< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Oplegging tbs-maatregel bij veroordeling t.z.v. art. 285b Sr (belaging). Motiveringsplicht ex art. 359.7 Sv. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:BY8434: ingeval aan verdachte de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege is opgelegd t.z.v. een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, dient de rechter zulks – bij voorkeur in de bewoordingen van art. 359.7 Sv – in zijn motivering van de maatregel tot uitdrukking te brengen. In aanmerking genomen hetgeen is vooropgesteld en hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de f&o waaronder de bewezenverklaarde belaging is begaan, is ‘s Hofs oordeel niet z.m. begrijpelijk. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



11 april 2017

Strafkamer

nr. S 16/03202

LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 13 juni 2016, nummer 21/005932-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De schriftuur is schriftelijk toegelicht.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, voor zover inhoudende de oplegging van een gevangenisstraf en de last tot terbeschikkingstelling met verpleging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het vierde middel

2.1.

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in art. 38e, eerste lid, Sr en art. 359, zevende lid, Sv.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 10 augustus 2013 tot en met 16 november 2013 te Zutphen en te Voorst, gemeente Voorst, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1], met het oogmerk [betrokkene 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte in voornoemde periode

- meermalen (telkens) geld (1 eurocent, althans enig geldbedrag) overgemaakt aan [betrokkene 1] en (daarbij en met als achterliggend doel) op/in de (bank)overschrijving (sexueel getinte) kwetsende en/of beledigende en/of intimiderende en/of bedreigende teksten geplaatst en

- meermalen, (telkens) (sexueel getinte) kwetsende en/of beledigende en/of intimiderende en/of bedreigende teksten geplaatst op de facebookpagina en op een social mediapagina van [betrokkene 1] en

- zich meermalen, zichtbaar en/of hinderlijk opgehouden voor en/of nabij de woning van de ouders van [betrokkene 1] en

- zich meermalen zichtbaar en/of hinderlijk opgehouden in de directe nabijheid van [betrokkene 1] en

- meermalen, (vanuit detentie) (hinderlijk) meerdere brieven geschreven aan [betrokkene 1] en/of de ouders van [betrokkene 1], welke brieven in ieder geval waren gericht aan de familie [van betrokkene 1]."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de door de verdachte ter terechtzitting van de Rechtbank Gelderland op 21 januari 2014 afgelegde verklaring, inhoudende – zakelijk weergegeven -:

"Het is juist dat ik via de sociale media kwetsende opmerkingen heb gemaakt tegenover [betrokkene 1].

Er was een civielrechtelijk conflict met [betrokkene 1]. In eerste instantie heb ik [betrokkene 1] benaderd over geld met betrekking tot het geschil. Ik handelde uit eigenbelang en was egocentrisch. [betrokkene 1] wilde geen contact met mij. Ik had haar toen met rust moeten laten. U vraagt mij of ik werkelijk dacht dat ik door deze teksten in gesprek met haar kon komen, omdat de taal nu niet echt uitnodigt voor een gesprek. Ik snap wel dat zij daar geen zin in had.

Ik heb mij op Facebook voorgedaan als [A] en [B]. Onder die namen heb ik [betrokkene 1] ellendige berichten gestuurd. Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik de in het dossier genoemde berichten als: "wacht maar, jij krijgt precies wat je verdient" en "geld is goed, niet waar kankerslet" heb verzonden. Ik schreef de teksten op en ik heb de teksten per mail verzonden. [betrokkene 1] kreeg de berichten en zij voelde zich daardoor slecht.

Ik heb ook telkens geldbedragen gestort en bij die overboeking grove dingen geschreven. Het klopt dat ik, toen ik op 13 september 2013 geld heb overgemaakt naar [betrokkene 1], wilde controleren of het haar rekeningnummer was. Het klopt dat [betrokkene 1] geld heeft teruggestort met de opmerking "hou hiermee op". Ik ben doorgegaan met het benaderen van [betrokkene 1].

In september ben ik naar Zwolle gegaan, naar Windesheim. Eigenlijk wilde ik [betrokkene 1] opzoeken. Zij zit daar op school.

Ik ben in de buurt van de woning van [betrokkene 1] geweest. Op 5 oktober 2013 ben ik er expres langs gelopen.

Het klopt dat ik vanuit de penitentiaire inrichting brieven heb gestuurd naar de familie van [betrokkene 1].

Ik was heel erg bezig met [betrokkene 1]. Ik heb haar brieven gestuurd en ik heb op een drammerige manier toenadering gezocht."

2.2.3.

Het Hof heeft het bewezenverklaarde, onder aanhaling van art. 285b Sr, gekwalificeerd als "belaging".

2.2.4.

Het Hof heeft de verdachte te dier zake veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar. Voorts heeft het Hof gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Met betrekking tot de terbeschikkingstelling heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:

"Nu verdachte weigert mee te werken aan een terbeschikkingstelling met voorwaarden, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat het noodzakelijk is om de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan verdachte op te leggen, opdat verdachte in een dwingend kader behandeld kan worden en er voldoende mogelijkheden zijn om de veiligheid van personen te borgen. Het hof zal derhalve de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van verdachte bevelen, nu de door het hof bewezen verklaarde belaging behoort tot de misdrijven die worden genoemd in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel en de verpleging eist.

De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is."

2.3.

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 37a, eerste lid, Sr:

"De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien:

1°. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de artikelen (...) 285b (...) Wetboek van Strafrecht (...) en

2°. de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist."

- art. 38e, eerste lid, Sr:

"De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gaat een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen."

- art. 285b, eerste lid, Sr:

"Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie."

- art. 359, zevende lid, Sv:

"Als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, geeft het vonnis dit onder opgave van redenen aan."

2.4.

Ingeval aan de verdachte de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege is opgelegd, dient de rechter

- bij voorkeur in de bewoordingen van art. 359, zevende lid, Sv - in zijn motivering van de maatregel tot uitdrukking te brengen dat deze wel of niet ter zake van een geweldsmisdrijf is opgelegd. Zulks is vooral van belang indien het misdrijf ter zake waarvan de TBS is opgelegd, niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf - dus als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen - bijvoorbeeld in geval van bedreiging (art. 285 Sr) of belaging (art. 285b Sr), ter zake waarvan op grond van art. 37a, eerste lid onder 1°, Sr de onderhavige maatregel kan worden opgelegd. (Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR: 2013:BY8434, NJ 2013/161, rov. 4.3.)

2.5.

Het Hof heeft in het bestreden arrest tot uitdrukking gebracht dat aan de verdachte de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. In aanmerking genomen hetgeen in 2.4 is vooropgesteld en gelet op hetgeen het Hof, zoals hiervoor onder 2.2.2 weergegeven, heeft vastgesteld omtrent de feiten en omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde belaging is begaan, is het oordeel van het Hof niet zonder meer begrijpelijk.

2.6.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, waaronder begrepen de last tot TBS doch niet de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2017.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature