< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Onvoldoende zorg dragen voor onder zijn hoede staand gevaarlijk dier en beschadiging dier door 3 honden (American Staffordshire) onaangelijnd uit te laten waarna die honden andere hond (Hazenwindhond) meermalen over het gehele lichaam hebben gebeten, art. 425.2 en 350.2 Sr.1. American Staffordshire ‘gevaarlijk dier’ a.b.i. art. 425.2 Sr? 2. Voorwaardelijk opzet beschadiging hond.

Ad 1. Het middel berust op de opvatting dat slechts dan sprake kan zijn van een 'gevaarlijk dier' a.b.i. art. 425.2 Sr, indien het dier gevaren oplevert voor mensen. Die opvatting is, mede gelet op de wetsgeschiedenis van art. 425 Sr, onjuist.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen ECLI:NL:HR:2003:AE9049 m.b.t. de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept. In CAG wordt de vraag opgeworpen of nadere algemene aanknopingspunten kunnen worden gegeven om te bepalen onder welke omstandigheden sprake is van een aanmerkelijke kans. Daaromtrent merkt HR het volgende op. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak (NJ 1955/55) gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans". HR kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die i.h.a. of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken. HR herhaalt voorts relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2003:AE9049 m.b.t. de beoordeling of sprake is van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans en de afbakening tussen voorwaardelijk opzet en bewuste schuld. Blijkens zijn bewijsvoering heeft Hof o.m. vastgesteld dat verdachte wist dat de desbetreffende honden een jaar vóór het in de tll. bedoelde incident bij een eerder bijtincident betrokken waren, dat verdachte ervan op de hoogte was dat bij deze honden de kans op bijtincidenten als reëel was aangemerkt, dat hij wist dat hij vanwege de risico's de drie honden niet samen moest uitlaten en dat hij zich ervan bewust was dat hij de honden ook in losloopgebieden aangelijnd moest houden wanneer andere honden in de buurt waren. Daaraan heeft Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk de gevolgtrekking verbonden dat de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de honden de andere hond zouden bijten en daardoor zouden beschadigen, welk risico zich heeft verwezenlijkt. ’s Hofs oordeel dat verdachte, door zijn honden tegelijkertijd en onaangelijnd om 18.30 uur 's avonds in een uitlaatgebied uit te laten, bewust deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde ook in het licht van het in h.b. gevoerde verweer geen nadere motivering. CAG: anders t.a.v. voorwaardelijk opzet beschadiging hond.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



29 mei 2018

Strafkamer

nr. S 16/02401

IV/SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 april 2016, nummer 22/004258-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.

1 De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Den Haag - de verdachte ter zake van 1. (de Hoge Raad leest:) "geen voldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, driemaal gepleegd" en ter zake van 2. " opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" veroordeeld.

Ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde heeft het Hof de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf.

Ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met verbeurdverklaring van drie honden. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld, en de benadeelde partij [betrokkene 2] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot

- vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde, de beslissing tot toepassing van art. 9a Sr ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde en de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde, in welke vernietiging niet is begrepen de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [betrokkene 1];

- verbetering van de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde in: "geen voldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, driemaal gepleegd";

- terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde en de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en

- verwerping van het beroep voor het overige.

3 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling het tweede middel

4.1.

Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de in de tenlastelegging vermelde honden, type American Staffordshire, kunnen worden aangemerkt als gevaarlijke dieren als bedoeld in art. 425, aanhef en onder 2º, Sr.

4.2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 25 februari 2015 te 's-Gravenhage geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van onder zijn hoede staande gevaarlijke dieren, te weten drie honden type American Staffordshire, immers heeft hij, verdachte willens en wetens meerdere honden type American Staffordshire onaangelijnd los laten lopen zodat er onvoldoende controle door hem verdachte, over die honden type American Staffordshire mogelijk was, ten gevolge waarvan die voornoemde honden een Hazewindhond meerdere malen over het gehele lichaam hebben gebeten, waardoor zodanig letsel is ontstaan dat de Hazewindhond is geëuthanaseerd."

4.2.2.

Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, in:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig de door hem overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen - bepleit dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende kan blijken dat een hond een gevaarlijk dier in de zin van artikel 425 aanhef en onder 2 van het Wetboek van Strafrecht - is, nu de wetgever met de term 'gevaarlijk dier' heeft gedoeld op gevaarlijke dieren die een gevaar voor mensen kunnen opleveren, zodat vrijspraak van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde dient te volgen.

Het hof overweegt dat tot een 'gevaarlijk dier' ook een voor andere dieren gevaarlijk exemplaar van een al dan niet gevaarlijke soort dient te worden gerekend. Nu uit het risico-assessment van de drie betreffende honden opgemaakt door dr. M.B.H. Schilder, gedragsdeskundige verbonden aan de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht d.d. 4 juli 2014 blijkt dat de drie honden gevaarlijk voor andere honden kunnen zijn, kan ieder van die honden naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als gevaarlijk dier in de zin van artikel 425 aanhef en onder 2 van het Wetboek van Strafrecht . Het verweer wordt dan ook verworpen. "

4.3.1.

De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 425, aanhef en onder 2º, Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende uitdrukking "gevaarlijk dier" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.

4.3.2.

Art. 425 Sr luidt:

"Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

1º hij die een dier op een mens aanhitst of een onder zijn hoede staand dier, wanneer het een mens aanvalt, niet terughoudt;

2º hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier."

4.3.3.

De geschiedenis van de totstandkoming van art. 425 Sr houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"Terwijl in n.° 1 alle dieren bedoeld zijn, die op menschen kunnen worden aangehitst, is n.° 2 beperkt tot die dieren, die gevaarlijk zijn. Gevaarlijk is elk dier, waarvan schade voor lijf of goed te duchten is. Daarbij maakt het geen verschil, of deze eigenschappen aan alle exemplaren van die soort of alleen aan het corpus delicti eigen was, en evenmin of men met eene voortdurende eigenschap of met eene ziekte te doen heeft. Ook kwaadaardige of dolle honden zijn dus in de bepaling begrepen."

(H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel III, 1882, p. 183 en 184).

4.4.

Het middel berust op de opvatting dat slechts dan sprake kan zijn van een 'gevaarlijk dier' als bedoeld in art. 425, aanhef en onder 2º, Sr, indien het dier gevaren oplevert voor mensen. Die opvatting is, mede gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis, onjuist.

4.5.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

5 Beoordeling van het derde middel

5.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 2 ten aanzien van het opzet ontoereikend is gemotiveerd.

5.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 25 februari 2015 in de gemeente 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een Hazewindhond roepnaam Hunter, toebehorende aan een ander, middels zijn honden type American Staffordshire heeft beschadigd, immers heeft hij die honden onaangelijnd los laten lopen, zodat er onvoldoende controle door hem verdachte, over die honden type American Staffordshire mogelijk was, ten gevolge waarvan die voornoemde honden die Hazewindhond meerdere malen over het gehele lichaam hebben gebeten."

5.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1.

Een proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 5 maart 2015 van de politie Eenheid Den Haag met nr. (...). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (...):

als de op 25 februari 2015 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Vandaag, 25 februari 2015 omstreeks 18:30 uur liet ik de hond genaamd Hunter uit op het Hannemanplantsoen te 's-Gravenhage. Op het Hannemanplantsoen bevindt zich een hondenuitlaatgebied.

Ik liep ter hoogte van de speelplaats, op het Hannemanplantsoen. Ik had toen nog geen zicht op het hondenuitlaatgebied. Ik zag dus ook niet dat er drie honden in het hondenuitlaatgebied liepen. Op een gegeven moment zag ik dat een hond over de omheining van het hondenuitlaatgebied sprong. Deze hond rende direct op Hunter af en beet Hunter in de hals.

Op een gegeven moment zag ik dat er nog twee honden over de omheining sprongen en allebei renden zij in volle vaart op Hunter af. Ik zag dat deze twee honden ook begonnen te bijten op Hunter. Ik zag dat Hunter hard werd gebeten bij zijn nek. Doordat Hunter werd gebeten door deze honden hoorde ik dat Hunter hard begon te janken en te gillen. Hier kon ik uit opmaken dat, Hunter door het bijten pijn leed.

Door de aanval van deze Pitbulls is Hunter zwaar gewond geraakt. Hierdoor moest ik met Hunter met spoed naar een dierenkliniek in Delft. Door dit bijtincident is Hunter zwaargewond geraakt aan zijn borstgedeelte, nek en poten.

De dierenarts vertelde mij net dat de longen van Hunter ook mogelijk geperforeerd zijn.

2.

Een proces-verbaal verhoor aangeefster - Aanvullende aangifte - met bijlagen d.d. 12 maart 2015 van de politie Eenheid Den Haag met nr. (...). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (...):

als de op 12 maart 2015 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Hoe heette uw hond?

Hij heette Hunter.

Van wat voor ras was uw hond?

Het was een Hazewindhond.

Rond 15:00 uur kwam de aldaar aanwezige dierenarts naar mij toe. Ik hoorde dat hij mij vertelde dat mijn hond erg veel pijn had en dat dit door de vele aanwezige bijtwonden kwam. Gezien de grote kans van infectie, konden zij mij niet met zekerheid zeggen dat mijn hond het zou overleven. De dierenarts zei, dat als ik de behandeling zou voortzetten mijn hond voor vele uren geopereerd zou moeten worden. Dit omdat de bijtwonden veel schade hadden aangericht. De dierenarts vertelde mij dat beide longen van mijn hond waren geperforeerd en dat er lucht onder de huid in het lichaam van mijn hond zat. Daarbij had hij nog diverse bijtwonden en was het onbekend wat er verder in het lichaam van mijn hond beschadigd was. Hierop heb ik besloten om mijn hond te laten inslapen, omdat hij erg veel pijn had en het onzeker was dat hij het zou redden na een zware operatie.

3.

Een geschrift d.d. 26 februari 2015, Verslag van poliklinisch consult, opgemaakt door A.N. Haagsman, Chirurgie Gezelschapsdieren en N. Willems, Spoedarts bij Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren, Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (...):

Na langdurig overleg met de eigenaren besloten tot euthanasie vanwege de onzekere prognose.

4.

Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 25 februari 2015 van de politie Eenheid Den Haag met nr. (...). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (...):

als de op 25 februari 2015 afgelegde verklaring van verdachte:

V: Zijn de honden eerder bij een bijtincident betrokken?

A: Ja, vorig jaar.

V: Hoe is het afgelopen met die zaak?

A: Die honden moesten mee om getest te worden.

V: Heb je een maatregel opgelegd gekregen nadat zij getest waren? Wij doelen op een muilkorf of zo.

A: Nee, zij moesten gewoon kort aan de lijn.

V: Dus je weet mijn volgende vraag al?

A: Ja, zij waren niet kort aan de lijn daar. Ze hoeven niet te allen tijde aan de lijn.

V: Dus je hebt de honden uitgelaten in de uitlaatplaats en daar liepen zij vandaag los voordat het bijtincident plaatsvond?

A: Ja, terwijl ik ze aan het uitlaten was.

V: Als je al wist dat het ging gebeuren waarom heb je ze dan niet aangelijnd?

A: Het ging te snel. Terwijl mijn hond sprong was ik al te laat. Die vrouw ging heel hard schreeuwen en daar ging haar hond op reageren. Mijn andere honden gingen daar ook op reageren.

V: Toen waren ze elkaar aan het bijten dus?

A: Ja, toen was het al zeker vijf of zes minuten bezig.

V: Waarom zo lang?

A: Die vrouw kon mij niet helpen. Die was in paniek. Ik was bezig met die honden. Ik probeerde die drie honden van die hond af te houden. Volgens mij is die hond gebeten in zijn poten. Volgens mij had mijn hond die van haar in haar oor vast maar volgens mij niet in zijn gezicht of zo.

V: Zijn de honden op cursus geweest of gaan jullie nog met de honden naar cursus?

A: Nee.

5.

De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2016 verklaard - zakelijk weergegeven -:

U houdt mij voor dat dr. M.B.H. Schilder een uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar de drie honden. Dat klopt, dat onderzoek is gedaan naar aanleiding van het bijtincident op 25 januari 2014, waarbij mijn broertje betrokken was. U houdt mij voor dat er in het rapport aanbevelingen zijn gedaan.

U vraagt mij of ik van deze aanbevelingen kennis heb genomen. Mijn vader had gezegd dat ik de honden niet in de buurt van andere honden mag loslaten.

U vraagt mij of mijn vader het advies heeft gezien. Ik ga er vanuit van wel, ik heb alleen gehoord wat mijn vader zei.

U vraagt mij welke lessen mijn broer en vader hadden getrokken uit het eerste bijtincident, de honden behoren immers bij de familie. Voor mij was de les vooral dat het één voor één uitlaten van de honden beter is.

U houdt mij voorts voor dat ik heb verklaard dat het beter zou zijn als de honden allemaal apart worden uitgelaten, maar dat ik tevens heb verklaard dat ik ze wel alle drie tegelijkertijd uitlaat. Dat klopt ja.

Ik had moeten wachten totdat het andere pleintje vrijkwam of ik had de honden één voor één moeten uitlaten.

Ik was ervan op de hoogte dat ik de honden, wanneer er in de buurt andere honden waren, aangelijnd moest houden.

Ik denk dat mijn fout was dat ik de honden na het incident toch heb losgelaten in het kooitje.

Het is inderdaad fout geweest dat ik ze tegelijkertijd heb uitgelaten. De advocaat-generaal vraagt mij hoe ik wist dat de honden niet tegelijkertijd moesten worden uitgelaten. Dr. Schilder had laten weten dat een van de drie honden de gemoedstoestand van de andere honden zou kunnen versterken.

6.

De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 augustus 2015 verklaard - zakelijk weergegeven -:

U houdt mij de aanbevelingen uit de testverslagen betreffende de honden voor. Deze aanbevelingen ken ik.

7.

Een geschrift, zijnde een rapport 'Risico-inschatting betreffende hond 7-7547-1 genaamd Rambo', d.d. 4 juli 2014, opgemaakt en ondertekend door dr. M.B.H. Schilder, Gedragsdeskundige Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (...):

Ras: american Staffordshire type

Risico-inschatting, zonder dat aanvullende maatregelen worden genomen: matig tot hoog naar honden; de kans op bijtincidenten is reëel, maar klein, deze hond is niet zonder risico zeker bij de huidige eigenaar. Incidenten kunnen optreden bij onvoldoende controle, hoge opwinding mogelijk wat agressiever als de maatjes erbij zijn.

Aanbeveling:

Of de eigenaar krijgt alle drie de honden terug onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

1) Niet meer dan twee honden tegelijk uitlaten

2) Aanlijngebod, ook in losloopgebieden

3) Het volgen van een cursus gehoorzaamheid met daarbij aandachtstraining

4) Castratie van alle drie de reuen

8.

Een geschrift, zijnde een rapport 'Risico-inschatting betreffende hond 7-7547-2 genaamd Diamond', d.d. 4 juli 2014, opgemaakt en ondertekend door dr. M.B.H. Schilder, Gedragsdeskundige Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (...):

Ras: American Staffordshire type

Risico-inschatting, zonder dat aanvullende maatregelen worden genomen: matig tot hoog naar honden, wanneer in gezelschap van de andere twee honden want de hond heeft eerder mogelijk andere honden gebeten; de hond is van het opgewonden type: dit verhoogt bijtincidenten; matig naar honden, de kans op bijtincidenten is reëel, maar klein, deze hond is niet zonder risico zeker bij de huidige eigenaar. Incidenten kunnen optreden bij onvoldoende controle, hoge opwinding.

Aanbeveling:

Of de eigenaar krijgt alle drie de honden terug onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

1) Niet meer dan twee honden tegelijk uitlaten

2) Aanlijngebod, ook in losloopgebieden

3) Het volgen van een cursus gehoorzaamheid met daarbij aandachtstraining

4) Castratie van alle drie de reuen

5) Afleren van exorbitante blafgedrag via gedragstherapie en eventueel verbeteren van het gedrag naar kinderen.

9.

Een geschrift, zijnde een rapport 'Risico-inschatting betreffende hond 7-7547-1 genaamd Junior', d.d. 4 juli 2014, opgemaakt en ondertekend door dr. M.B.H. Schilder, Gedragsdeskundige Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (...):

Ras: American Staffordshire type

Risico-inschatting, zonder dat aanvullende maatregelen worden genomen: matig tot hoog naar sommige honden; dit verhoogt de kans op bijtincidenten; de kans op bijtincidenten is reëel, maar klein, deze hond is niet zonder risico zeker bij de huidige eigenaar. Incidenten kunnen optreden bij onvoldoende controle, hoge opwinding mogelijk wat agressiever als de maatjes erbij zijn.

Aanbeveling:

Of de eigenaar krijgt alle drie de honden terug onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

1) Niet meer dan twee honden tegelijk uitlaten

2) Aanlijngebod, ook in losloopgebieden

3) Het volgen van een cursus gehoorzaamheid met daarbij aandachtstraining

4) Castratie van alle drie de reuen

5) Afleren van exorbitante blafgedrag via gedragstherapie en eventueel verbeteren van het gedrag naar kinderen.

10.

Een geschrift d.d. 11 maart 2015, opgemaakt en ondertekend door M.J. Hillerts-Bloem, dierenarts bij Spoed Kliniek voor Dieren Zuid-Holland. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (...):

Wat voor ras was de hond Hunter?

Greyhound.

Wat heeft u voor verwondingen waargenomen?

Over het hele lichaam uitgebreide verwondingen en ernstige bloeduitstortingen, aanwijzingen voor kneuzingen van het longweefsel. Op de linker thoraxwand een diepe wond die meerdere spierlagen betreft, in de linker oksel een diepe ondermijnde wond en in de hals meerdere diepe wonden, waarbij ook spieren door waren, op beide voorpoten diepe wonden, naast het spectrum onder andere een diepe verwonding.

Zijn de verwondingen aangebracht door een andere hond dan wel andere honden?

De verwondingen passen absoluut bij bijtwonden.

Kunt u verklaren aan de hand van de verwondingen door wat voor soort hond(en) het letsel is aangebracht?

Grote hond, grote bek, evt. ras.. etc.

De uitgebreidheid en het aantal van de wonden past bij een aanval door meerdere honden. Er zijn meer dan

15 wonden vastgesteld."

5.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig de door hem overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen - bepleit dat de verdachte niet willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de honden een andere hond zouden aanvallen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de honden die verdachte aan het uitlaten was eerder bij een bijtincident betrokken zijn geweest. Naar aanleiding van dat incident is op 4 juli 2014 het hierboven genoemde risico-assessment van de drie honden opgemaakt. Uit dit risico-assessment volgen - onder meer - de volgende aanbevelingen: niet meer dan twee honden tegelijk uitlaten en een aanlijngebod, ook in losloopgebieden; voorts het volgen van een cursus gehoorzaamheid met daarbij aandachtstraining en castratie van alle drie de honden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op de hoogte was van het eerdere bijtincident en dat hij - door mededeling van zijn vader, de eigenaar van de honden - wist dat hij de drie honden niet gezamenlijk moest loslaten en dat hij de honden aangelijnd moest houden indien er in de buurt andere honden waren. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij ook zelf - naar aanleiding van het eerdere bijtincident - van oordeel was dat hij de honden niet meer tegelijk los had moeten laten.

Het hof is van oordeel dat de verdachte, door het niet opvolgen van de hem door zijn vader medegedeelde aanbevelingen uit het risico-assessment van dr. M.B.H. Schilder naar aanleiding van het eerder voorgevallen bijtincident, de ervaringen met de drie honden bij het eerdere bijtincident zelf waarvan de verdachte op de hoogte was, en gelet op de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep kan worden vastgesteld dat de verdachte - door de drie honden tegelijkertijd en onaangelijnd uit te laten - willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de drie honden een andere hond zouden bijten en daardoor beschadigen.

De door de raadsman in zijn pleitaantekeningen genoemde aanwijzingen dat de verdachte niet willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de drie honden een andere hond zouden aanvallen acht het hof niet van doorslaggevende betekenis en doen aan het voorgaande niet af.

Het verweer wordt verworpen."

5.2.4.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

"Standpunt is dat geen sprake is van een willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat de honden een andere hond zouden aanvallen omdat:

(...)

- Niet kan worden vastgesteld of [verdachte] ten tijde van het incident gedetailleerde kennis had over het rapport van aanbeveling.

- [verdachte] de honden aangelijnd heeft gehouden tot aan de honden uitlaatplaats.

- Hij de honden pas los heeft gelaten toen hij gecontroleerd had dat er geen andere honden op de uitlaatplaats waren.

- De uitlaatplaats is omgeven door een hek.

- Niet is vastgesteld of [verdachte] kon verwachten dat de honden over dat hek zouden kunnen springen.

- [verdachte] is blijven toezien dat geen andere honden in de buurt kwamen, maar helaas te laat de andere hond heeft gezien.

- Toen hij ineens geconfronteerd werd met zijn honden die over het hek gingen en de andere hond aanvielen, hij eigenhandig zijn honden van de andere hond heeft afgehaald."

5.3.1.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de beschadiging van een hond - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

5.3.2.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552).

In de conclusie van de Advocaat-Generaal wordt de vraag opgeworpen of nadere algemene aanknopingspunten kunnen worden gegeven om te bepalen onder welke omstandigheden sprake is van een aanmerkelijke kans als hiervoor bedoeld. Daaromtrent merkt de Hoge Raad het volgende op. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans".

De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.

5.3.3.

In zijn arrest van 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

5.4.

Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof onder meer vastgesteld dat de verdachte wist dat de desbetreffende honden een jaar vóór het in de tenlastelegging bedoelde incident bij een eerder bijtincident betrokken waren, dat de verdachte ervan op de hoogte was dat bij deze honden de kans op bijtincidenten als reëel was aangemerkt, dat hij wist dat hij vanwege de risico's de drie honden niet samen moest uitlaten en dat hij zich ervan bewust was dat hij de honden ook in losloopgebieden aangelijnd moest houden wanneer andere honden in de buurt waren. Daaraan heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk de gevolgtrekking verbonden dat de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de honden de andere hond zouden bijten en daardoor zouden beschadigen, welk risico zich heeft verwezenlijkt. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte door zijn honden tegelijkertijd en onaangelijnd om 18.30 uur 's avonds in een uitlaatgebied uit te laten, bewust deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Dat oordeel geeft tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is vooropgesteld niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde, ook in het licht van het in hoger beroep gevoerde verweer, geen nadere motivering.

5.5.

Het middel faalt.

6 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

7. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 6 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

8 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 114 uren, subsidiair 57 dagen hechtenis, bedragen;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, J.C.A.M. Claassens, M.T. Boerlage en A.E.M. Röttgering, in het bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 mei 2018.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature