< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94a Sv op geldbedrag onder ander (A), die laptops en iPads van zijn werkgever heeft ontvreemd en goederen heeft verkocht aan klager, t.z.v. verdenking van verduistering in dienstbetrekking. Rb heeft teruggave van geldbedrag aan klager gelast. Moet klager buiten redelijke twijfel als eigenaar van inbeslaggenomen geldbedrag worden aangemerkt? Art. 3:40 en 6:203 BW. Rechter moet in geval als het onderhavige, waarin ex art. 94a Sv beslag rust op inbeslaggenomen voorwerp en een derde in beklagprocedure ex art. 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk geven (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.15). Bij beantwoording van deze vraag zal rechter niet behoren te treden in beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties maar zal hij daarbij civielrechtelijke aspecten mogen betrekken. Het gaat in beslagprocedure immers om (voorlopig) oordeel omtrent eigendoms- en bezitsrechten t.a.v. het in geding zijnde voorwerp (vgl. m.b.t. beslag ex art. 94 Sv ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.13). Rb heeft geoordeeld dat tussen klager en A sprake was van nietige overeenkomst en dat dit "betekent dat dient te worden teruggegaan naar de status quo voor die overeenkomst. Namelijk de situatie dat belanghebbende nog het geldbedrag van € 9.000,- had en medeverdachte A de laptops en i-pads". Dat oordeel geeft, ook als wordt aangenomen dat overeenkomst inderdaad o.g.v. art. 3:40 BW of anderszins als een nietige zou moeten worden aangemerkt, blijk van onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 6:203.2 BW in dat geval meebrengt dat klager jegens A vordering toekomt ten bedrage van onverschuldigd door hem aan A betaald geldbedrag. Het bestaan van die vordering van klager op A brengt echter niet mee dat hij eigenaar is van het ex art. 94a Sv onder A inbeslaggenomen geldbedrag. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



25 juni 2019

Strafkamer

nr. S 18/04297 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 september 2018, nummer RK 18/7529, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Het heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de klager, R.T. Poort, advocaat te Beverwijk, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzen of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal doen voorkomen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over het in de bestreden beschikking besloten liggende oordeel van de Rechtbank dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt.

2.2.

Waar het in deze zaak over gaat, is in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.1 als volgt samengevat. De klager heeft voor een bedrag van € 9.000,- laptops en iPads gekocht van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] bleek deze goederen van zijn werkgever te hebben ontvreemd. Het voornoemde geldbedrag is onder [betrokkene 1] in beslag genomen. Namens de klager is een klaagschrift ingediend om dit geldbedrag aan de klager te doen teruggeven. Uit het klaagschrift en ook uit de door het Openbaar Ministerie ingediende cassatieschriftuur blijkt dat de klager is vrijgesproken van schuldheling. Deze vrijspraak is onherroepelijk. [betrokkene 1] is - eveneens onherroepelijk - veroordeeld wegens verduistering. Daarbij is de vordering van de benadeelde partij, de werkgever van [betrokkene 1] , ter hoogte van € 20.000,- toegewezen en ter hoogte van dit bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Eveneens is in de ontnemingsprocedure het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 30.000,- en is de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op nihil.

2.3.1.

De Rechtbank heeft het beklag tegen het beslag op het geldbedrag gegrond verklaard en de teruggave daarvan aan de klager gelast. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

"Het beklag

In het klaagschrift en tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de raadsman van belanghebbende - samengevat - zich op het standpunt gesteld dat van belang is wie redelijkerwijs de belanghebbende is met betrekking tot het geldbedrag van € 9.000,-, zijnde de koopsom voor een aantal laptops en i-pads. Vastgesteld kan worden dat de verkoop heeft plaatsgevonden. Belanghebbende is aangehouden evenals medeverdachte [betrokkene 1] . Bij medeverdachte [betrokkene 1] is een enveloppe met daarin € 9.000,- aangetroffen. Deze enveloppe met geld was van belanghebbende. De overeenkomst is in strijd met de openbare orde en zeden. De overeenkomst heeft nooit bestaan omdat de overeenkomst nietig was. Belanghebbende is eigenaar gebleven van het geldbedrag en dus rechthebbende. Medeverdachte [betrokkene 1] was houder van het geldbedrag. Belanghebbende is vrijgesproken en had te goeder trouw gehandeld. Belanghebbende had drie websites bekeken of de laptops en i-pads niet waren gestolen. Het was naïef, maar belanghebbende had het niet kunnen vermoeden. Als het beklag wordt afgewezen zal belanghebbende zijn geldbedrag niet terug krijgen vanwege de schulden bij medeverdachte [betrokkene 1] . Belanghebbende heeft belang bij het klaagschrift. Hij is belanghebbende, gelet op pagina 4 van het relaas. Bij medeverdachte [betrokkene 1] is € 9.000,- in beslag genomen. Belanghebbende kocht de in beslag genomen goederen. De koopovereenkomst is nietig. Belanghebbende is rechthebbende op het geldbedrag. Er was geen rechtmatige titel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat [klager] geen belanghebbende is. Mocht klager ontvangen worden dan verzoekt de officier van justitie het klaagschrift ongegrond te verklaren. Medeverdachte [betrokkene 1] is rechthebbende. Het geldbedrag is op rechtmatige titel bij hem gekomen. Belanghebbende is beschikkingsbevoegd. Er was een geldige titel. Al zou de overeenkomst wellicht vernietigbaar of ontbonden kunnen worden, dit betekent niet dat het geld in eigendom van belanghebbende komt. Om te goeder trouw gaat het tevens niet. Bij een onverschuldigde betaling of wanprestatie is klager geen belanghebbende. Het klaagschrift dient niet-ontvankelijk te worden verklaard of ongegrond. Gelet op pagina 4 van het relaas, waar ook de raadsman naar heeft verwezen, zijn de goederen verkocht. De goederen zijn onder belanghebbende in beslag genomen. De koopovereenkomst was niet nietig. Wellicht was belanghebbende eigenaar geworden van de goederen, maar niet van het geldbedrag.

De beoordeling

Vast staat dat het geldbedrag van € 9.000,- meteen na de transactie onder medeverdachte [betrokkene 1] in beslag is genomen. Het geldbedrag van € 9.000,- heeft medeverdachte [betrokkene 1] ontvangen van belanghebbende na verkoop van laptops en i-pads op de parkeerplaats bij de Macdonalds te Veenendaal .

De verkoper was niet beschikkingsbevoegd. Het betreft gestolen goederen. Er was sprake van een nietige overeenkomst. Dit betekent dat dient te worden teruggegaan naar de status quo voor die overeenkomst. Namelijk de situatie dat belanghebbende nog het geldbedrag van € 9.000,- had en medeverdachte [betrokkene 1] de laptops en i-pads. Klager is ontvankelijk en de vordering is toewijsbaar.

Het klaagschrift wordt daarom gegrond verklaard.

De raadkamer zal derhalve beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beslissing

De raadkamer:

- verklaart het klaagschrift gegrond;

- gelast de teruggave aan belanghebbende van het geldbedrag van € 9.000,-."

2.3.2.

Bij de stukken van het geding bevindt zich een op 6 augustus 2018 gedateerde 'machtiging handhaven conservatoir beslag (artikel 103 van het Wetboek van Strafvordering )' met betrekking tot het geldbedrag van € 9.000,-. Volgens dit stuk rustte ten tijde van de bestreden beschikking op het inbeslaggenomen geldbedrag beslag op de voet van art. 94a Sv.

2.4.

Bij de beoordeling van het middel moet, voor zover hier van belang, worden vooropgesteld dat de rechter in een geval als het onderhavige, waarin op de voet van art. 94a Sv beslag rust op het inbeslaggenomen voorwerp en een derde in een beklagprocedure op de voet van art. 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk moet geven (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.15). Bij de beantwoording van deze vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar zal hij daarbij civielrechtelijke aspecten mogen betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp (vgl. met betrekking tot een beslag op de voet van art. 94 Sv, HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.13).

2.5.

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:

- art. 3:40 BW:

"1. Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is nietig.

2. Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid van de rechtshandeling, doch, indien de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit.

3. Het vorige lid heeft geen betrekking op wetsbepalingen die niet de strekking hebben de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten."

- art. 6:203 BW:

"1. Degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, is gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen.

2. Betreft de onverschuldigde betaling een geldsom, dan strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag.

3. Degene die zonder rechtsgrond een prestatie van andere aard heeft verricht, heeft eveneens jegens de ontvanger recht op ongedaanmaking daarvan."

2.6.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat tussen de klager en [betrokkene 1] sprake was van een nietige overeenkomst en dat dit "betekent dat dient te worden teruggegaan naar de status quo voor die overeenkomst. Namelijk de situatie dat belanghebbende nog het geldbedrag van € 9.000,- had en medeverdachte [betrokkene 1] de laptops en i-pads". Dat oordeel geeft, ook als wordt aangenomen dat de overeenkomst inderdaad op grond van art. 3:40 BW of anderszins als een nietige zou moeten worden aangemerkt, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 6:203, tweede lid, BW in dat geval meebrengt dat de klager jegens [betrokkene 1] een vordering toekomt ten bedrage van het onverschuldigd door hem aan [betrokkene 1] betaalde geldbedrag. Het bestaan van die vordering van de klager op [betrokkene 1] brengt echter niet mee dat hij eigenaar is van het op de voet van art. 94a Sv onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedrag.

2.7.

Het middel slaagt.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature