezwaar gemaakt, onder de vermelding “namens de erven”.

2.1.4

De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaken op een lager bedrag vastgesteld. Daartegen is geen beroep ingesteld.

2.1.5

In 2016 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar onder andere verzocht een op haar naam gestelde WOZ-beschikking met betrekking tot de onroerende zaken voor het jaar 2012 als bedoeld in artikel 26, lid 1, aanhef en letter a, Wet WOZ te geven. De heffingsambtenaar heeft daaraan niet voldaan.

2.2.1

Bij het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende recht heeft op afgifte van een beschikking als bedoeld in artikel 26 Wet WOZ voor de onroerende zaken voor het jaar 2012.

2.2.2

Het Hof heeft, voor zover in cassatie van belang, als volgt geoordeeld. De erflater is overleden voordat de bezwaartermijn van de op zijn naam gestelde beschikking was verstreken. De erfgenamen (als rechtsopvolgers onder algemene titel) konden tegen deze beschikking bezwaar maken. De executeur heeft van deze mogelijkheid, namens alle erven, gebruik gemaakt. De uitspraak op bezwaar is gericht aan alle erfgenamen. Beroep is niet ingesteld. Dit betekent dat een rechtsingang aan belanghebbende, als een van de erfgenamen, is geboden om de vaststelling van de ook voor haar geldende WOZ-waarde te betwisten. Artikel 26 Wet WOZ strekt niet zo ver dat ook in zo ’n geval een nieuwe rechtsingang moet worden geboden. De keuze van de executeur om te berusten in de uitspraak op bezwaar kan aan belanghebbende worden toegerekend, omdat het bezwaar namens de erfgenamen is ingediend en de uitspraak op bezwaar ook aan hen is gericht. Dit betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een beschikking als bedoeld in artikel 26 Wet WOZ voor het jaar 2012. Dit zou eerst anders zijn indien de executeur op eigen naam bezwaar had gemaakt en vervolgens had afgezien van het instellen van beroep, dan wel de bezwaartermijn onbenut was gebleven, maar deze situaties doen zich hier niet voor.

2.3

Tegen dit oordeel zijn de klachten gericht.

2.4.1.

Artikel 26, lid 1, aanhef en letter a, Wet WOZ houdt in, voor zover hier van belang, dat, indien in de loop van het kalenderjaar waarvoor de waarde van een onroerende zaak is vastgesteld, een ander dan degene te wiens aanzien een beschikking houdende de vaststelling van de waarde van die zaak is genomen, de hoedanigheid verkrijgt van degene, bedoeld in artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ, de heffingsambtenaar desverzocht een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 22, lid 1, Wet WOZ neemt. Degene, bedoeld in artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ, is degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

2.4.2

Artikel 26, lid 1, aanhef en letter a, Wet WOZ strekt ertoe, voor zover hier van belang, een nieuwe genotsgerechtigde een rechtsingang te bieden met betrekking tot de ten aanzien van hem geldende waarde. Daartoe neemt de heffingsambtenaar, nadat daarom is verzocht, wederom een beschikking op de voet van artikel 22 Wet WOZ, maar nu ten aanzien van die nieuwe genotsgerechtigde. De beschikking behelst een nieuwe waardevaststelling (vgl. HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3934). Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis werd het uit een oogpunt van rechtsbescherming noodzakelijk geacht dat ieder die de gevolgen ondervindt van een met betrekking tot de desbetreffende onroerende zaak genomen beslissing voor de belastingheffing te zijnen aanzien, de mogelijkheid wordt geboden tegen de waardebeschikking bezwaar en beroep aan te tekenen (zie Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 19). Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen het geval waarin de nieuwe gebruiker of genotsgerechtigde enig rechtsopvolger is van degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en het geval waarin de nieuwe genotsgerechtigde door erfopvolging medegerechtigd is geworden tot die eigendom dan wel dat bezit of beperkt recht. Gelet op de tekst en voormelde strekking van artikel 26 Wet WOZ moet het ervoor worden gehouden dat ook laatstbedoeld geval door artikel 26, lid 1, aanhef en letter a, Wet WOZ wordt bestreken.

2.4.3

In het voorgaande ligt besloten dat belanghebbende met betrekking tot de onroerende zaken in 2012 als erfgenaam de hoedanigheid van genotsgerechtigde in de zin van artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ heeft verkregen en op die grond op de voet van artikel 26, lid 1, aanhef en letter a, Wet WOZ met betrekking tot de onroerende zaken voor het jaar 2012 op verzoek in aanmerking komt voor ten name van haar gestelde voor bezwaar vatbare WOZ-beschikkingen.

2.4.4

Anders dan het Hof heeft geoordeeld, doet daaraan niet af dat de executeur op de voet van artikel 22 Wet WOZ onder de vermelding “namens de erven” bezwaar heeft gemaakt tegen ten name van de erflater voor het jaar 2012 gegeven WOZ-beschikkingen met betrekking tot de onroerende zaken. De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen (artikel 4:144, lid 1, BW). Hij vertegenwoordigt gedurende zijn beheer bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte (artikel 4:145, lid 2, BW). De waardevaststelling van een WOZ-beschikking is echter niet alleen van invloed op de waarde van de goederen en de omvang van de schulden van de nalatenschap, maar ook op de belastingheffing ten aanzien van de persoon die als erfgenaam (mede)gerechtigd is tot onroerende zaken die tot de nalatenschap behoren. De met artikel 26 Wet WOZ beoogde rechtsbescherming zou onvoldoende worden gediend indien zonder meer wordt aangenomen dat belanghebbende niet meer op de voet van artikel 26, lid 1, aanhef en letter a, Wet WOZ zou kunnen opkomen tegen de belastingheffing te haren aanzien die uit de WOZ-beschikkingen voortvloeit, nadat de executeur op de voet van artikel 22 Wet WOZ onder de vermelding “namens de erven” bezwaar heeft gemaakt tegen ten name van de erflater voor het jaar 2012 gegeven WOZ-beschikkingen met betrekking tot de onroerende zaken en de uitspraak daarover onherroepelijk is geworden. Daarbij is mede van belang dat uit de rechtsverhouding tussen de executeur en de erfgenamen niet zonder meer voortvloeit dat de executeur ook bevoegd is namens belanghebbende bezwaar te maken tegen de WOZ-beschikkingen voor zover de waardevaststelling verdergaande betekenis heeft voor de belastingheffing ten aanzien van haar dan de belastingheffing die betrekking heeft op haar aandeel in de goederen en schulden van de nalatenschap.

2.4.5

Gelet op het voorgaande slagen de klachten.

2.5

De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3 Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op het verzoek van belanghebbende als bedoeld in artikel 26 Wet WOZ ,

- vernietigt de uitspraken en de besluiten van de heffingsambtenaar van de gemeente Meerssen die betrekking hebben op het verzoek van belanghebbende als bedoeld in artikel 26 Wet WOZ ,

- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Meerssen op alsnog de door belanghebbende gevraagde beschikkingen als bedoeld in artikel 26 van de Wet WOZ te geven,

- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 128 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,

- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Meerssen op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 124 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 46,

- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.048 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Meerssen in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op 1.280 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 254 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature