< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Moord in Zevenbergen. 1. Voorbedachte raad. 2. Bewijsuitsluiting en schending van consultatierecht, art. 359a Sv. 3. Verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan HvJ EU m.b.t. het Unierecht en verhoorbijstand. Ad 1. Het oordeel van het Hof dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld is gelet op ’s Hofs vaststellingen toereikend gemotiveerd. Ad 2. V.zv. het Hof een nadere toelichting heeft geëist waarom de door de verdediging gestelde schending van het consultatierecht zou moeten leiden tot de sanctie van bewijsuitsluiting, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu dit verzuim na een daartoe strekkend verweer in de regel dient te leiden tot bewijsuitsluiting (vgl .ECLI:NL:HR:2009:BH3079 en ECLI:NL:HR:2015:3608). Tot cassatie behoeft dit niet te leiden, nu het Hof heeft vastgesteld dat verdachte voor zijn eerste (inhoudelijke) verhoor overleg heeft gevoerd met zijn raadsman. Ad 3. HR maakt opmerkingen m.b.t. het recht op rechtsbijstand tijdens politieverhoren: sinds 22 december 2015 heeft een aangehouden verdachte recht op aanwezigheid en bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie (vgl. ECLI:NL:HR:2015:3608 en ECLI:NL:HR:2016:2018). Verdachte kon t.t.v. zijn politieverhoren in januari 2014 noch aan art. 28 Sv noch aan art. 6 EVRM een aanspraak op verhoorbijstand ontlenen. Ook aan Richtlijn 2013/48/EU betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures kon verdachte geen aanspraak op verhoorbijstand ontlenen, omdat t.t.v. zijn politieverhoren de omzettingstermijn nog niet was verstreken. De omstandigheid dat die implementatietermijn, die liep tot 27 november 2016, thans wel is verstreken, brengt niet mee dat het recht op verhoorbijstand met terugwerkende kracht is komen te gelden voor politieverhoren die voordien hebben plaatsgevonden. Voornoemde rechtspraak betreft ook niet een uitlegging van het nationale recht die, na het verstrijken van de omzettingstermijn, de verwezenlijking van de met Richtlijn 2013/48/EU nagestreefde doelstelling ernstig in gevaar zou kunnen brengen (vgl. HvJ EU 27 oktober 2016, ECLI:EU:C:2016:818). T.t.v. en in relatie tot de politieverhoren was geen sprake van het ten uitvoer brengen van het recht van de Unie a.b.i. art 51.1 Handvest van de grondrechten van de EU, zodat de bepalingen van dat Handvest daarop geen toepassing vinden. Afwijzing verzoek om prejudiciële vragen te stellen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



4 juli 2017

Strafkamer

nr. S 16/00788

AGE/DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 december 2015, nummer 20/003733-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.A. Korver en Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Procureur-Generaal J. Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring wat betreft de voorbedachte raad onvoldoende met redenen is omkleed.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat:

"hij op 10 januari 2014 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer]

- met een mes, althans een scherp voorwerp, in het lichaam gestoken en

- met kracht haar keel dichtgeknepen en

- met kracht tegen haar hoofd geslagen en geschopt en

- met kracht meermalen op haar hoofd gestampt/getrapt en

- vervolgens [slachtoffer] in het water gegooid,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van aanhouding van 12 januari 2014, doorgenummerde dossierpagina's 34-35, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (beiden hoofdagent van politie):

Op zondag 12 januari 2014 omstreeks 01:55 uur, hielden wij op de locatie [a-straat 1] Zevenbergen, binnen de gemeente Moerdijk als verdachte aan:

Achternaam : [achternaam verdachte]

Voornamen : [voornamen verdachte]

Geboren : [geboortedatum] 1974

Geboorteplaats : [geboorteplaats] in Nederland

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 13 januari 2014, doorgenummerde dossierpagina's 141-142, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] (inspecteur van politie), [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (beiden hoofdagent van politie):

Op 12 januari 2014, tussen 20.12 uur en 21.38 uur hebben wij, verbalisanten, verdachte [verdachte] vervoerd vanaf het arrestantencomplex van het politiebureau Mijkenbroek te Breda naar diverse plaatsen in de omgeving van Zevenbergen en weer terug naar voornoemd arrestantencomplex.

Het doel was dat verdachte een aantal plaatsen kon aanwijzen die voor het onderzoek van belang waren, o.a. de plaats waar verdachte [slachtoffer] in het water heeft achtergelaten (PD1), de plaats waar verdachte het oranje en blauwe zeil heeft weggegooid (PD2) en de plaats waar verdachte de tas met inhoud van [slachtoffer] heeft weggegooid (PD3).

PD1: Op 12 januari 2014, te 20.50 uur, wees verdachte [verdachte] ons een water aan, gelegen naast de Schansdijk te Zevenbergen. Wij, verbalisanten, zijn samen met verdachte naar de oever van dit water gelopen. Verdachte [verdachte] wees direct naar een plaats en wij hoorden dat verdachte daarbij zei: "Ik zie haar al. Ik zie de capuchon." Hierop werd er met zaklampen geschenen op de door verdachte [verdachte] aangewezen plaats. Wij, verbalisanten, zagen een lichaam drijven/liggen in het water. Het hoofd van dit lichaam lag met het aangezicht naar beneden.

PD3: hierop zijn wij verbalisanten met verdachte verder gereden naar de Zuidrand te Zevenbergen. Wij hoorden verdachte verklaren: "Ik heb de tas in het water gegooid aan de linker of rechter zijde van de brug".

3. Een proces-verbaal van bevindingen van 15 januari 2014, doorgenummerde dossierpagina 155, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (resp. hoofdagent en brigadier van politie):

Op dinsdag 14 januari 2014 waren wij, verbalisanten, in het pand van Zuylen uitvaartverzorging te Breda. Wij waren daar in verband met de confrontatie van de familie met het slachtoffer [slachtoffer] .

Op genoemde datum hebben wij de volgende personen geconfronteerd met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] :

- [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats] , zijnde de vader van het slachtoffer

- [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] , zijnde de moeder van het slachtoffer

- [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] , zijnde de vriend van het slachtoffer.

Alle hiervoor genoemde personen verklaarden het stoffelijk overschot te herkennen als dat van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1977.

4. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 13 januari 2014, doorgenummerde dossierpagina's 95-104, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte:

Pagina 95:

Ik weet dat [slachtoffer] mij op vrijdag 10 januari 2014 iets voor 11.00 uur belde. Ik weet dit zo zeker omdat ik op dat moment in Leiden was voor een sollicitatiegesprek.

Pagina 96:

[slachtoffer] belde mij met de mededeling dat zij een brief had gehad van de Belastingdienst waardoor zij maandelijks € 600,00 minder overhield aan alimentatie. Ik vertelde [slachtoffer] dat ik die brief graag zelf wilde zien, maar dat het op dat moment niet zo goed uitkwam. Ik beloofde haar dat ik haar tussen 12.00 uur en 13.00 uur terug zou bellen, wanneer ik weer in de auto zou zitten. Het was een goed gesprek.

Ik belde [slachtoffer] terug na de sollicitatie toen ik in de auto zat. Het begon vrij redelijk en rustig van beide kanten. Het was een lang gesprek. Ondertussen was ik al bijna in Zevenbergen dus ik opperde dat we het nu zouden regelen. [slachtoffer] kon dat niet redden omdat zij om

13.00

uur met een vriendin had afgesproken in Breda. Tijdens het gesprek kreeg ik weer een rotgevoel, ik kan alleen gissen waar dit over ging, dat het ging over de kinderen en het gesprek ging weer in de verwijtende sfeer. Ik kan me herinneren dat ik me niet prettig voelde tijdens dat gesprek. Ik denk dat dit gesprek dik een half uur geduurd heeft. [slachtoffer] en ik spraken niet meteen af, dus ik ben doorgereden naar Den Bosch, naar mijn werk.

Wanneer ik er nu op terugkijk, zie ik een ballon die vol zit met lucht, met opgehouden woede. Die ballon is gaan klappen. Het was de eerste keer dat ik zo'n heftig gevoel van boosheid ontdekte bij mezelf. Een opeenstapeling van allerlei dingen die mij gekrenkt hebben, er is op dat moment iets geknapt. Ik ben gaan malen en onrustig geworden.

Ik was onderweg naar Den Bosch omdat ik iets moest afhandelen. Ik ben 10 minuten op kantoor geweest. Ik bleef maar malen en malen. Ik kreeg hartkloppingen, ik ging hyperventileren, zweten, het benauwde mij, ik kreeg bijna geen lucht meer. Die continue druk maakte mij boos.

Pagina 97:

Tijdens de autorit van Den Bosch naar Zevenbergen werd ik overmand door woede. Mijn boosheid werd na het gesprek met [slachtoffer] alsmaar sterker. Ik dacht het niet meer te trekken, ik werd helemaal gek, zo voelde het eigenlijk.

Ik werd bijna verblind door boosheid. Ik dacht, ik moet hier een eind aan maken, dit kan zo niet meer. Ik wilde de situatie stoppen, want dit kon zo niet langer tussen [slachtoffer] en mij.

Ik heb me allerlei scenario's bedacht. Ik dacht we gaan samen rond de tafel zitten en ik sla met de vuist op tafel. Ik wist dat dit niet zou gaan werken, dus dat was geen optie. Ik bedacht me om mezelf iets aan te doen. Ik bedacht ook om [slachtoffer] iets aan te doen, om haar van het leven te beroven.

Ik was omstreeks 14.30 uur thuis. Ik wilde [slachtoffer] van het leven beroven, dat was mijn gevoel. Ik pakte twee zeilen. Deze lagen in de houten tuinberging, deze staat tegen de garage aan, los van de woning. Het betrof een oranje en een blauw zeil. Het blauwe zeil strekte ik uit in de garage. Het oranje zeil legde ik daarachter. Ik dacht dat ik [slachtoffer] dan daarin weg kon brengen. Tijdens het handelen heb ik een mes gepakt. Ik weet dat het een mes was dat ik uit de keukenlade pakte. Het is een mes met een kartelrand en een scherpe punt. De totale lengte is ongeveer 15 centimeter. Het handvat, het heft, was zwart kunststof. Toen alle spullen klaar lagen in de garage, dacht ik, ik ga haar wat aan doen, zo ga ik het doen. Ik ga [slachtoffer] wat aandoen, op het zeil, met het mes.

Op dat moment schrok ik van mijn eigen gedachten. Ik dacht "What the fuck (...) dit is niet de oplossing, dit ben ik niet". Ik ben op de bank gaan zitten en dronk een kopje espresso. Ik kwam weer tot bezinning.

Pagina 98:

Het was inmiddels 15.00 uur wat inhield dat ik mijn kinderen van school moest halen. Ik ben daarna onze hond Puck gaan uitlaten. Ik ben met hem een rondje gaan lopen en denk dat ik rond 16.00 uur thuis kwam. Ik had met [slachtoffer] afgesproken dat zij mij zou bellen als ze onderweg was naar mij. [slachtoffer] belde dat zij bij de Praxis in Breda reed. Wij hebben al die tijd, tot zij bij mij voor de deur stopte, met elkaar gebeld. Zij hing op toen zij voor de deur stond. Het gesprek ging meteen weer in de verwijtende sfeer richting mij. Ik voelde me weer door [slachtoffer] in een hoek gezet.

Pagina 99:

Ik liep met mijn telefoon te ijsberen en zag haar aankomen. Ik opende voor haar de deur. Volgens mij zette [slachtoffer] haar handtas op tafel om haar spullen te pakken. Ik liep door naar de keuken. [slachtoffer] liep ook mee naar de keuken en nam haar tas mee omdat zij haar spullen uit haar tas wilde pakken. Wij gingen in de woning door met het telefoongesprek wat wij eerder voerden. De toon van [slachtoffer] veranderde omdat ik tegengas gaf. Het kwam weer op [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] , de vriend van [slachtoffer] ), dat zij trots is op hem, dat hij het beter doet in het vaderschap, al dat soort dingen. Ik begon intern te koken. Ik was een slappe zak en een slappe hap, dat zei ze allebei. Ik voelde me van binnen steeds bozer worden.

Ik voelde die woede en ik kreeg er nog net uitgegooid dat ik haar iets wilde laten zien in de garage. Ik wilde haar meenemen naar de garage. Zij moest mee naar de garage. Mijn gevoel was denk ik dat ik haar iets aan wilde doen. Wij stonden in de garage. Ik vertelde [slachtoffer] in de garage dat ik haar eigenlijk niks wilde laten zien. Ik vertelde haar over mijn gevoelens. Ik werd wederom door [slachtoffer] in een hoek gedreven. Wij zijn toen weer teruggelopen naar de keuken. [slachtoffer] bleef maar aandringen dat zij wilde weten wat ik haar wilde laten zien. Ik nam haar mee naar de garage.

Pagina 100:

Op dat moment staan [slachtoffer] en ik dus samen in de garage. De deur was gesloten. [slachtoffer] stond met haar rug tegen de garagedeur, ik stond tegenover haar. [slachtoffer] was weer verbaal heel sterk, ik werd in de hoek gedrukt. Opeens gaf [slachtoffer] mij een forse duw tegen mijn rechterschouder, waardoor ik achteruit deinsde. Op dat moment sloegen bij mij de stoppen door. Als reflex duwde ik haar met veel kracht met haar hoofd tegen de muur. We komen op het zeil terecht. Hoe dat gebeurde weet ik niet precies, mogelijk dat ik haar aan haar haren meetrok. We stonden op het zeil en ik had het mes in mijn handen. Ik zag een forse jaap in mijn duim. Ik was al in razernij en dat triggerde me nog meer.

Ik zie [slachtoffer] in mijn gedachten pas toen ik het door had als ze op haar rug ligt en er is overal bloed. Ik zie haar handtas en ze heeft in haar broek geplast. Ik zie bloed in haar gezicht, haar neus, haar mond, ik zie overal bloedspetters op het zeil. Haar oog zit dicht, het is helemaal opgezwollen.

Ik heb haar met het mes in haar zij gestoken, in haar keel, ik heb haar getrapt op haar hoofd.

Ik weet ineens dat het mes er was. Ik had eerst die jaap die afgeweerd is en dat ik toen nog bozer was en ben gaan steken. Ik steek met mijn rechterhand, ik ben rechtshandig. Mogelijk dat ik mis stak waardoor de jaap in mijn handen kwam. [slachtoffer] ging gillen.

Pagina 101:

U vraagt mij naar de bijtwond in mijn hand. Wat duidelijk is voor mij dat mijn vingers in haar mond zaten en dat ik die met heel veel kracht uit haar mond moest trekken.

Ik heb haar heel erg lang bij de keel gehad. Heel erg lang. Zij lag op haar rug en ik pakte haar bij de keel. Hard. Het voelde lang. Ik zie mijn hand om haar keel.

Alles moest eruit.

U vraagt mij naar het schoppen. [slachtoffer] is op de grond en ik stamp op haar gezicht.

Ik weet niet of [slachtoffer] nog leefde. Ze lag stil, er is een moment geweest dat ik haar nog zie ademen. U vraagt mij hoe vaak ik haar in het gezicht heb geschopt. Dat kan drie keer geweest zijn, maar ook zes keer.

Ik had sneakers aan. Er schiet me iets te binnen. Er stond een doosje in de garage met wat hout voor de open haard. Dit doosje waar normaal hout in zat, was leeg. Ik had een trui aan die onder het bloed zat. Die heb ik uitgedaan en rond mijn hand gewikkeld om het bloeden te stelpen. Die heb ik ook weggegooid. Ik ging nadenken en dacht aan alle dingen die aanwijzingen zijn, die heb ik in dat doosje gestopt. Ik heb toen ook die schoenen erin geduwd, het mes in twee stukken en haar handtas die ze meegenomen had in de garage en haar telefoon die op de grond was gevallen. De trui die onder het bloed zat en de handdoek die ik daar omheen had gedaan, ik heb die in het doosje gedaan waar het openhaard hout in zat. Die heb ik naar de auto gebracht.

Pagina 102:

Opmerking verbalisanten:

Verdachte toont ons wat er gebeurde. [slachtoffer] ligt op haar rug. Ik stamp met kracht op haar hoofd, alleen op haar hoofd. Het is met heel veel kracht gegaan. De verdachte stampt met kracht op de grond.

Met mijn voeten heb ik alleen op haar hoofd gestampt. Ik heb haar lang bij de keel gepakt en met mijn handen haar hoofd tegen de grond geslagen, terwijl zij op de grond lag.

Ik pakte haar met beide handen bij haar haren. Ik sloeg met kracht haar hoofd meerdere keren, ik denk een keer of 5 op het beton. Dit moet kabaal hebben gegeven want ik ben sterk en ik was boos. Het is echt met kracht gegaan.

Pagina 103:

Ik kom tot bezinning op het moment dat ik weer ga staan. Ik zie haar roerloos liggen. Dan slaat de paniek toe. Ik deed de dingen in een doosje, schoenen verwisseld, bloed weggeveegd, in de keuken een bloedvlek weggeveegd.

Ik liep naar de keuken en zag dat het 17.10 uur was. Ik besefte toen dat ik [betrokkene 4] bij zijn vriendje moest halen. [slachtoffer] lag toen nog op het zeiltje in de garage. Ongeveer 10 minuten later was ik met [betrokkene 4] thuis. Wij kwamen langs de voordeur naar binnen. [betrokkene 5] was er ook. Ik vertelde de kinderen dat ik ging koken en dat ze even in de kamer tv mochten kijken. Ik was ondertussen bezig met brandjes blussen. Ik veegde bloed weg, ik had mijn lange jas aan. Ik ben bezig geweest met het weghalen van bloed in de bijkeuken, bloed aan de deur en de doekjes deed ik in de wasmachine. Alles wat ermee te maken had, moest weg.

Inmiddels zal het donker geweest zijn. Ik ben toen gaan kijken hoe ik [slachtoffer] weg kon krijgen. Ik weet dat het blauwe zeil langer en breder was dan zij. Ik kon haar daar makkelijk inrollen. Ik legde het oranje zeil in de kofferbak van mijn auto, zodat er geen sporen van [slachtoffer] in de auto zouden komen.

Ik opende de klep van de garage. Mijn auto, dan praat ik over de Prius, stond met de kofferbak dicht tegen de garage, zodat niemand het zou zien. Ik rolde het blauwe zeil om [slachtoffer] . Ik stak mijn armen onder haar lichaam, als een schep. In een squad beweging tilde ik het lichaam op. Ik legde [slachtoffer] in de kofferbak.

Ik deed de garagedeur dicht, ik deed de auto op slot, ben naar de kinderen gelopen en vertelde de kinderen dat ik even een boodschap moest doen. Ik wilde het lichaam van [slachtoffer] lozen, wegbrengen, achterlaten. Ik reed eerst nog een keer verkeerd en ben uiteindelijk naar de plek gereden waar wij [slachtoffer] vonden.

Ik weet niet hoe laat ik thuis kwam. Ik besefte dat ik een flinke wond aan mijn duim had die behandeld moest worden. Ik zei tegen de kinderen dat ik even naar de wond moest laten kijken, dat ik me bezeerd had aan een keukenmes. Dit was voor 19.00 uur kan ik mij herinneren. Daarna ben ik me gaan klaarmaken om naar de huisartsenpost te gaan.

5. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 20 januari 2014, doorgenummerde dossierpagina's 109-115, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte:

Pagina 109:

Ik ben eerst de spullen die rondom [slachtoffer] lagen gaan opruimen. Ik heb die in het doosje gedaan waar ik eerder over verklaard heb. Dat was allemaal voor ik [betrokkene 4] heb opgehaald. Ik ben vervolgens de keuken ingelopen en zag dat het 17.10 uur was en ik realiseerde mij dat ik [betrokkene 4] op moest gaan halen bij [betrokkene 6] .

Pagina 110:

Vervolgens ben ik naar huis gereden.

Ik heb vervolgens het doosje in de auto gezet en heb tegen de kinderen gezegd dat ik even weg moest. Ik ben toen het doosje weg gaan gooien. Ik ben de Huizersdijk opgereden en ben op een gegeven moment gedraaid en ben langs de kant gaan staan en ben uitgestapt en ben naar de rietkraag gelopen en heb daar de spullen in het water gegooid. De tas van [slachtoffer] heb ik niet meegenomen. De iPhone van [slachtoffer] heb ik in haar tas gedaan. Ik had ook haar sleutels in haar handtas gedaan denk ik. Die spullen heb ik toen nog niet weggegooid.

De Replay schoenen zaten er ook in. Ik kan me herinneren dat ik later toen ik thuis kwam zag dat het handvat van het mes nog in het doosje zat. Ik ben toen met Puck gaan lopen en heb het handvat van het mes in het water gegooid achter mijn huis.

Nadat ik het doosje heb leeggemaakt ben ik weer in mijn auto gestapt en naar huis gereden. Het was al donker aan het worden en ik ben toen volgens mij heel snel de garage in gedoken en heb daar [slachtoffer] in de kofferbak gelegd. Vervolgens heb ik het doosje op de achterbank gezet met daarin de iPhone en de tas. Ik heb de kinderen vervolgens geroepen dat ik een boodschap ging doen en ben in de auto gestapt en ben [slachtoffer] weg gaan brengen. Toen ik vervolgens op de plaats kwam waar ik [slachtoffer] heb achtergelaten ben ik achteruit naar het water gereden. Ik heb dit bewust gedaan omdat ik dan niet zoveel hoefde te sjouwen. Ik wilde eerst naar de andere kant van het water gaan, maar ik realiseerde mij dat dat een te drukke weg was. Ik ben weer teruggereden en ben naar de uiteindelijke plaats gereden naar de Schansdijk.

Pagina 111:

Ik heb toen [slachtoffer] uit de kofferbak gehaald en heb haar vervolgens naar beneden gedragen. Ik weet dat ze op de grond heeft gelegen maar waar precies weet ik niet. Ik heb haar vervolgens in het water gerold. Ze kwam op haar buik terecht. Ik zag dat de capuchon over haar hoofd zat. Ik bedacht me dat ze wel heel dicht bij de kant lag en ben toen in het water gestapt en heb haar verder weg geduwd. Ik ben vervolgens naar de auto gelopen, heb de zeilen in de auto gedaan en ben vertrokken.

Ik ben toen de route gaan rijden die ik samen met u ook gereden heb. Ik heb de zeilen gepakt en heb ze daar in het water gegooid. Ik ben vervolgens weer gedraaid met de auto en ben naar het bruggetje gereden. Bij het bruggetje heb ik de tas, de iPhone en de sleutels in het water gegooid. Ik ben vervolgens naar huis gereden.

We zijn vervolgens naar de huisartsenpost gereden. Ik denk dat ik rond zeven uur bij de huisartsenpost was. Bij de huisartsenpost heeft het allemaal best wel lang geduurd omdat ik gehecht moest worden. Thuis gekomen hebben de kinderen hun friet gekregen met hun snacks. Ik ben vervolgens naar de garage gegaan en heb in de garage geprobeerd de bloedspatten weg te poetsen. Ik kreeg ze niet weg. Ik heb de handdoeken die ik gebruikt had in de was gedaan en ben vervolgens bij de kinderen gaan zitten en heb de open haard aangestoken. [betrokkene 5] en [betrokkene 4] hebben toen nog voor de open haard gezeten en ik heb daarvan nog een foto op

Pagina 112:

Facebook gezet. Ik had die foto nog naar [slachtoffer] geappt. Ik heb dat gedaan omdat ik dacht dat ik daarmee de verdenking van me af kon houden.

Omstreeks 07.00 uur (het hof begrijpt: op 11 januari 2014) ben ik opgestaan en heb een espresso gedronken en Puck uitgelaten. Ik ben rond 10 uur gaan rijden.

Pagina 113:

Ik ben ongeveer een kwartier, twintig minuten weg geweest. Toen schoot in mijn gedachten dat mijn jas helemaal onder het bloed zat. Ik heb die jas samen met de bemodderde schoenen in de oud papierdoos gedaan. Ik heb dat in de kofferbak gezet en ben naar de stort gereden. Dat was rond half 11. Ik moest wachten tot ik op het terrein mocht. Ik kreeg toegang en heb toen gezegd dat ik wat brandbaar afval had en heb het in een daarvoor bestemde container gegooid.

Uiteindelijk ben ik weer naar huis gegaan. Toen ik naar huis reed kwamen er

Pagina 114:

allerlei dingen in mijn hoofd wat ik moest gaan doen. Ik dacht dat ik dingen in de fik moest gaan steken. Ik ben toen naar de Albert Heijn gereden en heb daar spiritus gekocht.

Tijdens dat [betrokkene 4] tv zat te kijken kreeg ik het idee om de garage in de fik te gaan steken. Ik ben naar de garage gegaan en heb die dozen met afval met spiritus besprenkeld en deze aangestoken. Ook heb ik de kast nog in de brand gestoken. Ik zag dat [betrokkene 4] ineens in de deur van de garage stond en toen heb ik gezegd tegen hem dat het een ongelukje was en heb het brandje geblust. Ik ben vervolgens [betrokkene 5] op gaan halen. Tevoren had ik ook nog de kofferbak van mijn auto met spiritus besprenkeld. Nadat ik [betrokkene 5] had opgehaald heb ik in de garage nog twee dozen opgeruimd en heb deze bij de poort gezet.

6. Een proces-verbaal van bevindingen van 24 maart 2014 inzake een verhoor van de verdachte van 12 januari 2014 (verbatim uitgewerkt), doorgenummerde dossierpagina's 64-92, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 8] (BOA domein generieke opsporing van politie):

Op verzoek van de teamleiding van TGO Dransfeld werd het verhoor van 12-01-2014 van verdachte [verdachte] verbatim uitgewerkt.

Pagina 80:

Ik geloof dat ik haar met haar hoofd tegen de muur geduwd heb een keer. En we lagen ineens op het zeil. Ineens had ik een mes vast. Ineens had ik hier (hij wijst op zijn hand) bloed. Ja, volgens mij duwde ik m'n hand naar voren zo en beet ze daar in. En ze liet ze niet meer los. Trok ik hem terug.

Het is echt een gevecht geweest. Ik heb vastgesteld dat [slachtoffer] dood was. Want op een gegeven moment ademde ze niet meer. Ik heb ook nog op haar hoofd getrapt. Ik heb haar met een mes gestoken en volgens mij brak dat toen af ofzo, het lemmet. Toen heb ik haar nog bij haar keel gepakt geloof ik.

Pagina 81:

Dus toen ben ik met de kinderen, want ik wilde ze niet zo lang alleen laten, naar de huisartsenpost gegaan in Etten-Leur en dat was denk ik zo rond een uur of zeven. Want ik weet dat we iets na achten frietjes zijn gaan halen. En toen zagen we ook nog dat de Jumbo open was. Want [betrokkene 5] die was boos geworden in de auto, want ik had geen fritessaus van zijn merk en dan lust hij de frietjes niet. Dus toen zijn we naar de Jumbo gegaan. Nou en toen naar de snackbar friet gaan halen.

Pagina 83:

Ik zie alleen flarden. En wat zie je dan [verdachte] ?

Ja precies de dingen die ik en die jij net samenvat. Handelingen.

Pagina 84:

Bijvoorbeeld tegen haar hoofd aan of tegen de muur aan slaan met dat hoofd. Bijvoorbeeld ineens liggen we op dat zeil. Dan zie ik ineens een jaap in m'n duim.

7. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 26 november 2015 voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven -:

We kwamen terug in de garage en ik wilde haar uitleggen dat ik niets wilde laten zien, echt niet. Ik zei dat ik geen ruzie wilde en zij zei dat ik het er zelf naar maakte. Er is een aantal dingen gezegd, bijvoorbeeld dat ze me terug wilde toen zij terug kwam van haar reis door de USA, maar dat zij dat nu niet meer wilde omdat [betrokkene 3] veel beter is. Zij zei mij ook dat ik mijn vriendin [betrokkene 7] , die kut, boven haar en de kinderen stelde terwijl dat niet zo was. Ook zei ze dat ze wilde dat ik kanker had en ze zei "ik haat je". Toen gaf ze mij die duw en toen ging het vreselijk mis.

De voorzitter deelt mede dat de opmerkingen die

[slachtoffer] maakte allemaal werden gemaakt in de tweede fase van het gesprek toen we voor de tweede keer in de garage waren en vraagt mij of dat klopt. Ik zeg daarop dat dit juist is en dat ik haar uit een reflex met haar hoofd tegen de muur duwde. Dat is de enige flard van herinneringen die ik op volgorde kan zetten, daar begon het mee. U vraagt mij of ik blijf bij mijn verklaring die ik bij de politie heb afgelegd voor zover die inhoudt dat ik bepaalde beelden van geweldshandelingen in mijn hoofd heb. Ik beantwoord die vraag bevestigend en zeg u dat die beelden niet zijn veranderd en dat ik niet meer weet in welke volgorde handelingen plaatsvonden nadat ik haar met haar hoofd tegen de muur duwde.

8. Een proces-verbaal van bevindingen aantreffen zeilen in de Mark, van 14 januari 2014, doorgenummerde dossierpagina's 388-395 inclusief als bijlagen plattegrond Google Maps resp. 5 foto's, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 9] (hoofdagent van politie):

Op maandag 13 januari 2014 omstreeks 14.15 uur werd door mij op de oever van de Mark te Zevenbergen een blauwkleurig zeil aangetroffen. Ik zag dat het zeil was besmeurd met vermoedelijk bloed. Van de vindplaats zijn foto's gemaakt en als bijlage bij het proces-verbaal gevoegd (dossierpagina's 390 t/m 395).

Op maandag 13 januari 2014 omstreeks 14.30 uur werd door mij in het water van de Mark te Zevenbergen een oranjekleurig zeil aangetroffen. Het zeil werd aangetroffen aan het einde van het vaarwater ter hoogte van de Kristallaan te Zevenbergen.

De vindplaats van beide zeilen is aangegeven op bijgevoegde plattegrond (pagina 390).

9. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2014, doorgenummerde dossierpagina 398, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant van [verbalisant 5] (hoofdagent van politie):

Naar aanleiding van hetgeen verdachte heeft verklaard over dat hij de tas van het slachtoffer in het water heeft gegooid bij een brug, is door mij samen met het Korps Landelijke Politiediensten, afdeling waterpolitie, een onderzoek ingesteld op de door verdachte aangewezen plaats. Medewerkers van het Korps Landelijke Politiediensten hebben middels een dreg-net de bodem van het water afgezocht. Bij dit zoeken is een tas aangetroffen waarvan meteen duidelijk werd dat hij afkomstig was van het slachtoffer. In de tas zat een portemonnee met daarin een rijbewijs op naam van het slachtoffer.

10. Een proces-verbaal van bevindingen aantreffen zeilen in de Mark van 20 januari 2014, doorgenummerde dossierpagina 399-400, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 10] hoofdagent van politie):

Tussen 20 januari 2014 omstreeks 12:00 uur en 20 januari 2014 omstreeks 13:00 uur, heb ik een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden.

In het kader van het TGO Dransfeld werd door het arrestatieteam een zoekactie in het kanaal in Zevenbergen gedaan. Deze zoekactie was ter hoogte van de Huizersdijk.

In de waterkant waar wij stonden werd een lemmet van een mes gevonden. Deze was zilverkleurig en had een lengte van tussen de tien en vijftien cm.

11. Een proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens van 24 maart 2014, doorgenummerde dossierpagina's 771-776 inclusief als bijlagen printlijst en plattegrond, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 11] (brigadier van politie):

Op 10 januari 2014, omstreeks 16:05:31 uur, werd met het telefoonnummer [001] , in gebruik bij slachtoffer [slachtoffer] gedurende 974 seconden gebeld naar het telefoonnummer [002] , in gebruik bij verdachte [verdachte] . Op 10 januari 2014 na 16:05 uur zijn er geen uitgaande contacten meer geregistreerd van de telefoon in gebruik bij slachtoffer [slachtoffer] . Bij de inkomende contacten zijn vanaf dat tijdstip geen imei-nummers en zendmastgegevens geregistreerd, hetgeen wil zeggen dat het toestel uit stond of niet binnen het bereik was van zendmasten van Nederlandse providers.

12. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 maart 2014 (met bijlagen), doorgenummerde dossierpagina 419-469 inclusief als bijlage lijst met weergave van berichten Whatsapp, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 12] (hoofdagent van politie):

In de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Zevenbergen werd een Apple iPhone 4S in beslag genomen. Deze iPhone werd door de digitale recherche uitgelezen en verwerkt. Door mij, verbalisant, werd de uitgelezen Apple iPhone tactisch onderzocht. In de What's app bericht-gesprekken stonden 41 gesprekken.

Ik, verbalisant [verbalisant 12] , startte met What's app bericht-gesprek tussen [001] @s.whatsapp.net [slachtoffer] en [003] @s.whatsapp.net Zelf. Dit What's app bericht-gesprek bestond uit 2159 berichten.

In dit What's app bericht-gesprek wordt een aantal maal de naam [verdachte] gebruikt door [001] @s.whatsapp.net [slachtoffer] . Uit de inhoud van de berichten-gesprekken is op te maken dat deelnemer [slachtoffer] , het slachtoffer [slachtoffer] betreft en deelnemer Zelf, verdachte [verdachte] betreft.

(doorgenummerde p. 469)

Instant

Van

Inhoud

Tijdstempel: tijd

2156

[003] @s.whatsapp.net Zelf

Vond het een fijn gesprek! Thanx

10-01-14 16:29

2155

[003] @s.whatsapp.net Zelf

Ik zie je auto nog? Knipafspraak?

10-01-14 16:29

2154

[003] @s.whatsapp.net Zelf

Als zaterdag het fijnste is voor jou dan kunnen ze zaterdag naar mij komen. Maakt voor mij niet uit. Zondag breng ik ze 20 uur! Thanx, helpt echt!

10-01-14 19:32

2153

[003] @s.whatsapp.net Zelf

En laat zondag ajb weten wat eruit komt met [slachtoffer] en de belasting! Oké?

10-01-14 19:33

2159

[003] @s.whatsapp.net Zelf

10-01-14 20:57

2158

[003] @s.whatsapp.net Zelf

Leuk he

10-01-14 20:58

2157

[003] @s.whatsapp.net Zelf

Ging vanavond even stroef onderling....maar nu weer erg gezellig onderling...

10-01-14 20:58

13. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen van 17 januari 2014, doorgenummerde dossierpagina 401-418 (inclusief als bijlagen schermafdrukken Facebook), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 13] (hoofdagent van politie):

Pagina 401:

Op donderdag 16 januari 2014 heb ik het Facebook account van verdachte [verdachte] onderzocht. Zeer opmerkelijk is dat verdachte [verdachte] op vrijdag 10 januari 2014 om 21:27 uur een bericht met foto post op zijn Facebook account. Het betreft een foto van twee kinderen voor de open haard, met de tekst:

"Light my fire" (knipogende smiley erachter) "Gezellig!"

Pagina 413:

Foto (naar het hof begrijpt, zoals beschreven op pagina 401).

14. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering , te weten een door K. van Vugt, huisarts, opgemaakte medische verklaring, doorgenummerde dossierpagina 582, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Aan huisarts Evers-Roeten

Beste collega,

Uw patiënt [verdachte] heeft contact gehad met, is langs geweest bij een dienstdoend arts van onze huisartsenpost.

Patiënt : [verdachte]

Adres : [a-straat 1]

Geboortedatum : [geboortedatum] -1974

Waarneembericht van : K. van Vugt, huisarts

Afzender : HAP, Etten-Leur

Datum : vrijdag 10 januari 2014

Deelcontact: Scheurwond/snijwond

Dhr. belt, heeft met keukenmes in hand gesneden, wond linker hand onder duim.

Gehecht met ethilon.

Oproepgegevens:

aangenomen door K. van Vugt om 10-1-2014 19:11:28

Afhandelgegevens:

afgehandeld door K. van Vugt om 10-1-2014 19:56:22

Namens de Huisartsenpost, K. van Vugt, huisarts.

15. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 14 januari 2014, doorgenummerde dossierpagina 583, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van getuige [getuige 1] :

Ik werk bij de Shell benzinepomp in Zevenbergen, dat ligt aan de Prins Hendrikstraat 17. Afgelopen vrijdag, 10 januari, was ik daar aan het werk. Op die vrijdag was er een man met drie kinderen in de benzinepomp geweest.

Op zaterdag hoorde ik dat [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) vermist werd. Maandagochtend dacht ik ineens aan het feit dat er een man met drie kinderen in onze pomp was geweest. Ik heb toen de naam [verdachte] , de naam van haar ex, op internet ingetypt en toen kwam ik erachter dat [verdachte] de man was die met de kinderen op vrijdag in de pomp is geweest. Ik had toen gezien dat hij een hand in het verband had zitten. Toen legde ik de link met [verdachte] en [slachtoffer] . [verdachte] en de kinderen waren in de benzinepomp om een pot mayonaise te kopen. De jongste wilde een bepaald merk mayonaise hebben. Ze gingen namelijk friet halen. Uiteindelijk hadden we dat merk niet en gingen ze weg zonder iets te kopen.

16. Een proces-verbaal van bevindingen van 30 januari 2014, doorgenummerde dossierpagina's 587-592, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 14] (hoofdagent van politie):

Ik heb de beelden bekeken van de beveiligingscamera's die zich bevinden bij en in het Shell benzinestation aan de Prins Hendrikstraat 17 te Zevenbergen. Er zijn van twee camera's beelden veilig gesteld. Camera 1 kijkt uit over de pompen van het benzinestation met links de winkel en in het midden de twee pomp punten en rechts de openbare weg, zijnde de Prins Hendrikstraat. Camera 2 geeft een beeld van achter de toonbank en heeft zicht over een deel van de winkel van het benzinestation.

De veiliggestelde beelden betreffen een opname van 10 januari 2014 van 20:03:17 uur tot 20:10:42 uur.

Op camera 1 is te zien dat om 20:06:29 uur rechts in beeld een witte Toyota Prius komt aan rijden en links af slaat en het terrein van het benzinestation op rijdt. De witte Toyota wordt geparkeerd. Vervolgens is te zien dat de bestuurder en drie kinderen uit de auto stappen. Om 20:06:54 uur is te zien dat de bestuurder en de drie kinderen naar de ingang van de winkel van het benzinestation lopen en deze binnen gaan.

Op camera 1 is om 20:08:01 te zien dat de man en de drie kinderen de winkel van het benzinestation verlaten. Op camera 1 is vervolgens te zien dat de man en de drie kinderen naar de witte Toyota Prius lopen en in deze auto stappen. Als iedereen is ingestapt rijdt de witte Toyota Prius weg van het terrein van het benzinestation.

17. Een proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2014, doorgenummerde dossierpagina 604, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 15] (hoofdagent van politie):

Op dinsdag 14 februari 2014 werd er een kassabon van Jumbo inbeslaggenomen.

Op de kassabon van Jumbo te Zevenbergen werden op 10 januari 2014 om 20:19 de volgende goederen afgerekend:

(..)

- Lays Patatje Joppie

(..)

18. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 16 januari 2014, doorgenummerde dossierpagina's 593-598, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van getuige [getuige 2] :

Pagina 595:

Ik ben met mijn vader naar de milieustraat van Moerdijk gereden op zaterdagochtend 11 januari 2014. Ik denk dat we er tussen kwart voor en kwart over tien waren. Bij de brandbare bak haalden we het netje van onze bak en toen zag ik [verdachte] (het hof begrijpt [verdachte] , de verdachte), die kwam naast ons staan en wilde kennelijk iets weggooien. Ik zag hem pas toen hij uit zijn auto gestapt was. [verdachte] excuseerde zich tegenover ons dat hij voor ons iets weg wilde gooien.

[verdachte] reed in een witte Toyota, volgens mij een Toyota Prius. Hij zat alleen in de auto."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

"Uit de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd, volgt dat tijdens zijn autorit van Den Bosch naar Zevenbergen voor het eerst het idee in zijn hoofd ontstond om [slachtoffer] wat aan te doen, als één van de drie scenario's om de moeizame communicatie tussen hen beiden te beëindigen. Voor de uitvoering van dat scenario heeft de verdachte vervolgens na zijn thuiskomt omstreeks 14.30 uur, derhalve bijna twee uur voor hij daadwerkelijk geweld gebruikte tegen [slachtoffer] , voorbereidingen getroffen door twee zeilen en een mes in de garage neer te leggen. Hij bedacht zich toen, volgens zijn eigen verklaring, dat hij [slachtoffer] iets ging aandoen op het zeil met het mes. Hij schrok toen van zijn eigen gedachten en gedragingen en ging met een kopje espresso in de woonkamer op de bank zitten. De verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment tot bezinning kwam en bedacht dat het geen oplossing was om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het hof leidt uit die verklaring af dat de verdachte zich op dat moment heeft kunnen beraden op zijn eerdere besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven. Hij heeft op dat moment daadwerkelijk nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn besluit om haar van het leven te beroven. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte op dat moment niet zijn eerdere gedachte om [slachtoffer] van het leven te beroven heeft verlaten. De uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen duidt daar niet op, nu de verdachte de zeilen en het mes in de garage heeft laten liggen en hij bovendien nadien [slachtoffer] daadwerkelijk om het leven heeft gebracht zoals hij aanvankelijk had bedacht: in de garage, op het zeil en (naast het andere fysieke geweld) gebruik makend van een mes. Naar het oordeel van het hof is reeds daarmee voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte zich niet heeft gedistantieerd van zijn plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. Toen [slachtoffer] vervolgens omstreeks 16.21 uur in zijn woning arriveerde heeft de verdachte zijn eerdere opgevatte plan om haar in de garage van het leven te beroven in een kort tijdsbestek tot uitvoering gebracht.

Het hof is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd en heeft daarbij betekenis gehecht aan de uiterlijke kenmerken van de gedragingen van de verdachte. Het hof ziet zich in dat oordeel gesterkt gelet op de omstandigheid dat de verdachte [slachtoffer] binnen hooguit 8 minuten na haar aankomst in de woning van de verdachte mee heeft genomen naar de garage waar hij haar om het leven heeft gebracht. Om 16.29.00 uur en

16.29.30

uur heeft de verdachte met zijn telefoon, volgens zijn eigen zeggen na afloop van de geweldshandelingen, immers al berichten verstuurd naar haar telefoon.

Voor zover de verdachte heeft verklaard dat door de nare woorden en de duw van zijn ex-echtgenote de stoppen bij hem doorsloegen en dat hij haar daarom - in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling - om het leven heeft gebracht, gaat het hof daaraan voorbij. Desgevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het niet de eerste keer was dat [slachtoffer] in dergelijke bewoordingen tegen hem praatte, hem (figuurlijk) in de hoek zette en hem een duw gaf. Het hof ziet daarom niet in dat de verdachte door de bewoordingen - die volgens de verdachte niet zo bijzonder waren nu zij deze woorden reeds eerder aan hem had toegevoegd - en de duw nu juist op de latere middag van 10 januari 2014 werd aangezet om [slachtoffer] van het leven te beroven. Naar het oordeel van het hof was sprake van de uitvoering van een scenario dat de verdachte eerder die middag had bedacht. De boosheid van de verdachte liep daarbij al tijdens de autorit van Den Bosch naar Zevenbergen op, leidde tot het klaarleggen van de zeilen en het mes, tot een moment van nadenken over zijn voorgenomen daad en de gevolgen daarvan en uiteindelijk tot een nog grotere woede vanaf het laatste telefoongesprek met [slachtoffer] en na haar binnenkomst in zijn woning, waarna de verdachte overging tot het om het leven brengen van [slachtoffer] .

Voorgaande feiten en omstandigheden leiden het hof tot de conclusie dat geen sprake is van contra-indicaties die in de weg staan aan het bewezen verklaren van voorbedachte raad. Het hof acht aannemelijk geworden dat verdachte boos op zijn ex-echtgenote was, maar acht - zoals hiervoor overwogen - niet aannemelijk geworden dat hij in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling handelde in die zin dat besluitvorming en uitvoering hebben plaatsgevonden in een plotselinge hevige drift die betekende dat hij de consequenties van zijn daden niet kon overdenken en overzien. Ook andere contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad zijn niet aannemelijk geworden. De verdachte is overgegaan tot de uitvoering van een ruim tevoren bedacht scenario en heeft in ieder geval de consequenties van zijn voorgenomen besluit overdacht toen hij met een kopje espresso in de woonkamer op de bank ging zitten. Van een korte tijdspanne tussen het besluit en de uitvoering daarvan kan niet worden gesproken en de verdachte heeft ook niet pas tijdens de uitvoering van het besluit gelegenheid gehad tot beraad."

2.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat het om het leven brengen van [slachtoffer] door de verdachte de uitvoering betrof van een scenario dat de verdachte eerder die dag had bedacht. Het Hof heeft daartoe vastgesteld dat de verdachte op het moment dat hij, na het klaarleggen van twee zeilen en een mes in de garage, in de woonkamer op de bank zat, daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het Hof heeft tevens vastgesteld dat de verdachte op dat moment niet zijn eerdere gedachte om [slachtoffer] van het leven te beroven, heeft verlaten. Het heeft daartoe de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte in aanmerking genomen, in het bijzonder dat de verdachte [slachtoffer] binnen hooguit acht minuten na haar aankomst in zijn woning daadwerkelijk om het leven heeft gebracht op de wijze zoals hij aanvankelijk had bedacht. Ten slotte heeft het Hof overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling handelde toen hij [slachtoffer] van het leven beroofde en dat ook andere contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad niet aannemelijk zijn geworden.

Het oordeel van het Hof dat de verdachte "met voorbedachte raad" heeft gehandeld, is gelet op voornoemde vaststellingen toereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.

3 Beoordeling van het vierde middel

3.1.

Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van een tot bewijsuitsluiting strekkend verweer.

3.2.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer van de raadsman van de verdachte als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft (...) aangevoerd dat de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd niet voor het bewijs gebruikt mogen worden, omdat deze het resultaat zijn van in het voorbereidend onderzoek begane onherstelbare vormverzuimen, inhoudende dat de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) zijn geschonden. In strijd met de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Richtlijn 2013/48/EU, PB L 294/1 is de verdachte op geen enkel moment medegedeeld dat hij tijdens de politieverhoren, en in ieder geval tijdens het verhoor voor de inverzekeringstelling, recht had op bijstand van een raadsman. De raadsman heeft in dat verband ook gewezen op de conclusie van advocaat-generaal mr. T. Spronken van 26 november 2013 (ECLI:NL:PHR:2013:1424). Voorts is de verdachte niet vóór ieder verhoor gewezen op het recht om daaraan voorafgaand een raadsman te consulteren. De enige keer dat de verdachte wel op het consultatierecht is gewezen is echter niet geverifieerd of die mededeling tot de verdachte is doorgedrongen en of hij de consequenties overzag van het afstand doen van zijn recht(en), terwijl de verdachte op dat moment in shock verkeerde en, zoals later bleek, last had van amnesie. Een en ander levert een schending op van artikel 6 EVRM , aldus de raadsman.

Volgens de raadsman kan gelet op het voorgaande betwijfeld worden of de raadsman wel was geïnformeerd en of afdoende rechtsbijstand is verleend. Daarmee is ook sprake van strijd met artikel 5 EVRM . De raadsman heeft voorts gesteld dat de gangbare praktijk bij levensdelicten in bijvoorbeeld Utrecht en Amsterdam is dat de raadsman bij het verhoor wordt toegelaten. Nu dat in dit geval niet is gebeurd, is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid.

(...)

Het beroep op schending van de artikelen 5 en 6 EVRM dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria zoals gesteld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Op grond van dit artikel kan de rechter, ingeval sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, overgaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie, tot bewijsuitsluiting of tot strafvermindering. Bij de beoordeling van de vraag of een dergelijke situatie zich voordoet dient de rechter rekening te houden met de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde factoren, te weten: het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat door het vormverzuim wordt veroorzaakt. Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat, in geval de verdediging een beroep doet op artikel 359a Sv, van haar wordt verlangd dat zij aan de hand van de in lid 2 van dat artikel genoemde factoren uiteenzet waarom schending van een bepaald vormverzuim dient te leiden tot het/de door haar bepleite gevolg(en).

In de onderhavige zaak heeft de raadsman weliswaar aangevoerd welke vormen volgens hem zijn verzuimd en waar dit volgens hem toe dient te leiden, maar hij heeft nagelaten om duidelijk en gemotiveerd aan de hand van voornoemde (in artikel 359a lid 2 Sv vermelde ) factoren te expliciteren waarom het hof over zou moeten gaan tot bewijsuitsluiting (...). Het verweer (...) van de raadsman stuit reeds daarop af.

Overigens is het hof gelet op het navolgende van oordeel dat in het voorbereidend onderzoek geen sprake is geweest van schending van artikel 5 dan wel van artikel 6 EVRM. Naar het oordeel van het hof is tijdens de verhoren niet gehandeld in strijd met de Aanwijzing Politieverhoor en de vigerende Salduz-jurisprudentie. Deze jurisprudentie houdt in dat een aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor recht heeft op consultatie van een raadsman (HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079). Uit de door de raadsman aangehaalde conclusie van de advocaat-generaal mr. T. Spronken volgt weliswaar dat Spronken uit met name de uitspraak van het EHRM Navone e.a. vs. Monaco (24 oktober 2013, nrs. 62880/11, 62892/11 en 62899/11) en uit de Richtlijn 2013/48/EU (hierna: de Richtlijn) afleidt dat een verdachte ook tijdens het verhoor recht heeft op bijstand van een raadsman, maar bij arrest van de Hoge Raad van 1 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:770) is het standpunt van Spronken verworpen. De Hoge Raad heeft in dat arrest beslist dat de Richtlijn een implementatietermijn kent die loopt tot 27 november 2016, zodat tot die datum geen rechtstreeks werkende rechten of verplichtingen aan de inhoud van die Richtlijn ontleend kunnen worden. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft de Europese wetgever door het stellen van die termijn aanvaard dat zich de situatie kan voordoen dat de wetgeving van een lidstaat op dit moment nog niet voldoet aan de door de Richtlijn gestelde eisen, zoals in casu het geval is. Ten aanzien van de door Spronken genoemde Straatsburgse jurisprudentie oordeelt de Hoge Raad dat daaruit niet zonder meer algemene conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de reikwijdte van het recht op verhoorbijstand en de consequenties die aan schending van dat recht moeten worden verbonden. Mede gelet op de beleidsmatige, organisatorische en financiële aspecten meent de Hoge Raad dat het zijn rechtsvormende taak te buiten gaat om een dergelijke algemene regeling op te stellen. Het is niet uitgesloten dat het, bij het uitblijven van een dergelijke regeling, zal leiden tot een andere afweging bij de beoordeling van toekomstige gevallen waarin vragen naar de inhoud en de reikwijdte van het recht op verhoorbijstand aan hem worden voorgelegd, aldus de Hoge Raad. Dat een dergelijke andere afweging al heeft plaatsgevonden is het hof niet gebleken.

Het hof heeft verder nog geconstateerd dat advocaat-generaal mr. G. Knigge de Hoge Raad in zijn conclusie van 29 september 2015 (ECLI:NL:PHR:2015:1996) in overweging heeft gegeven om op grond van artikel 267 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie prejudici ële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen over (de reikwijdte van) het recht op verhoorbijstand, maar de Hoge Raad heeft in die zaak nog geen arrest gewezen.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat thans geen recht bestaat op bijstand van een raadsman tijdens het verhoor van een verdachte, maar slechts een consultatierecht. Dat in Utrecht en Amsterdam sprake is van een gangbare praktijk om verdachten van levensdelicten tijdens politieverhoren te laten bij staan door een raadsman, als door de verdediging gesteld, doet daaraan niet af omdat is gesteld noch gebleken dat die praktijk, nadat deze bij wijze van pilot is gestart, landelijk is doorgevoerd. Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel gaat reeds om die reden niet op.

Ten aanzien van het consultatierecht is het hof van oordeel dat dit niet zo ver reikt dat de verdachte op dat recht voorafgaand aan ieder verhoor gewezen dient te worden. Voldoende is dat hij voorafgaand aan het eerste verhoor van 12 januari 2014 om 17.50 uur op dat recht is gewezen. Het hof stelt vast dat uit de processtukken blijkt, dat de verdachte op 12 januari 2014 omstreeks 10.30 uur overleg heeft gevoerd met zijn advocaat mr. M. Nieland.

Verder blijkt uit het procesdossier dat de verdachte op 12 januari 2014 om 03.54 uur in verzekering is gesteld. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat sprake is van een vormverzuim omdat de consultatie na de inverzekeringstelling plaatsvond, geldt dat niet valt in te zien dat de verdachte daarvan enig nadeel heeft ondervonden. Hij heeft immers in dat verhoor geen inhoudelijke verklaring afgelegd. Het hof gaat ook op dit punt daarom aan het verweer van de raadsman voorbij. Ten aanzien van de stelling van de raadsman dat onvoldoende is geverifieerd of de verdachte de hem medegedeelde rechten wel goed heeft begrepen, is het hof van oordeel dat in geen van de verhoren een aanwijzing is te vinden waaruit blijkt dat bij de verdachte op enig punt onduidelijkheid heeft bestaan over zijn rechten. Evenmin volgt dit uit het rapport d.d. 16 januari 2014 dat de forensisch Gz-psycholoog Schuurbiers heeft uitgebracht naar aanleiding van een met de verdachte op 14 januari 2014 gevoerd gesprek (voorgeleidingsconsult). In dit rapport is vermeld dat de verdachte uitgebreid antwoord heeft gegeven op alle vragen van Schuurbiers, dat het contact adequaat is geweest en dat de aandacht en de concentratie goed te trekken en te behouden zijn geweest. Ook concludeert Schuurbiers dat bij de verdachte geen sprake is van acute psychiatrische problematiek in de vorm van depressie, angst of psychose.

Ook overigens is het hof niet gebleken dat de verdachte tijdens enig verhoor bij de politie niet in staat zou zijn geweest om verhoord te worden. Het hof wijst in dit verband op de verklaring van de verdachte van 12 januari 2014, inhoudende dat hij in staat is om met de verbalisanten te praten, dat hij dat gewoon wil doen (p. 66 procesdossier), dat hij eigenlijk heel blij was dat hij dit gesprek kon hebben en dat hij er heel de dag op zat te wachten (p. 67 procesdossier) en dat hij alles gewoon wil vertellen (p. 79 procesdossier). Ook op 13 januari 2014 is de verdachte gevraagd of hij zich, na de door de verdachte getoonde emoties, goed genoeg voelde om een verklaring af te leggen. De verdachte heeft die vraag bevestigend beantwoord (p. 95 procesdossier).

De slotsom luidt dan ook dat de verweren van de raadsman falen voor zover deze inhouden dat de artikelen 5 en 6 EVRM zijn geschonden waardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv met als consequentie bewijsuitsluiting (...)"

3.3.1.

Het middel klaagt onder meer dat de verwerping van het gevoerde verweer ten aanzien van het gebruik van de verklaringen van de verdachte voor het bewijs blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.

3.3.2.

Het Hof heeft overwogen dat de raadsman van de verdachte weliswaar heeft aangevoerd dat in het voorbereidend onderzoek verscheidene vormen zijn verzuimd hetgeen zou moeten leiden tot uitsluiting van het bewijs van de ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen van de verdachte, maar dat dit verweer reeds faalt omdat de verdediging niet aan de hand van de factoren die in art. 359a, tweede lid, Sv zijn genoemd, duidelijk en gemotiveerd te kennen heeft gegeven waarom deze verzuimen zouden moeten leiden tot bewijsuitsluiting. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en draagt de verwerping van het gevoerde verweer zelfstandig, behoudens voor zover het ziet op hetgeen is aangevoerd omtrent het recht voorafgaand aan het eerste politieverhoor een raadsman te consulteren. Immers, de omstandigheid dat een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen (vgl. HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349 en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608, NJ 2016/52). Door een nadere toelichting te eisen waarom het door de verdediging gestelde verzuim betreffende de uitoefening van het consultatierecht zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

3.3.3.

Tot cassatie behoeft dit evenwel niet te leiden, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 12 januari 2014, voorafgaand aan het eerste (inhoudelijke) verhoor aangaande zijn betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit, overleg heeft gevoerd met zijn raadsman M. Nieland. Gelet hierop getuigt het kennelijke oordeel van het Hof dat het consultatierecht in de onderhavige zaak niet is geschonden en dat de na de uitoefening van dit recht afgelegde verklaringen van de verdachte bruikbaar zijn voor het bewijs, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.

3.4.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden, nu de in de schriftuur vervatte klachten zich in zoverre richten tegen overwegingen ten overvloede. De Hoge Raad vindt evenwel in hetgeen in het middel wordt aangevoerd met betrekking tot het recht op rechtsbijstand tijdens politieverhoren, aanleiding de volgende opmerkingen te maken.

3.5.1.

Een aangehouden verdachte heeft sinds 22 december 2015 het recht op aanwezigheid en bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie (de zogenoemde verhoorbijstand), behoudens bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken (vgl. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608, NJ 2016/52 en HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2018). Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, kon de verdachte ten tijde van het opsporingsonderzoek in de onderhavige zaak – in het bijzonder ten tijde van de politieverhoren van de verdachte op 12, 13 en 20 januari 2014 (bewijsmiddelen 4, 5 en 6) – noch aan art. 28 Sv, noch aan art. 6 EVRM een aanspraak op verhoorbijstand ontlenen.

3.5.2.

Ook aan Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L 294) kon de verdachte geen aanspraak op verhoorbijstand ontlenen. Immers, ten tijde van de verhoren van de verdachte door de politie was de in art. 15, eerste lid, Richtlijn 2013/48/EU opgenomen omzettingstermijn, die liep tot 27 november 2016, nog niet verstreken. De omstandigheid dat die implementatietermijn thans wel is verstreken, brengt niet met zich mee dat het recht op verhoorbijstand met terugwerkende kracht is komen te gelden voor politieverhoren die voordien hebben plaatsgevonden. De onder 3.5.1 aangehaalde rechtspraak betreft ook niet een uitlegging van het nationale recht die, na het verstrijken van de omzettingstermijn, de verwezenlijking van de met Richtlijn 2013/48/EU nagestreefde doelstelling ernstig in gevaar zou kunnen brengen (vgl. HvJ EU 27 oktober 2016, zaak C-439/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:818, punten 31-32).

Uit het vorenstaande volgt dat ten tijde van en in relatie tot de politieverhoren in de onderhavige zaak geen sprake was van het ten uitvoer brengen van het recht van de Unie als bedoeld in art. 51, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zodat de bepalingen van dat Handvest daarop geen toepassing vinden.

3.6.

In aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen, doet zich hier niet het geval voor dat de in de schriftuur opgeworpen vragen of en zo ja, in hoeverre aan het Unierecht een recht op verhoorbijstand kan worden ontleend, relevant zijn voor de oplossing van het geschil, zodat om die reden kan worden afgezien van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het daartoe strekkende verzoek wordt daarom afgewezen.

4 Beoordeling van het vijfde middel

4.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van veertien jaren.

5. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze dertien jaren en negen maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2017.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature