E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2019:1137
Hoge Raad, 17/01682

Inhoudsindicatie:

Witwassen van geldbedragen door contante stortingen op verschillende bankrekeningen te doen, art. 420bis.1.b Sr. Voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor legale herkomst van geldbedragen. HR herhaalt in ECLI:NL:HR:2018:2352 gegeven samenvatting van zijn eerdere rechtspraak over bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”. 1. ’Is Hof door vaststelling dat “er (...) vanaf 2008 kennelijk geen vermogen was” voorbijgegaan aan hetgeen verdachte onder overlegging van bescheiden heeft gesteld omtrent gelden die legaal zijn verkregen voorafgaand aan bewezenverklaarde periode en die nadien zijn aangewend voor stortingen op bankrekeningen? 2. Is Hof zonder nadere motivering voorbijgegaan aan hetgeen namens verdachte is aangevoerd - ter verklaring van herkomst van geldbedragen - omtrent (a) doen van stortingen op bankrekeningen van contante gelden en (b) stortingen van contante gelden die daaraan voorafgaand waren onttrokken aan ondernemingen van verdachte en/of zijn echtgenote?

Ad 1. In ’s Hofs vaststellingen ligt als ’s Hofs oordeel besloten dat met enkel aanwijzen van legale verkrijging van gelden door verdachte in tijdvak (ruim) voor aanvang van bewezenverklaarde periode niet concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is gegeven dat in bewezenverklaring bedoelde geldbedragen die tijdens bewezenverklaarde periode contant zijn gestort niet van misdrijf afkomstig zijn en dat ook anderszins niet aanwezigheid van (legaal) vermogen bij aanvang van bewezenverklaarde periode is gebleken waaruit deze contante stortingen (kunnen) worden verklaard. Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat enerzijds administratie of documentatie ontbreekt terwijl verdachte geen nadere onderbouwing of toelichting heeft gegeven m.b.t. contante geldstromen leidend tot contante stortingen op in bewezenverklaring vermelde bankrekeningen en dat anderzijds uit resultaten van onderzoek naar fiscale aangiftes door verdachte en zijn echtgenote over bewezenverklaarde periode naar voren komt dat verdachte daarin telkens geen vermogen heeft opgegeven en dat ook overigens niets is verantwoord m.b.t. “kennelijk tussen de fiscale peildata opduikende en weer verdwijnende contante vermogens”, zodat aangenomen moet worden dat er vanaf 2008 geen (legaal) vermogen was waaruit contante stortingen kunnen worden verklaard. Gelet hierop is ’s Hofs oordeel niet onbegrijpelijk.

Ad 2. Redenen die ertoe hebben geleid dat Hof is afgeweken van hetgeen omtrent deze stortingen is aangevoerd, liggen besloten in ’s Hofs overwegingen over niet inzichtelijk geworden verloop van contante geldstromen voorafgaand en ook tijdens bewezenverklaarde periode, op grond waarvan Hof heeft geoordeeld dat verdachte niet concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat in bewezenverklaring bedoelde geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn.

Volgt verwerping. CAG: anders.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie