E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2019:1550
Hoge Raad, 18/01725

Inhoudsindicatie:

Beschadiging auto door met ijzeren staaf voorruit in te slaan, nadat A n.a.v. eerdere woordenwisseling met zijn auto op verdachte is afgereden (art. 350.1 Sr). HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. eisen aan “ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding” voor geslaagd beroep op noodweer. Hof heeft beroep op noodweer verworpen omdat er geen sprake was van “een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding”. Hof heeft daaraan in de kern ten grondslag gelegd zijn samenvattende “oordeel dat vanwege de gedragingen van verdachte en het feit dat verdachte op het moment van slaan al heeft waargenomen dat A met snelheid langs hem heen rijdt, hetgeen op dat moment niet als meer dan een bedreiging kan worden aangemerkt en er bovendien geen sprake was van een omstandigheid die de verwachting kon rechtvaardigen dat A verder zou gaan dan een dreiging, maakt dat tot het moment dat verdachte overgaat tot het daadwerkelijk slaan met de staaf op de auto, er sprake was van een zodanige wederkerigheid in de mate van agressie, dat dit in de weg staat aan het slagen van een beroep op noodweer door verdachte”. Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld en in het licht van door Hof vastgestelde feiten en omstandigheden, i.h.b. ‘s Hofs vaststellingen betreffende wijze waarop A twee keer met hoge snelheid met auto is afgereden op verdachte, is die motivering niet z.m. begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie