< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Procesrecht. Wet Bopz. Toetsing na cassatie en verwijzing van verzoek om machtiging: ex tunc of ex nunc? Kan machtiging ook worden verleend na verstrijken geldigheidsduur? Enkelvoudig horen en meervoudig beslissen: toepasselijkheid regels HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264 en 3259. Bijstelling van HR 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1580. Mogelijkheid om ter zitting afstand te doen van meervoudige behandeling.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/00472

Datum 12 juli 2019

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene] ,verblijvende te [verblijfplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg,

tegen

DE OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET RESORTSPARKET OOST-NEDERLAND,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: officier van justitie,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:

a. zijn beschikking in de zaak 18/03033, ECLI:NL:HR:2018:1936, van 12 oktober 2018;

b. de beschikking in de zaak 344173 FZ RK 18-2721 van de rechtbank Gelderland van 5 november 2018.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1.1 Betrokkene is in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen op grond van een voorlopige machtiging waarvan de geldigheidsduur verstreek op 30 april 2018.

2.1.2 Op 13 april 2018 heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf verleend met een geldigheidsduur tot en met 12 augustus 2018. Grond voor de machtiging was dat bij betrokkene sprake is van een combinatie van schizofrenie en middelengebruik als gevolg waarvan gevaar bestaat dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat en gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Van de beschikking van 13 april 2018 heeft betrokkene cassatieberoep ingesteld.

2.1.3 Hangende het cassatieberoep heeft de rechtbank op 17 augustus 2018 opnieuw een machtiging tot voortgezet verblijf verleend, ditmaal met een geldigheidsduur tot en met 12 augustus 2019. Grond voor deze machtiging was opnieuw schizofrenie en middelengebruik. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden.

2.1.4 De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor in 1 genoemde beschikking van 12 oktober 2018 de beschikking van de rechtbank van 13 april 2018 vernietigd omdat, kort gezegd, de rechtbank haar oordeel dat bij betrokkene sprake is van schizofrenie en dat ten gevolge van de stoornissen het hiervoor in 2.1.2 genoemde gevaar bestaat, onvoldoende had gemotiveerd.

2.2.1 Na verwijzing heeft de rechtbank bij de thans in cassatie bestreden beschikking van 5 november 2018 opnieuw een machtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 12 augustus 2018. Hiertoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen.

De geldigheidsduur van de beschikking van 13 april 2018 is verlopen en er is inmiddels een nieuwe machtiging tot voortgezet verblijf verleend, die kracht van gewijsde heeft verkregen. Daarom bestaat geen grond om ‘ex nunc’ te toetsen en de zaak aan te houden om een nieuwe geneeskundige verklaring te laten opmaken. (rov. 3.8)

Uit het onderzoek is genoegzaam gebleken dat op 13 april 2018 bij betrokkene reeds sprake was van schizofrenie en middelengebruik (rov. 3.9). Ook is voldoende onderbouwd dat causaal verband bestaat tussen de stoornis ‘schizofrenie’ en het door betrokkene veroorzaakte gevaar (rov. 3.10). Ook overigens is voldaan aan de criteria voor het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf (rov. 3.12).

2.2.2 De rechtbank heeft, alvorens haar beschikking te geven, de zaak mondeling behandeld. Deze behandeling heeft plaatsgevonden door een enkelvoudige kamer. Aan het begin van de zitting heeft de rechter, blijkens het van de zitting opgemaakte proces-verbaal, medegedeeld dat de zaak zou worden beslist door een meervoudige kamer. De beschikking van de rechtbank is gegeven door een meervoudige kamer, waarvan de rechter die de zaak mondeling heeft behandeld deel uitmaakte.

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel I van het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte een machtiging met terugwerkende kracht heeft verleend. Volgens het onderdeel is dit in strijd met art. 17 lid 3 Wet Bopz, en dus ook met het in art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM neergelegde vereiste van een wettelijke grondslag voor de vrijheidsbeneming. Onderdeel II voert aan dat de rechtbank ten onrechte geen toetsing ‘ex nunc’ heeft uitgevoerd. Volgens dit onderdeel had de rechtbank, ook al was inmiddels een vervolgmachtiging verleend, naar de actuele toestand op het tijdstip van haar beschikking (5 november 2018), dus ‘ex nunc’, moeten onderzoeken of de officier van justitie nog belang had bij toewijzing van zijn oorspronkelijke verzoek. Volgens de toelichting op de klacht ontbrak dat belang gelet op de op 17 augustus 2018 verleende nieuwe machtiging.

3.1.2

Ingeval na cassatie en verwijzing opnieuw moet worden beslist over de verlening van een machtiging op een tijdstip dat binnen de geldigheidsduur van de (opnieuw) te verlenen machtiging valt, dient de rechtbank haar beslissing te nemen op basis van de feiten en omstandigheden die zich ten tijde van die beslissing voordoen (‘ex nunc’).

3.1.3

Nu echter ten tijde van de door de rechtbank na verwijzing te nemen beslissing al een volgende machtiging tot voortgezet verblijf was verleend die naar de vaststelling van de rechtbank onherroepelijk was geworden (zie hiervoor in 2.1.3 en 2.2.1), bestond voor een beoordeling van het verzoek ‘ex nunc’ geen grond. Wel diende de rechtbank nog te beoordelen of op het tijdstip van de vernietigde beschikking van 13 april 2018 voldoende grond bestond voor het verlenen van de verzochte machtiging. Deze beoordeling – die een beoordeling ‘ex tunc’ is – heeft zij uitgevoerd. Op grond daarvan heeft zij opnieuw een machtiging verleend voor de periode tot en met 12 augustus 2018. Die machtiging is niet in strijd met enige bepaling van de Wet Bopz. Die machtiging diende ertoe de gedwongen opname in de periode tot en met 12 augustus 2018 te voorzien van een geldige titel.

3.1.4

Op het voorgaande stuiten de klachten van de onderdelen I en II af.

3.2.1

Onderdeel III voert onder meer aan dat de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden ten overstaan van slechts een van de drie rechters die de bestreden beschikking hebben gegeven. Volgens het onderdeel heeft de rechtbank miskend dat de meervoudige kamer die de beschikking heeft gegeven, betrokkene had moeten horen.

3.2.2

Art. 1 lid 4 Wet Bopz bepaalt dat voor de toepassing van de Wet Bopz onder rechter wordt verstaan de enkelvoudige of meervoudige kamer van de rechtbank voor het behandelen en beslissen van burgerlijke zaken. Waar de Wet Bopz voorschrijft dat de rechter de betrokkene hoort en over het verzoek beslist, verwijst dit dus naar zowel een enkelvoudige als een meervoudige kamer van de rechtbank. Op grond van art. 15 lid 1 Rv worden zaken bij de rechtbank in beginsel behandeld en beslist door een enkelvoudige kamer. Deze kan de zaak echter op grond van art. 15 leden 2 en 3 Rv verwijzen naar de meervoudige kamer.

3.2.3

In zijn uitspraak van 9 december 1994 heeft de Hoge Raad beslist dat de meervoudige kamer, nadat de enkelvoudige kamer de zaak naar haar verwezen heeft, zelf de betrokkene moet horen, ook al is deze al door de enkelvoudige kamer gehoord. Daartoe kan de meervoudige kamer echter volgens deze uitspraak een rechter-commissaris uit haar midden aanwijzen (overeenkomstig het huidige art. 15 lid 4 Rv).

In het licht van de hierna in 3.2.4 weer te geven rechtspraak die is ingezet met het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014, behoeft de uitspraak van 9 december 1994 echter bijstelling. Het horen van de betrokkene op grond van de Wet Bopz kan immers in dat verband worden gelijkgesteld met een mondelinge behandeling in een gewone civiele zaak. Voor het horen van de betrokkene gelden dan ook dezelfde regels.

3.2.4

Op grond van de hiervoor in 3.2.3, tweede alinea, bedoelde rechtspraak geldt als hoofdregel dat indien een zaak door een meervoudige kamer wordt beslist, een mondelinge behandeling in beginsel dient plaats te vinden ten overstaan van de drie rechters die de beslissing zullen nemen. In afwijking van deze hoofdregel kan de mondelinge behandeling door één rechter plaatsvinden. Dit kan het geval zijn indien de zaak eerst als een enkelvoudig te beslissen zaak is aangemerkt, maar de rechter tijdens of na de mondelinge behandeling besluit de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer. Behandeling door één rechter kan zich ook voordoen in een meervoudig te beslissen zaak, wanneer de meervoudige kamer besluit op de voet van art. 15 lid 4 Rv een uit haar midden aangewezen rechter-commissaris met de behandeling ter zitting te belasten. Die laatste mogelijkheid geldt ook voor hoger beroep, in welk geval het gaat om een raadsheer-commissaris (art. 16 lid 5 Rv).

Indien met toepassing van een van deze mogelijkheden wordt besloten tot enkelvoudige behandeling, gelden de regels genoemd in de uitspraken van de Hoge Raad van 22 december 2017. Die regels houden in, kort gezegd, dat iedere partij de gelegenheid moet worden gegeven te verzoeken om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer, en dat dit verzoek in beginsel zal moeten worden ingewilligd en alleen kan worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld.

3.2.5

In aanvulling op de hiervoor in 3.2.4 genoemde regels geldt dat indien een enkelvoudige kamer het voornemen heeft de zaak na de mondelinge behandeling voor de beslissing te verwijzen naar een meervoudige kamer – zoals hier kennelijk het geval is geweest – zij dit al bij de behandeling aan partijen kan mededelen en erop kan wijzen dat, in het geval van die verwijzing, het hiervoor aan het slot van 3.2.4 genoemde verzoek kan worden gedaan. Partijen kunnen dan desgewenst tijdens de behandeling op voorhand afstand doen van het gebruik van die mogelijkheid.

3.2.6

Opmerking verdient dat indien het gaat om een Wet Bopz-zaak en de betrokkene niet wordt bijgestaan door een advocaat, de rechter zich ervan dient te vergewissen dat de betrokkene de hiervoor in 3.2.4 en 3.2.5 genoemde keuze om door één dan wel (alsnog) door drie rechters te worden gehoord, duidelijk is en dat hij zijn wil terzake voldoende heeft kunnen bepalen.

3.2.7

Niet blijkt dat de rechtbank in dit geval de hiervoor in 3.2.4 genoemde gelegenheid heeft gegeven. De hiervoor in 2.2.2 genoemde mededeling aan het begin van de behandeling dat de zaak zou worden beslist door een meervoudige kamer, is daarvoor niet voldoende. Evenmin blijkt dat betrokkene langs de hiervoor in 3.2.5 genoemde weg op voorhand heeft afgezien van de mogelijkheid om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer te verzoeken. De hiervoor in 3.2.1 weergegeven klacht van het onderdeel treft derhalve doel.

3.3

De overige klachten van onderdeel III kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 5 november 2018;

- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 12 juli 2019.

Zie onder meer HR 23 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9346.

Vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292.

HR 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1580, NJ 1995/223.

HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076.

HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, rov. 3.4.2.

HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264 en ECLI:NL:HR:2017:3259, rov. 3.5.1 en 3.6.3-3.6.5.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature