< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Overeenkomstenrecht. Afnemer van forel koopt aandelen in Turkse vennootschap met forellenkwekerij (zijn leverancier). Schending balansgarantie verkoper. Tegenprestatie voor de aandelen te voldoen door betaling van royalty’s over afgenomen forel. Opzegging leveringsovereenkomst voor forel waardoor afdracht royalty’s stopt. Uitleg samenhangende overeenkomsten. Wettelijke handelsrente; handelsovereenkomst in de zin van art. 6:119a BW.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



8 december 2017

Eerste Kamer

16/02777

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres] ,gevestigd te [plaats] ,

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mr. B.T.M. van der Wiel en aanvankelijk met mr. R.A. Woutering, thans met mr. P.A. Fruytier,

t e g e n

de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1] ,gewoond hebbende in de Filippijnen,

VERWEERDERS in cassatie, eisers in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. B.I. Kraaipoel.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [betrokkene 1] . [betrokkene 1] en de gezamenlijke erven worden hierna ook afzonderlijk aangeduid als [betrokkene 1] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 255991/HA ZA 06-555 van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2007, 20 februari 2008, 9 april 2008, 16 juni 2010 en 2 november 2011;

b. de arresten in de zaak 200.102.197/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 februari 2014, 17 maart 2015 en 12 april 2016.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. [betrokkene 1] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep en [eiseres] vordert wettelijke rente over de toe te wijzen proceskosten.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt in het principale cassatieberoep tot verwerping en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging en terugwijzing.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 28 juli 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

i) [betrokkene 1] exploiteerde sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw een forellenkwekerij en een rokerij in Fethiye, Turkije. Het bedrijf was ondergebracht in de vennootschap [B] A.S. (hierna: [B] ). [betrokkene 1] exploiteerde daarnaast een forellenkwekerij in Adana, Turkije. Dit bedrijf was ondergebracht in de vennootschap Albal. Albal leverde verse vis aan [B]

ii) Sinds 1999 was [eiseres] exclusief afnemer van gerookte forelfilet van [B] Tussen [eiseres] en [B] is hierover op 2 maart 2000 een overeenkomst gesloten (hierna: de Leveringsovereenkomst), die inhield dat [B] zich verplicht aan [eiseres] de jaarcapaciteit, bepaald op 120 ton, te leveren. Op die datum heeft [eiseres] als blijk van commitment 10% van de aandelen in [B] van [betrokkene 1] gekocht voor ƒ 50.000,--.

iii) [eiseres] betaalde voor de afgenomen forelfilet royalty’s aan [betrokkene 1] .

iv) Tussen partijen zijn gesprekken gevoerd over een verdergaande samenwerking. Die gesprekken hebben ertoe geleid dat [eiseres] in 2003 nog eens 41% van de aandelen in [B] heeft gekocht, voor € 90.756,--. Hiertoe hebben [betrokkene 1] , [eiseres] en [B] op 17 februari 2003 een overeenkomst gesloten (hierna: de Koopovereenkomst). Ook spraken [betrokkene 1] en [eiseres] af dat betaling van de royalty’s zou worden voortgezet. Dit is op dezelfde datum schriftelijk vastgelegd (hierna: de Royaltyovereenkomst). Bovendien is op die datum een addendum op de Leveringsovereenkomst overeengekomen op grond waarvan [B] gedurende de looptijd van de overeenkomst een productiecapaciteit van minimaal 140 ton forelfilet per jaar zou handhaven en [eiseres] minimaal 120 ton forelfilet per jaar zou afnemen. [betrokkene 1] is daarbij als partij tot de Leveringsovereenkomst toegetreden. Ten slotte verleende [betrokkene 1] aan [eiseres] een optie op overname van het restant van de aandelen die hij in [B] hield.

v) De Royaltyovereenkomst bepaalt dat [eiseres] voor elke kilo forelfilet die zij van [B] afneemt, aan [betrokkene 1] een vergoeding betaalt van € 1,40 met een maximum van € 1.588.230,--. De overeenkomst eindigt zodra het maximum is bereikt of indien de levering van forelfilet door [B] aan [eiseres] permanent wordt gestaakt en het maximum nog niet is bereikt. De Leveringsovereenkomst is aan de Royaltyovereenkomst gehecht.

vi) De prijs die [eiseres] aan [B] voor de forelfilet betaalde, was, samen met het royaltybedrag dat zij aan [betrokkene 1] voldeed, marktconform.

vii) [eiseres] heeft haar belang van 51% in [B] per 4 juli 2003 overgedragen aan [A] Holding B.V. (hierna: [A] Holding).

viii) Op 1 april 2004 is [betrokkene 2] , (destijds) bestuurder van [eiseres] , [betrokkene 1] als enig bestuurder van [B] opgevolgd.

ix) Bij brief van 24 januari 2005 heeft [eiseres] de Royaltyovereenkomst met terugwerkende kracht opgezegd en beëindigd, en subsidiair haar verplichtingen jegens [betrokkene 1] opgeschort. In het kader van deze opschorting is een beroep gedaan op de balansgaranties in de Koopovereenkomst.

x) [eiseres] heeft de facturen van [betrokkene 1] voor de royalty’s voldaan tot en met augustus 2004. Daarna zijn geen royalty’s meer betaald.

xi) Op 16 januari 2007 heeft [B] de Leveringsovereenkomst aan [eiseres] opgezegd tegen 1 februari 2008.

xii) Op 4 november 2008 is [betrokkene 1] overleden. Sindsdien wordt de onderhavige procedure in zijn naam voortgezet door zijn gezamenlijke erfgenamen.

xiii) Bij overeenkomst van 17 maart 2008 hebben [B] en [A] Holding aan [eiseres] last gegeven om op eigen naam doch voor hun rekening bestaande en toekomstige vorderingen op [betrokkene 1] te incasseren.

3.2.1

In deze procedure vordert [betrokkene 1] in conventie veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 1.353.956,--. Grondslag van deze vordering is nakoming van de Royaltyovereenkomst.

[eiseres] vordert in reconventie terugbetaling van de bedragen die zij sinds 17 februari 2003 uit hoofde van de Royaltyovereenkomst aan [betrokkene 1] heeft betaald, schadevergoeding wegens schending van balansgaranties ter hoogte van € 1.626.829,-- en vergoeding wegens schending van een 50/50-financieringsafspraak ter hoogte van € 337.546,82, alsmede, als lasthebber van [B] , een bedrag van € 367.695,--.

De rechtbank heeft de vordering van [betrokkene 1] toegewezen en die van [eiseres] afgewezen.

3.2.2

Het hof heeft drie tussenarresten gewezen. Bij het derde tussenarrest heeft het verlof verleend tot het instellen van beroep in cassatie. Het heeft in het eerste tussenarrest, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

“7.2 Uitleg van de overeenkomsten, samenhang, principale grief 2

7.2.1

In deze zaak gaat het om een samenstel van afspraken die zijn neergelegd in verschillende overeenkomsten. Tussen [betrokkene 1] en [eiseres] zijn twee afzonderlijke overeenkomsten gesloten, te weten de Koopovereenkomst en de Royaltyovereenkomst. De overeenkomsten refereren niet aan elkaar. De Royaltyovereenkomst bepaalt uitdrukkelijk (artikel 7. 2 ) dat de overeenkomst alle afspraken tussen partijen bevat met betrekking tot de royaltyvergoeding.

Naast genoemde overeenkomsten geldt tussen [eiseres] en [B] de Leveringsovereenkomst, tot welke overeenkomst [betrokkene 1] als partij is toegetreden. In de Royaltyovereenkomst is onder meer bepaald dat een einde komt aan de verplichting tot betaling van royalties als de levering door [B] van forelfilet aan [eiseres] permanent is gestaakt. De Leveringsovereenkomst is aan de Royaltyovereenkomst gehecht.

7.2.2

De vraag of uit deze overeenkomsten verplichtingen voortvloeien die niet zonder meer uit de tekst van de overeenkomsten voortvloeien, dient, onder toepassing van de zogeheten Haviltexmaatstaf, te worden beantwoord door uitleg van de overeenkomsten.

Niet in geschil is dat de royaltybetalingen aan [betrokkene 1] de winst van [B] afroomden, omdat deze betalingen in feite afgingen van de prijs die [eiseres] aan [B] betaalde. Dit was zo voordat [eiseres] de 41% van de aandelen verwierf en is daarna gehandhaafd. Dit laatste betekent dat [eiseres] daarmee als (51%) aandeelhouder ten gunste van [betrokkene 1] afzag van (een deel van) mogelijk als dividend uitkeerbare winst. De royaltybetalingen kunnen dan ook voor grofweg de helft gezien worden als aan [betrokkene 1] uitbetaald dividend en voor de andere helft (het dividend waar [eiseres] recht op zou hebben) als een vergoeding van [eiseres] aan [betrokkene 1] . Tot zover lijken partijen niet wezenlijk van mening te verschillen. Wel is in geschil waar deze royalties een vergoeding voor beoogden te zijn.

7.2.3

[betrokkene 1] stelt (…) dat van het maximaal te betalen bedrag aan royalties, € 1.588.230,--, de helft, dus € 794.115 dient te worden aangemerkt als deel van de kooprijs voor het pakket van 41% van de aandelen. (…)

7.2.4

[eiseres] heeft in hoger beroep betwist dat er enige relatie was tussen de verwerving van de aandelen en de royalties. Dit verweer is echter in zoverre gedekt, dat [eiseres] in eerste aanleg uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft erkend dat met de royalties een deel van de koopprijs van de aandelen moest worden voldaan (…). Zij kan daar in hoger beroep niet van terugkomen. Voor het overige is haar verweer onvoldoende gemotiveerd. Niet aannemelijk is geworden dat de royalties (mede) een vergoeding beoogden te zijn voor een verkooprecht dat [betrokkene 1] zou hebben met betrekking tot de van [B] gekochte vis. Feiten die kunnen rechtvaardigen dat [betrokkene 1] een dergelijk recht had, althans dat [eiseres] dat heeft kunnen aannemen, zijn gesteld noch gebleken. Dat in de Royaltyovereenkomst staat dat de royalties worden betaald omdat [betrokkene 1] [eiseres] in staat heeft gesteld de Leveringsovereenkomst met [B] te sluiten, duidt niet zonder meer op een verkooprecht.

Het hof gaat er dan ook van uit dat het bedrag van € 794.115 is bedoeld als vorm van tegenprestatie voor de verwerving van (de meerderheid) van de aandelen in [B] Dit staat ook met zoveel woorden in de notitie van [betrokkene 3] (…), op grond waarvan [eiseres] , naar eigen zeggen heeft besloten over te gaan tot participatie.

7.2.5

Het vorenstaande betekent echter niet dat het genoemde bedrag, tezamen met het bij de overdracht betaalde bedrag van € 90.756 de koopprijs is. Partijen hebben immers uitdrukkelijk gekozen voor een andere constructie, waarin de betaling van het gehele bedrag aan royalties niet is gegarandeerd. De Notitie [betrokkene 3] laat, zoals [eiseres] terecht heeft aangevoerd, zien dat partijen uitgingen van een bepaalde in de toekomst te behalen winst, die ruimte zou geven voor het betalen van de royalties. Daarmee heeft [betrokkene 1] zijn lot verbonden aan het welslagen van [B] , zoals door [betrokkene 1] zelf ook is gesteld (…).

De Royaltyovereenkomst dient onder meer zo te worden uitgelegd dat tegenover dit door [betrokkene 1] genomen risico staat dat [eiseres] zich dient in te spannen de situatie waarin [betrokkene 1] aanspraak kan maken op royalties te handhaven. Dit laatste brengt onder meer mee dat [eiseres] zich niet zonder meer op de beëindiging van de Leveringsovereenkomst door [B] kan beroepen. Het hof komt hier bij de behandeling van grief 4 op terug.

7.2.6

De conclusie is dat grief 2 faalt, voor zover daarmee wordt betoogd dat tussen de overeenkomsten geen rechtens relevante samenhang bestaat.

(…)

8.4

Opzegging Leveringsovereenkomst, principale grief 4, incidentele grief 2

8.4.1

De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat het beroep van [eiseres] op de opzegging van de Leveringsovereenkomst door [B] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is wegens het uit de Aandeelhoudersovereenkomst van 19 mei 2003 voorvloeiende vereiste dat toestemming van [betrokkene 1] voor die opzegging was vereist. Hieraan heeft de rechtbank het oordeel verbonden dat [eiseres] de Royaltyovereenkomst na 1 februari 2008 dient na te leven alsof de Leveringsovereenkomst niet is geëindigd.

Bij eindvonnis heeft de rechtbank hieraan toegevoegd dat het beroep van [eiseres] op de door deze gestelde stemovereenkomst, faalt. Tegen deze overwegingen richt zich grief vier.

8.4.2

Bij de beoordeling van de vraag of [eiseres] zich op de opzegging van de leveringsovereenkomst mag beroepen, geldt, onder verwijzing naar hetgeen onder 7.2 is overwogen, als uitgangspunt dat sprake is van separate overeenkomsten, maar dat de samenhang van de overeenkomsten kan meebrengen dat [eiseres] zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet op de opzegging kan beroepen. Hetgeen [betrokkene 1] heeft aangevoerd, begrijpt het hof als een beroep op het bepaalde in artikel 6:248 BW .

[betrokkene 1] dient feiten en omstandigheden die het beroep op artikel 6:248 BW kunnen rechtvaardigen, te stellen en bij betwisting te bewijzen.

(…)

8.4.4

Vaststaat dat de prijs die [eiseres] aan [B] voor de vis betaalde aanzienlijk onder de marktprijs lag en voor [B] dus niet gunstig was. In feite betekende dit dat er voor [B] van aanvang af een goede reden was een einde aan de overeenkomst te maken. Zoals hier al overwogen (7.2.5) mocht [betrokkene 1] echter verwachten dat [eiseres] als meerderheidsaandeelhouder zich ertoe zou inspannen dat de Leveringsovereenkomst in stand zou blijven. Dit behoefde zij uiteraard niet te doen als de resultaten van [B] (al dan niet mede als gevolg van de ongunstige voorwaarden van de Leveringsovereenkomst) negatief waren. In dat geval kan niet worden gezegd dat de opzegging zonder redelijke grond was en kan [eiseres] niet worden verweten die opzegging niet te hebben voorkomen.

8.4.5

[eiseres] heeft gesteld dat het resultaat van [B] vanaf 2007 negatief is geweest. Deze stelling is door [betrokkene 1] onvoldoende gemotiveerd weersproken. (…) Het moet er derhalve voor worden gehouden dat vanaf 2007 sprake was van een negatief exploitatieresultaat.

(…)

8.4.9

Ten slotte heeft [betrokkene 1] zich met betrekking tot de opzegging op verschillende formele bezwaren beroepen. Zo is volgens hem het aandeelhoudersbesluit over die opzegging genomen in strijd met de tussen de aandeelhouders gesloten Aandeelhoudersovereenkomst, zodat het bestuur van [B] , dat aan die overeenkomst was gebonden, het besluit niet had mogen nemen.

[betrokkene 1] heeft de stelling van [eiseres] dat het bestuur niet gebonden is aan de Aandeelhoudersovereenkomst, omdat deze niet in de statuten is opgenomen, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarmee staat vast dat de Leveringsovereenkomst door [B] rechtsgeldig kon worden opgezegd. Nu voor deze opzegging, gelet op de resultaten en tegen de achtergrond van de tussen de aandeelhouders gemaakte afspraken (zie onder 7.2), goede grond bestond, kan niet gezegd worden dat een beroep op de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, ook niet als zou moeten worden aangenomen – [eiseres] heeft dit gemotiveerd weersproken – dat [eiseres] [betrokkene 1] omtrent (het entameren van) de opzegging om toestemming had moeten vragen.

8.4.10

Een en ander leidt tot de conclusie dat niet gezegd kan worden dat [eiseres] zich niet op de opzegging van de Leveringsovereenkomst tegen 1 februari 2008 mag beroepen. Derhalve kan [betrokkene 1] geen aanspraak maken op een vergoeding van schade als gevolg van de opzegging. De grief slaagt derhalve.

(…)

9.5.1

[betrokkene 1] heeft als subsidiair verweer tegen de vorderingen uit hoofde van gestelde balansschendingen aangevoerd dat [eiseres] niet meer toekomt dan 41% van de schade, gecorrigeerd met vennootschapsbelasting en in ieder geval niet meer dan de door haar betaalde koopprijs van € 90.956. Dit verweer, dat in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep alsnog dient te worden beoordeeld – de rechtbank heeft het niet behandeld – is door [eiseres] niet, althans niet voldoende gemotiveerd bestreden. Haar verwijzing naar artikel 1.3 van de Koopovereenkomst, waarin staat dat zij recht heeft op volledige vergoeding van de schade, baat haar niet, omdat met dit artikel vanzelfsprekend niet is beoogd haar recht te geven op vergoeding van schade die zij niet lijdt. In deze bepaling wordt overigens bepaald dat deze vergoeding wordt aangemerkt als een correctie op de Koopprijs Aandelen, die volgens artikel 2.1 van de Koopovereenkomst € 90.756 bedraagt. Het voorgaande duidt erop dat de schade in beginsel niet meer is dan deze koopprijs. Dat een deel van de royalties een tegenprestatie vormde voor de aandelen, kan, onder verwijzing naar hetgeen onder 7.2 is overwogen, niet zonder meer tot het oordeel leiden dat partijen met deze koopprijs een hoger bedrag dan het bedrag van € 90.956 hebben bedoeld, hetgeen door [eiseres] overigens ook niet is aangevoerd. Andere omstandigheden die zouden kunnen meebrengen dat in dit geval aanleiding is voor een vergoeding van een hoger bedrag dan het bedrag van € 90.956,--, eventueel vermeerderd met een bedrag ter zake van kosten gemaakt in verband met de non-conformiteit, zijn door [eiseres] , die in hoger beroep uitdrukkelijk het standpunt inneemt dat de koopprijs niet hoger was dan genoemd bedrag, evenmin gesteld.

9.5.2

[eiseres] heeft recht op vergoeding van haar eigen schade. Anders dan zij stelt heeft zij geen recht op vergoeding van de schade die [B] als gevolg van een balansschending mogelijk heeft geleden. Dit volgt niet uit het feit dat artikel 1.3 van de Aandelenovereenkomst aan [betrokkene 1] onder andere de mogelijkheid geeft om de schade van [eiseres] te vergoeden door een betaling aan [B] te doen.

Dit laatste betekent slechts dat [betrokkene 1] zich in deze procedure tegen de vordering van [eiseres] op grond van balansschendingen in voorkomend geval mogelijk kan verweren met de stelling dat de schade reeds is vergoed doordat aan [B] is betaald.”

Het hof heeft in het derde tussenarrest, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

“7. Ter zake van kosten van administratie heeft [eiseres] een vordering van € 36.853.33, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 27 januari 2005 (…).

8. Als lasthebber van [B] heeft [eiseres] de vorderingen als vermeld in rechtsoverwegingen 3.5, 3.7 en 3.8, in totaal 35.397 (8.398 + 2.789 + 24.210), vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 27 januari 2005.”

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1

Het hof heeft in rov. 7.2.4 geconcludeerd dat sprake is van een verband tussen de royaltybetalingen en de verwerving van aandelen. Dat heeft het hof onder meer gegrond op zijn oordeel dat [eiseres] haar verweer op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd. Uit hetgeen hierna in 4.3 wordt overwogen, volgt dat het tegen laatstgenoemd oordeel gerichte onderdeel 1.3 geen doel treft. Aangezien dit oordeel de conclusie van het hof zelfstandig draagt, heeft [eiseres] geen belang bij de klachten van de onderdelen 1.1 en 1.2. Laatstgenoemde onderdelen kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

4.2.1

Onderdeel 3.1 klaagt dat het hof in rov. 9.5.1 van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan of een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven indien het heeft geoordeeld dat een koper van aandelen ten gevolge van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door de verkoper niet meer schade kan lijden dan de koopprijs die zij heeft betaald voor de aandelen. Voor zover het hof niet in deze zin heeft geoordeeld, klaagt onderdeel 3.2 dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat [eiseres] en [betrokkene 1] in art. 1.3 van de Koopovereenkomst zijn overeengekomen dat de schadevergoeding die [betrokkene 1] aan [eiseres] is verschuldigd, is gemaximeerd tot ten hoogste de koopprijs van € 90.956,--.

4.2.2

Deze klachten falen. Anders dan onderdeel 3.1 tot uitgangspunt neemt, heeft het hof aan zijn oordeel in rov. 9.5.1 niet ten grondslag gelegd dat een koper van aandelen als gevolg van een tekortkoming van de verkoper in zijn algemeenheid niet meer schade kan lijden dan de koopprijs die hij heeft betaald voor de aandelen. Onderdeel 3.1 mist dus feitelijke grondslag. Onderdeel 3.2 richt zich tevergeefs tegen de uitleg die het hof aan art. 1.3 van de Koopovereenkomst heeft gegeven. Die uitleg, waarin de schadevergoeding is aangemerkt als een correctie op de koopprijs van de aandelen, is feitelijk en niet onbegrijpelijk.

4.3

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1.1

Onderdeel I richt klachten tegen verschillende onderdelen van rov. 8.4 van het eerste tussenarrest, gelezen in samenhang met rov. 7.2 daarvan.

5.1.2

Onderdeel Ia klaagt dat het hof de samenhang tussen de verschillende overeenkomsten heeft miskend. Een redelijke uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen, brengt mee dat partijen hebben beoogd om het belang van [betrokkene 1] in [B] over te laten gaan naar [eiseres] , waarbij de “uiteindelijke koopprijs” grotendeels werd betaald in de vorm van royalty’s en dat het gevolg daarvan is dat het [B] niet vrijstond de Leveringsovereenkomst op te zeggen, behoudens zwaarwegende gronden, en dientengevolge dat [eiseres] zich niet jegens [betrokkene 1] kon beroepen op de opzegging door [B] van de Leveringsovereenkomst. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de onderlinge verhouding van de overeenkomsten niet verder gaat dan dat [eiseres] zich enkel niet op de opzegging zou kunnen beroepen wanneer dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, berust dat oordeel op een onjuiste rechtsopvatting omtrent de uitleg van de onderhavige samenhangende overeenkomsten.

5.1.3

Het hof heeft de samenhang tussen de verschillende overeenkomsten niet miskend, zoals onder meer blijkt uit rov. 7.2 en rov. 8.4.2. Ook heeft het hof bij de uitleg van de samenhangende overeenkomsten geen onjuiste maatstaf aangelegd. Het hof heeft in rov. 7.2.2 de Haviltexmaatstaf bij die uitleg tot uitgangspunt genomen, in rov. 7.2.5 geoordeeld dat de samenhang tussen de overeenkomsten meebrengt dat [eiseres] zich niet zonder meer op de beëindiging van de Leveringsovereenkomst door [B] kan beroepen, en in rov. 8.4.9 overwogen dat voor de opzegging door [B] , gelet op de resultaten en tegen de achtergrond van de tussen de aandeelhouders gemaakte afspraken, goede grond bestond. Daarmee is het hof kennelijk en terecht ervan uitgegaan dat voor het antwoord op de vraag in hoeverre de opzegging van de Leveringsovereenkomst doorwerkt in de Royaltyovereenkomst, bepalend is wat [betrokkene 1] in het licht van deze samenhangende rechtsverhoudingen in redelijkheid van [eiseres] mocht verwachten. De verwijzing in rov. 8.4.9 naar de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid doet daaraan niet af, omdat het hof – zoals hiervoor uiteengezet – in wezen niet aan deze maatstaf heeft getoetst, maar heeft onderzocht of [eiseres] heeft gehandeld in strijd met hetgeen [betrokkene 1] in het licht van de samenhangende rechtsverhoudingen in redelijkheid van [eiseres] mocht verwachten. De klachten van onderdeel Ia stuiten hierop af.

5.1.4

Onderdeel If klaagt dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat [eiseres] zich niet behoefde in te spannen om de Leveringsovereenkomst in stand te houden “als de resultaten van [B] (al dan niet mede als gevolg van de ongunstige voorwaarden van de Leveringsovereenkomst) negatief waren”. Volgens het onderdeel was de omstandigheid dat het resultaat van [B] werd ‘afgeroomd’ immers een beoogd onderdeel van de transactie.

5.1.5

Deze klacht slaagt. Het hof heeft allereerst overwogen dat vaststaat dat de prijs die [eiseres] aan [B] voor de vis betaalde, aanzienlijk onder de marktprijs lag en voor [B] niet gunstig was. Het heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat er voor [B] van aanvang af een goede reden was een einde aan de overeenkomst te maken. Wat er van dit oordeel zij, het hof heeft vervolgens terecht overwogen dat [betrokkene 1] mocht verwachten dat [eiseres] als meerderheidsaandeelhouder zich zou inspannen om de Leveringsovereenkomst in stand te houden. Nu onderdeel van de afspraken tussen partijen was dat [betrokkene 1] een deel van de tegenprestatie voor de aandelen in [B] voldaan zou krijgen door de royaltybetalingen en die royaltybetalingen leidden tot een lagere prijs voor de forelfilet, kon het hof niet zonder meer, zonder acht te slaan op de hiermee samenhangende en aan partijen bekende ongunstige voorwaarden van de Leveringsovereenkomst, tot het oordeel komen dat [eiseres] zich niet behoefde in te spannen de Leveringsovereenkomst in stand te houden als de resultaten van [B] negatief waren.

5.1.6

Onderdeel Ic klaagt onder meer dat het hof bij zijn oordeel dat [eiseres] zich jegens [betrokkene 1] op de opzegging van de Leveringsovereenkomst door [B] kon beroepen, niet alle omstandigheden van het geval (kenbaar) heeft meegewogen. Het onderdeel vermeldt als omstandigheden onder meer (i) dat [eiseres] aandeelhouder was van [B] en dat [betrokkene 2] bestuurder was van [B] en van [eiseres] , (ii) dat [B] instrumenteel was in de transactie waarbij door betaling van royalty’s de koopsom voor [B] door [eiseres] aan [betrokkene 1] werd betaald, (iii) dat het niet-marktconform zijn van de prijs die [eiseres] betaalde aan [B] door partijen, waaronder [B] zelf, nu juist was beoogd en (iv) dat [eiseres] en [B] hebben onderkend dat zij beide belang hadden bij opzegging zonder daarbij het belang van [betrokkene 1] bij voortzetting in ogenschouw te nemen.

5.1.7

Ook deze klacht slaagt. Zoals het onderdeel terecht stelt, heeft het hof de daarin aangeduide omstandigheden niet kenbaar in zijn oordeel betrokken. Dit volgt mede uit hetgeen hiervoor in 5.1.5 is overwogen over onderdeel If. Nu die omstandigheden van belang (kunnen) zijn voor de beoordeling van het onderhavige geschil, mocht het hof daaraan niet ongemotiveerd voorbijgaan.

5.1.8

Onderdeel Ig klaagt onder meer dat onbegrijpelijk is dat een negatief resultaat vanaf 2007 een argument voor [B] kon vormen om op 16 januari 2007 de Leveringsovereenkomst op te zeggen.

5.1.9

Ook deze klacht slaagt. De opzegging door [B] vond plaats op 16 januari 2007. Tot aan 2007 boekte [B] positieve resultaten. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom het onvoldoende weersproken zijn door [betrokkene 1] van negatieve resultaten van [B] vanaf 2007, dus na de opzegging, als een valide argument voor die opzegging kan gelden.

5.1.10

De overige klachten van onderdeel I behoeven geen behandeling.

5.2.1

Onderdeel II richt zich tegen de rov. 7 en 8 van het derde tussenarrest. Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is, en voert daartoe aan dat art. 6:119a BW slechts van toepassing is op vorderingen uit handelsovereenkomsten.

5.2.2

Rov. 7 ziet op vergoeding van de redelijke kosten die [eiseres] heeft gemaakt ter vaststelling van de schade veroorzaakt door schending van de balansgaranties. Rov. 8 ziet op vorderingen van [eiseres] als lasthebber van [B] tot vergoeding van een door [B] betaalde, maar door [betrokkene 1] te dragen bonus aan een van haar bestuurders, tot vergoeding van ten onrechte ten laste van [B] geboekte loonkosten en tot vergoeding van door [B] uitbetaalde bedragen op uitgegeven ‘sennets’ (cheques) die voor rekening van [betrokkene 1] moesten komen.

Art. 6:119a BW heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Dit betreft de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven, en evenmin op vorderingen tot vergoeding van schade (zie voor dat laatste HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:40, NJ 2013/368 en HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:70, NJ 2016/51). Het onderdeel slaagt dus.

5.3

Onderdeel III bouwt voort op onderdeel I. Nu de onderdelen Ic, If en Ig slagen, slaagt derhalve ook de klacht van onderdeel III.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [betrokkene 1] begroot op € 2.028,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

vernietigt de arresten van het gerechtshof Den Haag van 18 februari 2014, 17 maart 2015 en 12 april 2016;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [betrokkene 1] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 8 december 2017.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature